Elin ligt roerloos op de ligstoel van een sanatorium, hoog in de bergen. Stil en uitgespreid op het terras wordt ze geconfronteerd met een doordringende geur, die ze niet kan identificeren. In dit surreële, filosofische verhaal zoekt Stefanie Gordin naar de betekenis en de verstikkende werking van rust.
De deken rook naar lavendel en oud katoen, maar daaronder hing iets anders. Iets zuurs, iets wat deed denken aan oude melk of roestig metaal. Elin wist niet of het haar lichaam was dat die geur droeg, of alleen de herinnering eraan. Soms leek het alsof haar huid iets afgaf wat niet langer van haar was. Een residu. Ze had geprobeerd het weg te wassen, onder brandende douches. Toch bleef de geur vaag aanwezig, vooral ’s nachts.
Nu lag ze op een ligstoel op het terras van het sanatorium, hoog in de bergen. De lucht was helder en koel, de ochtendzon viel zacht, haast voorzichtig, op haar gezicht. Haar benen lagen stil. Niet omdat ze moe was, maar omdat beweging hier een afwijking was. Een verpleegkundige liep ieder uur langs, zonder iets te zeggen, maar haar strakke blik streek over de lichamen die te veel bewogen. Elke verschuiving zou een rimpeling veroorzaken in de serene zielenrust van het sanatorium, die koste wat kost glad moest blijven. Elins lichaam, eenmaal verplaatst, zou iets loslaten wat ze nog bij zich wilde houden, of wat men hier liever niet zag. Haar kuit begon te tintelen. Een kramp kondigde zich aan, maar ze verplaatste haar been niet.
Een van de artsen vroeg haar bij aankomst of ze het gevoel had zichzelf kwijt te raken, een vraag die haar vrienden nooit stelden. Elin haalde haar schouders op. Ze wist alleen dat ze soms vergat hoe haar stem klonk, en juist te scherp wist hoe ze rook. Ze dacht aan haar vader die ze al enkele jaren niet meer had gezien, niet door ruzie, maar omdat stilte zich ongemerkt tussen mensen nestelt. Dat hij plots vanuit het sanatorium contact met haar zocht, met de vraag om langs te komen, was voor haar voldoende om af te reizen naar de bergen.
Het sanatorium was gebouwd voor rust, aldus het bord dat boven de ingangspoort prijkte
Het waren dit soort gedachten die haar aandacht langzaam weer naar buiten trokken, naar de andere lichamen om haar heen. Links van haar lag Galina, een vrouw van eind vijftig met felrode lippen en een blik die alles leek te beoordelen, maar zelden goedkeurde. Ze had ooit als pianiste gewerkt in Leningrad en zei dat ‘stress’ een modewoord was voor mensen die geen discipline hadden. Haar handen lagen altijd strak gevouwen op haar buik, op de een of andere manier was ze bang dat ze anders iets zouden verraden.
Rechts van Elin lag Mitya, een jonge man met een lichaam dat leek te slapen en een hoofd dat nooit zweeg. Hij sprak in flarden poëzie, half herinnerd, half verzonnen, en vertelde iedereen dat hij hier was vanwege ‘existentiële hyperventilatie’. Soms begon hij ’s nachts in zijn kamer zacht te lachen, onafgebroken, tot een verpleegkundige hem tot stilte maande.
Verderop zat Tatjana, een voormalige klimaatactiviste die haar stem had verloren tijdens een protest in Sint-Petersburg. Niemand wist precies hoe. Sommige verpleegkundigen zeiden door een schreeuw die te lang duurde, anderen door iets dat ze had ingeademd. Nu sprak ze via notitieboekjes en had een hond genaamd Trotski, van wie ze beweerde dat hij de geur van verdriet kon onderscheiden van die van angst. Eerder deze ochtend schreef ze: ‘Mijn rug brandt van de dingen die ik allang niet meer draag.’
Het sanatorium was gebouwd voor rust, aldus het bord dat boven de ingangspoort prijkte. Rust voor het zenuwstelsel, rust voor de longen, rust voor het hart. Ook werd telefoongebruik ontmoedigd. ‘Geluid reist ver,’ vertelden de artsen, ‘het trekt draden naar buiten, naar plaatsen waar nog iets gebeurde. Hier mag niets gebeuren. Hier moet men onthecht raken.’ Zelfs wanneer Elin wel mocht bellen, zelfs als de verbinding goed was en de telefoon warm in haar hand lag, wist ze niet wat ze moest zeggen. Dat ze soms vergat hoe haar stem klonk? Dat ze bang was dat ze iets in zich droeg wat niet meer te reinigen viel?
Diezelfde ochtend kreeg Elin een bericht van Maurice: ‘Volgens mij moet je echt in therapie.’ Ze las het en schakelde het scherm weer uit. Niet omdat ze boos was, maar omdat haar woorden te zwaar klonken. Alsof ze elk antwoord uit een peilloze diepte omhoog moest tillen. Maurice wist niet dat ze hier was. Niet in een ziekenhuis of een kliniek, maar in een sanatorium. Het woord voelde als een stolp, waar de geur van buiten niet doorheen kon dringen.
Toen Elin aankwam in de inkomhal van het sanatorium, stond haar vader daar opeens. ‘Blijf een week. Gewoon, omdat het zo hoort,’ zei hij, zoals dat in hun familie ging. Dagenlang lagen ze samen op de ligstoelen, zonder iets te zeggen. Daarna verdween hij, tot hij niet meer te onderscheiden was van de gangen.
Elin had het woord ‘rust’ nooit gewantrouwd tot het begon te betekenen dat haar aanwezigheid overbodig was, dat ze kleiner moest worden, minder zichtbaar. Ze dacht aan haar grootmoeder, die ook regelmatig in sanatoria verbleef. Aan de Finse Golf, niet ver van Sint-Petersburg. ‘Voor haar longen’, zeiden de artsen. Soms voor haar hart. Elin vermoedde als kind al dat het iets anders was. Dat haar grootmoeder vooral even onzichtbaar wilde zijn. Vooral voor haar man, Elins grootvader, die al vijftig jaar naast haar ademde en haar lucht leek op te maken.
Hun lichamen vormden een rij als onderdeel van het uitzicht
Na de eerste dagen in het sanatorium begon Elin de geur sterker te ruiken. Lavendel en katoen, nu ook ammoniak en iets licht verbrand. Alsof er een poging was gedaan om iets schoon te maken dat zich niet liet reinigen. Ze vroeg het aan een van de verpleegkundigen, die glimlachte zonder haar mond echt te openen.
‘Verbeelding,’ zei Galina die naast haar lag. ‘Het is het hout. Of je kindertijd.’
Die avond, op weg naar haar kamer, bleef Elin in een zijgangetje staan die ze nog niet eerder had ontdekt. De verlichting was zwak, de lucht warm. Elin voelde zich de hele dag al ongemerkt gespannen. Haar lichaam wist iets wat ze nog niet begreep. Pas in het gangetje merkte ze dat haar borst pijn deed van het ingehouden zuchten. Ze rook een sterke geur, alsof er iets achter de muren vastzat en niet weg kon. Ze liep een paar stappen verder, tot ze een vlekkerig geverfde deur zag. Ze legde haar hand op de klink, maar uit angst trok ze de deur niet open.
De volgende dag was de geur er weer. Nog sterker. Nog hardnekkiger. Op het terras lagen Galina, Mitya en Tatjana roerloos in hun stoelen, neergelegd en vergeten. Hun lichamen vormden een rij als onderdeel van het uitzicht. Hun rust betekende dat je niet langer iemand was, maar slechts een vorm. Elin voelde iets in haar borst dat ze herkende van vroeger: het moment vlak voor je iets niet meer kunt negeren. Die avond opende ze de deur.
De warmte sloeg haar tegemoet. Het was er luid, rommelig, vol leven. De muren waren vaalgeel, het licht laag en flikkerend. Er stond een lange tafel met glazen, borden en etensresten. Mensen die ze van het terras herkende zaten rechtop, bewegend, pratend. Galina lachte met open mond, haar lippen flets zonder lippenstift. Mitya stond op een stoel en gebaarde wild, terwijl hij iets reciteerde dat niemand probeerde te stoppen. Tatjana sprak. Hardop. Haar stem was schor, maar aanwezig.
Het was een complete chaos aan geuren en geluiden. Iedereen rook naar zweet, sigaretten, kruiden. Naar lichamen die niet langer werden ingehouden. Naar verbroken stiltes. In de hoek zag ze haar vader zitten. Zijn kostuum hing los om hem heen en rook naar sigaretten en schimmel. Het droeg sporen van nachten waarin hij er niet uit was gekomen. Hij keek naar Elin met een blik die ze van vroeger herkende: onderzoekend, voorzichtig, afwegend hoeveel waarheid hij zich kon veroorloven. Een verloren vaderfiguur. ‘Je hebt het gevonden,’ zei hij.
Ze bewoog zich tussen flarden uit haar jeugd, stemmen die ooit bij haar hoorden
Ze begreep ineens dat dit geen verboden ruimte was. Geen geheim. Dit was een toevluchtsoord voor wat niet mocht blijven. Voor stemmen, bewegingen, emoties die boven het toegestane volume uitstegen. Overdag werd alles stilgelegd, uitgespreid in ligstoelen, gewassen in lavendel. Hier werd het verzameld, opgewarmd, beheerd.
‘Niet iedereen ruikt het,’ zei haar vader. ‘De meesten zijn opgelucht dat ze het niet waarnemen.’
Ze wilde vragen waarom hij haar had gevraagd hierheen te komen. En waarom hij was gebleven. Maar de woorden bleven steken en konden geen nieuwe vorm meer aannemen. Wat hier tot leven kwam, begreep ze, waren niet alleen mensen, maar ook achtergebleven momenten. Uren die ooit te vol waren geweest om te bewaren. Dagen waarop lichamen harder hadden bewogen, stemmen niet werden ingeslikt, de wereld nog niet was teruggebracht tot stilte.
De geur hield die momenten vast. Zoals alleen geur dat kon: zonder volgorde, zonder begin, zonder einde. Jeugd die onverwacht naast ouderdom ging zitten. Herinneringen die niet terug wilden naar waar ze vandaan kwamen. Elin bleef er urenlang. De nacht trok voorbij zonder dat ze hem opmerkte. Ze bewoog zich tussen flarden uit haar jeugd, stemmen die ooit bij haar hoorden, momenten die te groot waren om vast te houden en hier alsnog een lichaam vonden. Tijd balde zich samen tot één ademhaling en weigerde uiteen te vallen.
Toen ze de volgende dag weer op het terras lag, was de scherpe geur uit haar deken verdwenen. De lavendel was dun, bijna afwezig. Daaronder hing iets aards. De woordloze stilte leek nu te weten wat ze verborg. Galina, Mitya en Tatjana lagen weer in hun stoelen. Hun lichamen keurig gerangschikt. Hun lippen gesloten en hun ogen leeg, maar rustig. Tatjana’s notitieboekje lag onaangeroerd op haar schoot. Trotski lag stil aan haar voeten. Niemand sprak.
Stefanie Gordin (zij/haar) is een filosoof (in wording), een zelfzekere cinefiel die duizend-en-één-films wil kijken, én een vrolijk mens.
Moos Boeke (2003) is tekenaar en schrijver. In 2025 studeerde hij af aan ArtEZ Zwolle en won in datzelfde jaar de Small Press Award en de Fiep Westendorp stimuleringsprijs. Nu woont hij in Gent en werkt hij met twee vrienden aan een nieuw boek over de Ilias: een moderne hervertelling, vol humor en poëzie en ranzige liefde.


















