Walde groeit op onder de kassa in de supermarkt. Daar hoort hij de verhalen van alle klanten die bij zijn moeder afrekenen. In dit verhaal van Jelt Roos wordt onze drang ambitieuze levens te leiden bekeken door de lens van klassenongelijkheid. Is het beter om te streven of in je eigen vak te blijven?
De stemmen buiten zijn al lang verloren gegaan. Met beide handen hangt hij zijn volle kindergewicht aan de ijzeren deur van de koelcel. Er komt geen beweging in. Het enige dat beweegt is het rode cijfer op het display boven de schuifdeur. Van 0 naar -1, alsof de kou een gevecht voert met de warmte buiten. Wat ook beweegt: zijn trillende handen, zijn kaken die hij niet kan laten stoppen met klapperen. Hij maakt zich klein op de grond, trekt zijn capuchon over zijn hoofd en huilt onhoorbaar. Dan schrikt hij van een klap.
‘Verdomme, Walde! Hoe lang zit je hier al?'
Rens pakt een krakende reddingsdeken en loopt met zijn grote vertrouwde passen Walde naar zijn kantoor. Walde voelt de warmte en gerustheid van Rens’ hand op zijn schouder als ze door het magazijn lopen. Zijn wangen gloeien en zijn nat, hij proeft het zout van de tranen die aan zijn gezicht vastgevroren zijn. Buiten het kantoor hoort hij hoe de vakkenvullers een standje krijgen van Rens. Hij voelt zich schuldig, hij wilde verstoppertje spelen. In zijn zak zit een ijsje dat hij meegenomen heeft voor onder de kassa.
Hij had altijd gedroomd van de supermarkt. De kassa, die zijn moeder Suus na meer dan veertig jaar ‘noeste’ arbeid met een ‘welverdiend’ pensioen verliet, was voor hem het ultieme einddoel. Zijn moeder had er tot haar 67e gewerkt. Ze rook zelfs naar supermarkt: haar vingers hadden een metalige, bloedachtige geur van het muntgeld dat langs haar eeltige handen ging. ‘Sinds die zotte vader van je dood viel, heb ik altijd mijn eigen centen moeten verdienen,’ zei ze tijdens één van haar talloze mompelende monologen, die zich ontpopten tot tirades die het huis deden trillen alsof er bliksem in de open haard was geslagen.
Als baby zat Walde achter de kassa op schoot bij zijn moeder en lag daar uren te slapen. Zodra hij het kenmerkende geluid van het scanapparaat hoorde, zakte hij, als een zonnebloem die in de schaduw staat, langzaam in een diepe slaap. Toen Walde een jaar of acht was, wist hij precies hoe hij de kleine rechthoekige pakjes van de verschillende sigarettenmerken uit elkaar kon houden. Zijn moeder kon door haar omvang amper haar kont keren in het kleine kassahokje, waardoor Walde de taak had de sigaretten voor de klanten te pakken. Hij maakte er een sport van om zo snel mogelijk de juiste verpakking te overhandigen. Na een tijdje kon hij de doosjes van Lucky Strike, Marlboro Light, Marlboro Red, Samson (waar hij altijd tevreden aan rook), Camel en Ruba Shag dromen. Op rustige ochtenden lag Walde in een zacht hondenmandje aan de voeten van zijn moeder. In foetushouding speelde hij daar spelletjes op zijn Game Boy Advance of las de Donald Duck pockets die hij altijd uit de winkel pakte. Hij moest voorzichtig met de boekjes omgaan, zodat ze later nog verkocht konden worden. Soms stopte zijn moeder hem een snoepje toe uit het bakje met zuurtjes die eigenlijk voor de kinderen van haar klanten bedoeld waren.
Als hij op de bovenste sport van het huishoudtrapje staat, lijkt de tijd samengebald
Het groene, manshoge apparaat verpulvert alles dat erin wordt gegooid. De ronddraaiende wals met kleine stekels draait altijd dezelfde rondjes en plet kilo’s karton. Walde’s hart klopt in zijn keel als hij er van bovenaf in kijkt. Als hij op de bovenste sport van het huishoudtrapje staat, lijkt de tijd samengebald.
Machines hoeven niet te praten en mogen altijd hetzelfde doen. Jaloersmakend, denkt Walde.
Rens’ handen hangen over de rand.
‘Het is een Bergmann PS8100. We kijken het beest recht in de bek.’
‘Machtig mooi,’ is het enige dat Walde kan uitbrengen. Rens knikt.
Walde bedenkt zich op dat moment dat hij zijn leven lang wil sparen voor zijn eigen Bergmann. Een met een vuurrode stopknop, net als de PS8100.
Onder de kassa had hij een klein opschrijfboekje, waarin Walde af en toe wat noteerde. Het boekje was eigenlijk bestemd om in te tekenen, maar hij was geen kind dat tekende. Hij maakte aan het begin van de week een lijstje van onderwerpen waar zijn moeder haar ergernissen vaak over prijsgaf. Als hij het lijstje volledig had afgestreept met de pen die aan een touwtje onder de kassa bungelde, mocht hij van zichzelf een snoepje pakken. Gemiddeld telde hij ruim twintig ergernissen per week. Toen Walde wat beter kon schrijven, maakte hij schema’s. Daarin stonden alle mensen die bij de kassa kwamen. Hij noteerde hun namen, gebreken, opmerkingen, hun relatie tot anderen en wat ze precies over wie zeiden. Hij wist dat Jeanne een kind had met Vera, een geadopteerd kind. Walde vroeg zich af of hij zelf geadopteerd was, omdat hij niet twee moeders, maar een moeder en geen vader had. ‘Je vader is dood,’ zei Suus altijd als hij erover begon. Later bleek ze dat in figuurlijke zin te bedoelen: dood voor haar, dus dood voor hem. Dat had ze voor hem besloten.
Later begreep hij pas de omvang van alles wat hij had opgeschreven onder de kassa. Alsof hij zijn leven lang op heuphoogte in koud, ondiep water stond en met een kleine stap vooruit ineens kopje onder ging. De ruzies, mislukte huwelijken, roddels: als kind schreef hij het gewoon op, als een griffier, zonder dat hij zich een voorstelling kon maken van wat er stond. Het maakte Walde ook geen snars uit. Hij begreep al jong dat mensen die overlopen van verwachtingen en ambities uiteindelijk het meest ongelukkig worden. Zo liep zijn moeder altijd door het huis, eindeloos herhalend dat ze hoopte dat Walde niet dezelfde fouten zou maken als zij. Hij begreep het niet, achter de kassa maakte ze nooit fouten. Hij dacht dat zijn moeder misschien doelde op de mensen die hun bonnetje controleerden bij de kassa, omdat ze aannamen dat zijn moeder iets fout had gedaan (wat nooit het geval was). Later pas begreep hij dat ze doelde op de fout om te geloven in het bestaan van een carrièreladder waar ze op omhoog kon klimmen.
Zijn moeder wist al langer wat Walde later pas snapte: wij moeten niets proberen, wij zijn de toeschouwers
Walde werkt inmiddels bij een grote bioscoopketen, daar mag hij kaartjes scannen en met korting films kijken. Ooit had hij nog de droom opgevat om regisseur te worden. Tot die ambities zowel door zijn moeder, als door zijn leraren op het VMBO, keihard de grond in werden gestampt. Als een product in de supermarkt moest hij in zijn vak blijven: huismerk hoort bij huismerk en A-merk hoort bij A-merk, huismerk hoort laag bij de grond, A-merk hoort hoger, hoort duurder. Als Walde ergens complimenten over kreeg, dan was het vooral omdat hij zijn smoel zo goed dicht kon houden.
Kaartjes scannen, dichtbij huis in Taarne naast de snelweg, bij een grote, warme bioscoop waar hij vroeger ook altijd kwam: het was heerlijk. De risico’s die bij hoog mikken horen, zijn voor iemand uit zijn omgeving veel groter. De sprong in het diepe is voor de dromerige student, die al jong leert dat de wereld aan zijn voeten ligt, slechts een bungeejump. Zij kunnen die sprong wagen, omdat ze weten dat ze, na het gewichtloze gevoel van die vrije val, net nadat ze een milliseconde twijfelen of hun harnas wel echt vastzit, worden teruggetrokken door het elastiek en veilig zijn. Walde staat boven op diezelfde brug, maar een sprong kan hem fataal worden. Hij zit niet vast aan een elastiek dat hem terugtrekt. Zijn moeder wist al langer wat Walde later pas snapte: wij moeten niets proberen, wij zijn de toeschouwers, wij kijken toe hoe anderen eindeloos hun geluk mogen beproeven.
Zijn moeder werd snel na haar pensioen ziek. Waar veel anderen in het dorp op steun van hun ouders konden rekenen, moest hij op zijn 18e voor haar zorgen. Ze hoefde niet veel, ze hield enorm van sinaasappels, als ze maar niet van die blauwe rotsupermarkt kwamen waar ze zo lang gewerkt had. Hij kijkt soms verongelijkt naar die winkel als hij er voorbij komt. Terwijl hij er was opgegroeid: hij kende elk vak, het magazijn en wil altijd nog eens naar de kartonpers gaan kijken – maar hij mag niet meer ‘naar achter’. Vaak zit er nog maar één eenzame caissière in de winkel, die amper klanten heeft. Verder ziet hij alleen zelfscanbalies, die hij vanzelfsprekend – en in navolging van zijn moeder – met passie haat. Zijn moeder had gelijk: zorg dat je niemand wat verschuldigd bent, mannen zijn viespeuken, vooral degene die zeggen het niet te zijn, en hou je verwachtingen zo laag mogelijk. Eerst dacht hij dat Suus een zeur was, maar toen kwam de ene droom die hij ooit had gehad niet uit. Hij kon niet meer achter de kassa werken, omdat de kassamedewerker zo goed als uitgestorven was. Regisseur willen worden was een soort bevlieging, een slecht idee dat je krijgt in een sentimentele dronk, een dronk waarin je denkt dat de wereld opeens aan je voeten ligt, terwijl hij eigenlijk al wist: de wereld ligt aan de voeten van die anderen.
Uiteindelijk zitten ook de meest ambitieuze mensen in een huis van steen
‘Walde, wat wil je later eigenlijk gaan doen?’
Een vraag die hij vaker krijgt, maar nooit heeft begrepen en langzaamaan irritant begint te vinden. Hij houdt van de rust in de bioscoop waar hij toegangskaartjes checkt.
‘Dit,’ zegt Walde en knikt naar zijn handscanner.
‘Als in: voor altijd?’
Hij blijft stil.
‘Ja.’
Zijn collega’s, het zijn studenten die veelal een creatieve opleiding met een lange, onnavolgbare naam doen, waarvan ze zelf waarschijnlijk ook niet precies weten wat ze ermee kunnen. Ze lijken vrijdenkers en noemen zichzelf (vaak tijdelijk) antikapitalist of anarchist, maar hij weet dat iedereen in essentie een mislukking is. Walde moet voorzichtig zijn, zich nergens over uitspreken, alleen in het diepste geheim ergens naar verlangen en zodra dat verlangen te groot wordt, het als een navelstreng afknippen. Voor zijn collega’s is de bioscoop een tussenstation, maar voor hem niet. Hij vind rust in de luwte, waar het doodstil is, zoals in het oog van een orkaan. Hij heeft het idee dat veel mensen hun saaie en middelmatige persoonlijkheid proberen te verstoppen achter grote dromen. Iedereen fabriceert een indrukwekkend web van doelen om uiteindelijk met veel omwegen te eindigen waar Walde al zijn hele leven staat: de plek waar hij hoort. Die gedachte brengt hem rust. Hij ziet het als de erfenis van zijn moeder, die hem altijd had behoed voor de fouten die zij blijven maken. Uiteindelijk zitten ook de meest ambitieuze mensen in een huis van steen. In een bruin woonblok dat in de kartonpers lijkt gegooid, waarvan één blokje van hen is. In aangeharkte straten waar buren ruzie maken, een supermarkt op fietsafstand is en ze allemaal een tuin of balkon met bloempotten hebben. Als muizen slepen ze van alles in die holletjes, ambities worden verruild voor spullen of hobby’s. Ze krijgen een relatie en worden door hun partner naar hun parkeerplek gewezen. Hun dromen worden kleiner, ze verplaatsen zich niet meer, voldoen niet aan elkaars verwachtingen, nemen een kind (of twee) om de ongelukkige leegte weg te poetsen en zadelen dat nieuwe leven dan op met nieuwe, torenhoge verwachtingen. Ze worden zelf buren die ruzie maken en gaan uit elkaar om vervolgens naarstig op zoek te gaan naar iemand anders. Dit zijn de ongelukkigen die bij zijn moeder stonden te huilen aan haar kassa. Walde was doelgerichter dan zijn leeftijdsgenoten, wist precies welke kant hij op wilde en deed wat hij moest doen. Hij had geen zin in kinderen of ingewikkelde liefdesperikelen. Hij hield van controle, hij wist zelfs precies hoeveel hij moest drinken om de controle een klein beetje kwijt te raken. Dan had hij alsnog de controle, want hij oefende controle uit over zijn controleverlies. Zou hij blind worden wist hij precies waar hij heen moest.
Op de fiets vanuit zijn werk is het waterkoud en mistig. Af en toe sluit hij zijn ogen op het lange, lege fietspad terug naar het dorp. In zijn oren deint de muziek die speelde tijdens de aftiteling van de laatste film van vannacht.
Hij legt zijn sleutelbos in het laatje, zijn schoenen gooit hij uit voor de trap.
Na een avond in de bioscoop voelt hij zich altijd lichter, terwijl hij gewoonlijk iets onzichtbaars lijkt mee te sjouwen. Dat was hoe zijn moeder het omschreef.
Op YouTube zoekt hij naar supermarktgeluiden om makkelijker in te kunnen slapen. Hij zet de video aan waarin twee uur lang dof geklets en een constant herhalende bliep van het scanapparaat klinken. Het is het geluid dat hem geruststelt als de hartslag van zijn moeder wanneer hij op haar borstkas mocht liggen.
Die anderen kennen het niet. De rust die Walde nu voelt. Zoals zijn moeder die veertig jaar achter Kassa 3 voelde. Ze wist altijd precies welk muntgeld in welk bakje zat. Alles van dezelfde waarde bij elkaar in overzichtelijke vakjes, zoals het hoort.
Jelt Roos (1996) is schrijver van proza, mediastrateeg en activist met een achtergrond in de journalistiek. Hij werkte zes jaar lang voor BNNVARA, nadat hij daar de Talent Academy heeft afgerond en was onder andere cultuurredacteur bij De Wereld Draait Door en nieuwsjournalist bij NPO Radio 1. Hij was tevens interviewer en bedenker van de BNNVARA-podcast Wolkenkrabbers waar hij zijn liefde voor hiphop en taal bij elkaar bracht.
Anne Kapteijns is een tekenaar die dol is op kleurpotlood en pen. Gewapend met een potlood en een schetsboek tekent ze de wereld om haar heen. Ze is altijd gefascineerd door mensen en vormen. Momenteel zit ze in haar derde jaar op ArtEZ Zwolle, waar ze illustratie studeert.


















