‘Papa haatte ik omdat hij meer tijd met mama had gekregen dan ik. Mama haatte ik omdat ze me in de steek had gelaten én zwart had gemaakt.’ In dit verhaal van Sophia Blyden komt de hoofdpersoon na een lange tijd zonder contact voor het eerst haar vader weer tegen. Ze besluiten om op een vader-dochterweekend te gaan, op zoek naar verzoening, herinneringen, wie ze geworden zijn zonder elkaar, en de juiste bereidingswijze van baka bana.
We openen de gordijnen en kijken samen naar de ijskoude buitenwereld. Ik zet koffie, hij zit op de bank. Hij opent de whiskyfles, ik drink ervan. Het sneeuwt al dagen onophoudelijk. Het bos ingepakt onder een dikke laag dons alsof de wolken neerdaalden, al hun vrienden uitnodigden en dachten: hier liggen we goed. Het leek een prima idee: een vader-dochterweekend, maar little did we know dat het zo zou gaan stormen. Nu wachten we op het verlossende weerbericht dat maar niet lijkt te komen.
Vijftien jaar geleden werden we voor het laatst wakker onder hetzelfde dak. Ik woonde nog thuis, een totaal onuitstaanbare 19-jarige, en na meerdere mislukte reddingspogingen leek hij zijn handen van mij af te trekken. We deelden geen maaltijden aan de keukentafel meer en we bonsden niet meer op de badkamerdeur, zo van: ik wil douchen. Ik zorgde ervoor dat onze ritmes elkaar nauwelijks raakten. Het enige moment dat onze paden kruisten was wanneer ik na het uitgaan naar huis strompelde – zes uur ‘s ochtends, uitgelopen mascara, een brandende sigaret in mijn mondhoek – en hij met zijn tweedehands aktetas naar werk toe ging. Dan keek hij me aan op straat en hoefde hij niets te zeggen. In zijn blik las ik de afschuw: is dít mijn dochter?
Toen mama dood ging was ik negen. Papa bracht het nieuws niet zelf, dat kwam zijn bestie James doen. Ik vroeg aan James wie nu dan baka bana zou klaarmaken en mijn haar zou vlechten, we hadden nota bene net nieuwe kralen gekocht. Hij zette me aan de keukentafel, haalde hardhandig het elastiekje uit mijn hoge knot, begon mijn haar nat te sproeien met de plantenspuit en aan mijn haren te trekken. Omdat hij niets zei, durfde ook ik geen geluid te maken. Ik huilde zo zacht als ik kon en kneep in de velletjes van mijn arm om de pijn te verplaatsen, totdat hij mij op mijn schouder tikte, zo van: klaar. In de badkamer keek ik in de spiegel en veegde mijn snottebellen af aan de mouw van mijn trui. Ik miste mama, en toch: James kon beter vlechten.
Toen ik voor het eerst verliefd werd, was ik elf. Hij heette Vincent, kon snel rennen en kuste me in de pauze in de bosjes. Ik vroeg waarom hier en hij zei: met jou wil ik niet gezien worden. Ik vroeg of hij onder de tafels dan wél mijn hand vast wilde houden als ik hem in ruil daarvoor nu ‘mijn spekkie’ zou laten zien. Hij keek wel toen ik mijn broek naar beneden trok, natuurlijk, maar het was de laatste keer dat er minder dan twee meter afstand tussen ons in stond.
Op school werd ik zo vaak in elkaar gemept vanwege mijn zwarte huid dat ik elke verjaardag, Sinterklaas en Kerstmis hoopte op een Michael Jackson-achtig huidwonder. Ik werd niet boos op het meisje dat me voor de zoveelste keer de rozenstruik in duwde of op de jongen die zijn neus dichtkneep wanneer ik het klaslokaal in kwam en riep dat ik in de poep was geboren, nee, mijn woede uitte zich elders. Papa haatte ik omdat hij meer tijd met mama had gekregen dan ik. Mama haatte ik omdat ze me in de steek had gelaten én zwart had gemaakt.
Ik was, in alle eerlijkheid, bijna vergeten dat ik naast dj ook nog iemands dochter was
En kijk, mama was dood. Haar familie leek niet echt geïnteresseerd te zijn om langs te komen op mijn verjaardagen of hun gezicht te laten zien bij de schoolmusical. De laatste keer dat ik hen zag was bij de begrafenis en ze na de plakken cake zwaaiden zo van: toedeledokie. De familie van mijn vader woonde ergens in het noorden van het land en was nooit enthousiast geweest over de relatie van mijn ouders. James had genoeg eigen rotzooi aan z’n kop, dus papa en ik waren nogal op elkaar aangewezen. Uit zijn buurt blijven was voor mij de makkelijkste manier om de woede behapbaar te maken en voor hem, vermoedelijk, het verdriet.
Nu zitten we dus in een hut in het bos. Op de radio horen we dagelijks dat we binnen moeten blijven. ‘There is something in the snowflakes,’ zeggen ze, maar papa en ik geloven het maar half. Voor een poging tot bonding heb ik een grote witte plastic tas vol bakbananen meegenomen. Herinneringen kunnen worden aangewakkerd via smaak, toch Proust? Het leek me een mooie manier om over mama te beginnen. Elke avond maken we dus baka bana. Of eigenlijk: elke dag haal ik een pan uit het keukenkastje en snijd ik de bananen in stukjes. Zodra de piep van de inductieplaat klinkt, komt papa tevoorschijn. Dan kijkt hij even toe hoe ik snijd, tot hij, zonder iets te zeggen, de pan van me overneemt en gebaart dat ik uit de keuken moet verdwijnen. Hij weet ze precies te maken zoals vroeger.
Op mijn achtentwintigste kwam ik papa toevallig tegen op straat. We hadden elkaar toen al negen jaar niet gezien en behalve de jaarlijkse ‘fijne verjaardag’-berichten ook niet gesproken. Ik was, in alle eerlijkheid, bijna vergeten dat ik naast dj ook nog iemands dochter was. Zijn haar was helemaal grijs geworden, maar zijn gezicht amper veranderd. Ik probeerde te bedenken of ik er in zijn ogen anders uit zou zien. Hij keek me niet aan met een blik vol teleurstelling, maar eerder vrij warm en open. Zo warm zelfs, dat ik twijfelde of ik zijn blik al die jaren verkeerd gelezen had. Naast hem trippelde een hondje. Zo’n kleine met lange krullen die zijn oogjes bedekten. ‘Pap, hé,’ wist ik uit te brengen.
We besloten spontaan wat te drinken bij een kroeg op de hoek. Het was vier uur ‘s middags en ik bestelde een groot glas rode wijn, hij een espresso. We hebben daar vrij zwijgzaam gezeten. Het hondje heette Uiltje en toen ik vroeg waarom juist die naam, zei hij dat het iets met de mijne te maken had.
‘Mag ik?’ vroeg ik. Papa knikte en ik trok Uiltje op schoot en aaide over haar kop. Ze liet het toe alsof we elkaar al jaren kenden. Ze keek met waterige oogjes op naar mijn vader, zo van: dus dit is haar dan? Ik trok haar dicht tegen me aan tot ik niet meer wist of het Uiltje of de wijn was die mijn binnenste verwarmde. ‘Ze mag je graag,’ zei papa. ‘Hmm,’ zei ik. ‘Leuke naam, Uiltje.’ En toen zwegen we weer.
Sinds de spontane ontmoeting zochten we elkaar weer op. Dan kwam ik langs rond etenstijd of wandelden we een stukje door het park met Uiltje. Vaak vroeg hij of ik nog iets geleerd had die week, alsof ik in zijn ogen nog negen was en net terugkwam van school. Ik vertelde hem dan over de vrienden die ik de afgelopen jaren had gemaakt en de plekken waar ik mijn muziek draaide. Hij vertelde dat zijn favoriete honkbalclub kampioen was geworden en in dezelfde zin dat James drie jaar geleden overleden was. Er was weinig ruimte om erop te reageren. Hij kletste alweer door over de gekke buien van Uiltje, maar als hij wel een pauze had laten vallen, zou ik ook niet weten wat ik er mee aan had gemoeten. Op een random dinsdag vroeg hij vlak voordat we afscheid namen na een wandeling of ik een keer een weekend vrij kon nemen. ‘Dan gaan we naar het bos,’ zei hij, ‘dat had je moeder ook altijd zo’n fijne plek gevonden.’
Ik weet niet zeker of het een echte herinnering is of dat ik ‘m ter plekke verzin
Ik stemde niet gelijk in. Heel eerlijk: ik twijfelde enorm. Ergens was het fijn om een zekere afstand tot mama te bewaren. Ik was volwassen geworden zonder haar. Ik had het prima gered. Ik wilde me richten op de toekomst, waar zij geen onderdeel van uit zou maken en ik had al lang geleden besloten dat ik haar niet nodig had. Ik had genoeg vrienden om me heen verzameld die me geleerd hadden zelf mijn haar te vlechten. Ze hadden me geïntroduceerd in de boeken van Toni Morrison, Zora Neale Hurston en Chimamanda Ngozi Adichie. Ik droeg ‘zwarte vrouw’ inmiddels met trots. Dat stukje van mijn identiteit was zo verweven geraakt met mijn sense of self, met de momenten waarop ik me sterk voelde, met wat het me had geleerd over De Wereld. Mijn vriendschappen hadden me geheeld, daar had ik mijn moeder niet meer voor nodig.
Het stukje dat bleef knagen ging over de delen van mezelf die ik niet kon begrijpen zonder haar te kennen. Die gingen niet over theoretische kaders of geschiedenislessen. Dat stukje had niets met politiek te maken. Ik wilde begrijpen waarom ik zo van lavendel hield, Ierse volksliederen me lieten huilen en de dj-booth me altijd heeft gelokt. Dus: we prikten een datum. En we gingen.
Nu is het dag dertien van onze winterse gevangenis. Rond etenstijd ga ik de keuken in om aan de bananen te beginnen. Ik druk de inductieplaat aan en wacht tot ik papa uit de sofa hoor komen. Deze keer blijft hij staan in de deuropening van de keuken. Ik heb de bananen in plakjes schuin afgesneden en op een bordje klaargelegd. Dan zegt hij opeens:
‘Verhit de olie en boter samen in de koekenpan.’
Ik doe het.
‘Wacht tot de olie heet is en laat de schijfjes dan stuk voor stuk in het water glijden.’
‘Voorzichtig! Laat de olie niet spatten.’
Ik volg zijn instructies.
‘Blijf erbij. Loop niet weg. Baka bana verdient aandacht.’
Ik houd mijn blik gericht op de pruttelende schijfjes.
‘Bak ze tot de onderkant goudbruin is.
Draai ze dan om en doe hetzelfde met de andere kant.’
Ik concentreer me op de kleur.
‘Dan mag je ze eruit halen.
Laat ze uitlekken op twee velletjes keukenpapier.’
Weer doe ik wat hij zegt.
‘En nu dansen we.’
Ik kijk hem vragend aan.
Hij opent de palm van zijn hand en ik vouw de mijne erin. Lachend begint hij met zijn heupen te swingen alsof er een vrolijk muziekje aanstaat. Ik doe mee. We zwaaien door de keuken, om elkaar heen, af en toe leg ik mijn hoofd even op zijn schouder te rusten. Dan gooit hij onze handen weer de lucht in en maakt ba-dum-dum-geluiden om ons ritme te geven. Uiltje komt de keuken in gerend en huppelt opgewonden tussen onze benen door.
‘Zó maak je baka bana!’ zegt papa. En ik weet dat dit precies is hoe het al die jaren geleden ging. Zo leerde mama hem dit gerecht klaarmaken, lang voordat ik er was. Ik proef de sfeer van toen in de lucht. Er moet zoveel vreugde zijn geweest. Ik probeer het terug te halen. Ik zie voor me hoe ik als peuter op het aanrecht gezet werd, terwijl de keukenradio de kamer vulde met Caribische muziek. Ik weet niet zeker of het een echte herinnering is of dat ik ‘m ter plekke verzin. Misschien doet het er niet toe. Ik zwaai met mijn krullen in de rondte zoals zij dat ook gedaan zou hebben. Papa lacht. Hij lacht écht.
‘Pap?’ zeg ik.
‘Ja?’ zegt hij dansend.
‘Ze danst niet meer.’ Ik kijk naar mijn voeten op de keukentegels.
Zijn bewegingen worden kleiner. Ook Uiltje is rustig gaan zitten en kijkt afwachtend naar ons op. Papa leunt tegen het aanrecht aan en zucht diep, zo van: meisje toch.
‘Ze danst al heel lang niet meer,’ zeg ik dan.
Hij stapt naar me toe. Hij pakt met zijn rechterhand mijn linkerhand beet en slaat mijn andere arm over zijn schouder. Mijn hoofd leunt tegen zijn borstkas aan. Daar staan we dan, alsof we een vader-dochterdans doen op een bruiloft, maar het voelt meer als een begrafenis. Papa begint te neuriën. Een liedje dat ik vaag herken van lang geleden.
‘Ze is hier,’ zegt hij dan.
‘Ze danst met ons mee.’
En ik geloof hem.
Sophia Blyden is schrijver, dichter en literair programmamaker. In haar proza en poëzie onderzoekt ze thema’s als eenzaamheid, machtsverhoudingen en de grens tussen feit en fictie. Haar debuutbundel Dobberen verscheen in september 2024 bij Uitgeverij Querido.
Yoko Heiligers (1983) maakt illustraties in een heldere beeldtaal en met sprekende kleuren. Haar prentenboeken, waarin ze dieren graag de hoofdrol geeft, zijn meermaals vertaald en bekroond. Mensendieren werd bekroond met een Zilveren Penseel 2024.


















