Een eerste middelbare school-liefde, de eerste zoen, je eerste stukgelopen relatie: de kans is groot dat je hier levendige herinneringen aan hebt. Maar hoe accuraat zijn die herinneringen eigenlijk? Een kort verhaal van Bart Kuipers.
Ze was niet echt mooi, maar ze kon er wel mee door. Ze was klein van stuk, maar ze had een veel te grote neus en veel te kleine oogjes. Van die oogjes die alleen maar argwanend kunnen staren en je nooit eens vrolijk aankijken. Ze woonde een tyfuseind bij mij vandaan, dat was eigenlijk haar grootste kwaliteit. Dan hoefde ik tenminste niet thuis te zijn, want thuis was de stemming tot het absolute nulpunt gedaald.
Mijn vader had al een paar keer gezegd: ‘het wordt tijd dat hij het huis uit gaat.’
‘Maar hij is pas zestien,’ zei mijn moeder dan. ‘Hij zit nog op school.’
‘Ik was ook zestien toen ik het huis uit ging.’
En dus waren we altijd bij haar thuis, in Zutphen. We zaten op haar kamer en luisterden muziek. Ze had een moeder die de hele dag beneden op de bank zat en zware shag rookte. Die moeder was werkeloos en gescheiden. Ze probeerde te stoppen met de zware shag, maar het wilde niet lukken.
‘Twee heb ik er gerookt vandaag,’ zei ze een keer triomfantelijk toen ik de keuken binnenkwam om een glas water te halen. ‘Maar ik moet nog meer dan zes uur voor ik weer naar bed mag.’
Ik wist niet wat ik moest antwoorden en ging snel weer terug naar boven.
Eigenlijk was haar cd-collectie het enige aantrekkelijke aan haar. Ze had OK Computer en Mellon Collie and the Infinite Sadness en Beautiful Freak. Ze had nog veel meer, maar dat ben ik allang weer vergeten.
Elk weekend nam ik een stapeltje cd’s mee naar huis, die ik dan kopieerde met de cd-brander van mijn vader. Stiekem natuurlijk, want eigenlijk mocht ik helemaal niet aan zijn computer komen.
‘Als ik door je cd-collectie heen ben, maak ik het uit,’ zei ik een keer. Ze moest lachen, maar ik meende het. Ik wist al vanaf het begin dat ze niet het meisje voor altijd zou zijn. Alleen het meisje van de eerste zoen en misschien het meisje van de eerste keer. Misschien zelfs de tweede, derde en vierde keer, maar er kwam een moment dat ik er genoeg van zou krijgen, dat wist ik toen al.
Maar zelfs die eerste keer kwam er niet van. Ze wilde niet. Ik snapte er niks van. Telkens als ik probeerde mijn hand in haar spijkerbroek te wurmen, duwde ze me weg. Of ze begon spontaan over iets te praten wat me helemaal niet interesseerde. Na twee maanden was ik het spuugzat en maakte ik het uit.
Pas jaren later hoorde ik dat haar vader zijn poten niet thuis kon houden. Dat hij ‘aan haar had gezeten,’ zoals dat met een walgelijk eufemisme heet. Ik had al jaren niet meer aan haar gedacht, maar toch wilde ik die vader in elkaar slaan. Vandaar die zware shag, vandaar die stilte in dat huis.
Ik besloot haar op te zoeken. Wat ik daar wijzer van wilde worden weet ik ook niet meer precies. We spraken af in een of andere stomme koffietent ergens in Utrecht. Ze was heel dik geworden. Ik heb eens ergens gelezen dat mensen die vroeger seksueel misbruikt zijn later dik worden, om te zorgen dat ze geen prooi meer zijn voor viezeriken.
Ze bestelde een koffie verkeerd en een stuk appeltaart. Ik zat tegenover haar en dacht: nu ben je niet alleen niet zo mooi en seksueel misbruikt, maar ook nog eens heel dik. Ik had met haar te doen.
Toen zei ze opeens: ‘Ik ben de gelukkigste persoon op deze aarde.’
Ik vroeg: ‘Waarom?’ Het kostte me moeite om mijn verbazing te verbergen. Uit haar handtas met ijzeren versierfrutsels kwam een reusachtige smartphone en ze liet me babyfoto’s zien. De baby leek op haar, dezelfde kleine oogjes, dezelfde grote neus, maar dat zei ik niet, ik zei: ‘Wat een schatje.’
‘Sinds ik Sofie heb, is mijn leven een feestje,’ zei ze. Ik dacht aan mijn vrienden die juist beweerden dat hun leven sinds de komst van hun kleine dreumes in een hel was veranderd. Een slapeloze hel, wel te verstaan.
‘En jij? Heb jij kinderen?’
Kinderen had ik niet.
‘Ik heb het te druk voor kinderen,’ zei ik, maar dat was natuurlijk onzin. Ik was gewoon te onverantwoordelijk. Ik kon nog geen kamerplant in leven houden.
‘Het spijt me van toen,’ zei ik opeens, ik weet ook niet meer waarom.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik begreep er niks van en ik heb het uitgemaakt omdat je niet met me naar bed wilde.’
Ze keek me aan alsof ik zojuist had gezegd dat ik zonder parachute uit een vliegtuig wilde springen.
‘Jíj hebt het niet uitgemaakt,’ zei ze.
Hoezo, ik had het niet uitgemaakt? Ik herinnerde me nog hoe ze tranen met tuiten had gehuild. Ik verbaasde me erover dat er zoveel vocht uit zulke kleine oogjes kon komen.
‘Ik heb het uitgemaakt,’ zei ze en ze lachte er heel hard bij. Zo hard dat de mensen aan de tafel naast ons opkeken. ‘Dat je je dat niet meer herinnert!’
Dit moest een vergissing zijn.
‘Jij hebt het uitgemaakt?’
‘Ja, je noemde me een vuile teef en toen sloeg je de deur zo hard dicht dat er een stuk hout uit de sponning vloog.’
‘Hoe kom je daarbij? Ik zei tegen jou dat ik niet meer wilde. Ik zei dat het aan mij lag, maar eigenlijk...’
Plotseling hoorde ik mezelf zeggen wat ik zei.
‘Ach, laat ook maar,’ zei ik en ik glimlachte flauwtjes. Wat deed het er toe? Al die oude koeien. Al die modderige sloten. Ze was gelukkig, daar ging het om.
‘Ik vond je niet meer zo interessant,’ zei ze en ze nam een slok koffie. ‘Een beetje oppervlakkig.’
Oppervlakkig? Dat moest zij nodig zeggen met haar iPhone-hoesje met konijnenoren.
‘Ik dacht eigenlijk de hele tijd aan andere dingen als jij iets zei,’ ging ze verder. Ze likte het melkschuim van haar bovenlip terwijl ze me aankeek.
Opeens zag ik het. Ze was helemaal niet zielig. Ze was niet dik omdat ze ongelukkig was met zichzelf, ze was gewoon dik. Ze was er al lang overheen. Ze was gelukkig. Ze was godverdomme dik en verschrikkelijk gelukkig met haar lelijke kind. Plotseling voelde ik me een ontzettende sukkel. Ik zat hier om naar haar ellende te luisteren en me in ruil daarvoor beter te voelen over mezelf, maar in plaats daarvan kreeg ik te horen dat ik niet zo interessant was.
‘Ik vond jou anders ook niet zo interessant.’ Het was eruit voor ik er erg in had. ‘Ik vond je cd-collectie eigenlijk nog het meest interessante aan je.’
Langzaam legde ze haar vorkje neer. Ze depte haar lippen met het servetje dat naast het schoteltje lag.
‘Voor je mij kende had je nog nooit van The Smashing Pumpkins gehoord,’ zei ze, ‘of van Radiohead.’
Toen stond ze op. Ze griste haar iPhone met het konijnenorenhoesje van tafel en stopte hem in die vreselijk lelijke tas van haar.
‘Ik ben blij dat ik het uitgemaakt heb,’ zei ze. Ze lachte naar me, alsof ze zich verontschuldigde. Dat lachen was het allerergste. Ze had godverdomme medelijden met me.
Ze liep naar de bar en rekende haar koffie af. Zonder me nog een blik waardig te gunnen liep ze het café uit. Ik keek haar na terwijl ze weg waggelde in de richting van het station.
Thuis zette ik Mellon Collie and The Infinite Sadness op en staarde door het raam naar buiten. Een paar mannen in oranje hesjes waren bezig een boompje te vellen dat blijkbaar vandaag geveld moest worden.
Bart Kuipers is een aspirant wereldverbeteraar, parttime pessimist en overtuigd romanticus die schrijft en woont in Berlijn. Voor meer zie www.bkuipers.nl.
Lune van der Meulen is illustrator, schilder en schrijver. In haar werk staat de mens en zijn onvermogen vaak centraal. Ze weet eigenlijk nog niet precies wat ze wil, dus doet ze maar zoveel mogelijk van alles.