Op de binnenplaats van een muf hostel verlangt een man naar erkenning bij zijn vrouwelijke kamergenoot. In Laat dat, zei ik legt Robin van Ommen onze verwachtingen over wederkerigheid in sociale interacties bloot. Met een surreële twist.
De weggedraaide lege stoel van de receptie stond achter het bureau vol papieren en mappen. Alsof ze haastig was weggegaan. Een computerbeeldscherm, zo’n CRT-geval, stond aan de linkerzijde naast een lel van een printer. Ik had niet gereserveerd. Misschien was er geen plaats, maar ik wilde het, een plaats. Toen ik op het koperen belletje drukte, hoorde ik in een andere ruimte gestommel. Ze kwam aanlopen, gaapte, en keek me vuil aan. Iemand die iets van haar moest.
Ze was midden twintig. Ze droeg een losse joggingbroek en grijze sweater. Haar lichtbruine haar zat achteloos opgestoken met elastiek, twee losse lokken over haar rechteroor. Ondanks haar wallen, misschien had ze al liggen slapen, slikte ik wat speeksel weg, drukte mijn tong tegen mijn gehemelte. Ze liep met forse, brede passen. Ging met gespreide benen op de kruk zitten, leunde geërgerd voorover.
Waarom had ik niet gereserveerd? Ik zei dat ik geen creditcard had. Dat ik daardoor bij vier hostels was afgewimpeld. Ze keek van mij, naar mijn rolkoffer, weer naar mij. Zonder verder iets te zeggen rommelde ze door een stapel papieren. Hier tekenen. Vijfentwintig euro.
Ik betaalde. De vrouw telde de briefjes, streek ze glad en drukte ze door een zwarte machine naast de computer. Die piepte. Ze draaide zich om naar de kast, maar wierp een korte blik naar achteren, vanuit haar ooghoeken, en pakte een hanger van een haak. ‘Slaapzaal vier,’ zei ze in gebroken Engels. ‘Lichten uit na elf uur. Ook op de binnenplaats. Uitchecken voor negenen. Geen ontbijt.’
Met een hand op de deur van de slaapzaal stak ze een vinger op. Legde die op haar lippen. Stilte, ja? Wees naar het op het hout geschilderde cijfer. Drukte toen de hendel naar beneden. Het was er schemerig, koel. Rook er muf, naar matrassen vol oud zweet. Licht viel door de hoge ramen met dunne gordijnen. Streng, of misschien ongeduldig, wees ze me het achterste bed aan. Hier hoor jij. Trok haar wenkbrauwen op. Alles begrepen? Ze wierp een blik op haar telefoon, duwde een lok terug achter haar oor.
Er waren maar twee kamergenoten. Aan de ene kant van de slaapzaal: een vrouw die het laken tot haar kin had opgetrokken, met een pastelkleurige jurk aan een spijl opgehangen. Ik kon haar gezicht niet zien. En achterin, op de bovenste verdieping van een stapelbed, een kale man met een hoofdlampje en e-reader, rechtop zittend, een kussen tussen zijn rug en de muur. Hij knikte vriendelijk. Gewoon iemand op doortocht, iemand die een bed nodig had. Iemand als ik.
Mijn rug was stram. Zo’n anderhalf, twee uur, zo lang had ik door de stad gedwaald. Langs winkelruiten, coniferen, naar pis ruikende straathoeken, drukkend op de intercoms met krakende stemmen. Mijn rugtas die steeds zwaarder werd en in mijn schouders sneed. Maar waar ik ook kwam, kreeg ik hetzelfde te horen. Volgeboekt. Geen reservering. Toen stuitte ik hierop. De verzamelwebsite had deze louche bedoeling een schamel zesje gegeven. Ik snapte het. Dat kille, het zweet, het venijn, geen ontbijt. Toch vijfentwintig euro.
Ik deed mijn best om zo min mogelijk lawaai te maken, maar het bed kraakte. Schuldbewust keek ik op. De man knipte zijn hoofdlamp uit. De vrouw lag met haar gezicht naar de muur gedraaid. Behalve de maneschijn was er geen licht. De witte gordijnen deinden loom heen en weer. Door het open balkon klonk de stad: jongensstemmen, guarda che tette, quanto costi, tikkende hakken op kinderkoppen, een scooter die optrok, het schuren van een raamstang, dichtgeslagen. Het was snikheet. Binnen werd geventileerd met de warmte van buiten. Ik trok alles uit tot mijn onderbroek.
Toen ik in het donker door de zaal strompelde, zag ik dat het bed van de vrouw leeg was. Ook de jurk was weg
Gekraak. En gestamp van voeten. Het kwam van rechts.
Ik wist niet of ik pas net was ingedommeld of al uren sliep. Iemand liep door de balkondeuren naar buiten. Er schraapte een plastic stoel over steen. Het klikkende geluid van een elektronisch toetsenbord. Daarna: een gedempte, maar voor een slaapzaal te luide serie. Geen Italiaans, Engels of Nederlands. Een vrouwenstem, een mannenstem. Op de achtergrond klonk loungemuziek. Steeds werd het zachter gezet, dan kraakte de stoel en werd het toch wat harder.
God. Hoe ik me ook omdraaide. Hoe diep ik mijn oor ook in het kussen duwde, of mijn vinger erin propte, ik bleef het horen. Erger nog: ik werd me overal van bewust. De TV-serie, de gordijnen, mijn eigen adem, mijn speeksel, het schuren van het laken over huid, kreukende stof, het lekken van iets in de muur, een suizend geluid, ergens een dichtslaande deur, de TV-serie.
Het maakte plaats voor iets anders.
Iets dat sloeg. Een wrijven. Een duwen of trekken. Een hand op een lappenpop. Toen ik begreep wat het was, wist ik niet hoe ik me daarover moest voelen. Ik probeerde er niet naar te luisteren. Durfde me niet te verroeren. Toch kwam het telkens dichterbij. Lag weerloos onder het goedkope laken, staarde naar de metalen ringetjes en het pluis van het matras boven me. Hield mijn adem in, alsof ik dan onzichtbaar zou zijn. Ik klemde mijn kaken op elkaar, mijn spieren verstijfden. Liever had ik het niet geweten.
De kale man masturbeerde. Op twee meter afstand. Die lezende man, die degelijke man van middelbare leeftijd. Die man die me toe had geknikt. Die man met een e-reader, met een hoofdlampje. Die man.
De ruimte zoog zich vol geduw en getrek, schudde schilferige vlokken uit als een hond. Ik maakte me klein. Laat hem snel klaarkomen. Laat het zo voorbij zijn. Laat hem schaamte voelen. Ik kneep mijn ogen samen, wreef mijn grote tenen tegen elkaar. Tegelijkertijd bleef ik ernaar luisteren. Naar dat geklapper. Ingespannen. Opmerkzaam. Aangetrokken. Ik kon er niet mee stoppen, ademde in en uit. Alsof ik het wilde, alsof ik het moest, alsof ik daar geobsedeerd door was.
Ik ben maar uit bed gegaan.
Waarschijnlijk hoorde hij me, want hij stopte. Misschien dat hij angstig zijn adem inhield, misschien zat zijn hand nog in zijn broek. Ik hoorde hem in ieder geval niet meer. Toen ik in het donker door de zaal strompelde, zag ik dat het bed van de vrouw leeg was. Ook de jurk was weg.
Ik liep een paar maal op en neer door de half verlichte hal, vertwijfeld. Aan het eind vond ik een toilet en waste mijn gezicht. Het water was ijskoud. Ik snoof als een duiker toen ik me weer oprichtte en in de spiegel keek. Mijn ogen waren rood en prikten, alsof ik flink had liggen huilen, maar het kwam vast door de verstoorde slaap.
Ik raakte gefrustreerd. Er zwol iets op in mijn maag, koud en trillend. Waarom keek ze niet? Waarom vond ik dat eigenlijk zo belangrijk?
Op de binnenplaats zoemde een meikever over een klimmende plant en zag ik de vrouw in de pasteljurk. Haar hand lag op een stenen tafel met mozaïekpatroon, haar vingers om de steel van een glas rode wijn geklemd. De nacht rook fris, kouder dan verwacht. Verder zurig, zoals overal hier. Ze leunde achterover, onverschillig naar haar omgeving, achteloos en zeker. Haar blik was op de muur gericht.
Steen. Vochtig steen. Dat was mijn eerste gedachte. Alsof ze evengoed deel van de stad uitmaakte als de grauwe fonteinen, de zwartgrijze vensterbanken of de terracotta dakpannen. Ze was een ornament, een deel van iets waarvan ik geen deel was, een gewoonlijk object waar alleen ik, een toerist, naar keek. Alles aan haar was in contrast. De mintgroene zoom van haar jurk viel losjes over haar blote, dikke benen, haar knieën gespreid, net als de receptioniste eerder. Maar haar vingers om het wijnglas waren dun en fragiel. Haar kapsel was zwart, ongekamd, even vuil en vettig als de tot vijf verdiepingen boven ons uittorende gebouwen. Ja. Ze hoorde hier thuis.
Er waren genoeg andere plekken, zoals de banken aan de zijkanten of de andere tafels, maar ik ging tegenover haar zitten. Toen rook ik de wijn, lichtjes alcoholisch. Ik wachtte zwijgend tot ze me gade zou slaan. Een blik, een woord, een erkenning van wat er zojuist was gebeurd op de slaapzaal, maar dat bleef uit. Ze bleef naar de muur staren.
Ik pakte mijn boek, verongelijkt. Ik drukte me tegen de rug van de stoel. Hief de voorste poten van de vloer, keek een paar tellen naar boven, naar de klimop, toen weer terug. Ademde traag in. Maar zij vulde alles op, er was te weinig beenruimte. Ik sloeg de mijne over elkaar.
Een uur zaten we daar. Ik probeerde te lezen. Het boek, dat ik van huis mee had genomen en waarvan ik meende dat het een bekend, moeilijk werk was, hield ik voor mijn neus. Mijn arm prikte, maar alsnog hield ik het omhoog. Ik berispte mezelf om niet te kijken. Om niet alles weg te geven. Drie keer verschoof ik mijn houding, de kaft in haar richting gekanteld. Spiekte erover, maar nee. Ze had er geen interesse in.
Ik raakte gefrustreerd. Er zwol iets op in mijn maag, koud en trillend. Waarom keek ze niet? Waarom vond ik dat eigenlijk zo belangrijk? Er laaide iets op, zuur, waarvan de hitte mijn vingers liet tintelen. Elke paar seconden loerde ik over de rand van mijn boek in haar richting, of eigenlijk: betrapte ik mezelf daarop. Ik gluurde naar haar ogen, haar schouders, haar romp. Ik dwong mezelf terug naar de tekst, ging ongemakkelijk verzitten, en keek weer. Hoewel ik goed wist dat dit te bizar voor woorden was. Ik wilde het. Wilde haar aandacht.
Ze tikte met haar middelvinger tegen de steel van het glas en stond op. Ze streek haar jurk glad en zette de stoel zachtjes terug tegen de tafel
Ik begon met mijn voet tegen de stalen tafelpoot te tikken. Ik klapte mijn boek dicht – te luid om nonchalant te zijn, en legde die op tafel, slaakte een zucht, en pakte het boek weer. Ik smakte. Streek met een hand door mijn haar. Ik liet de stoel kraken, spande mijn buikspieren aan. Maar de vrouw keek naar de muur. Wat ik ook deed, hoe ik haar aandacht ook trok. Wat was dit voor minachting? Had ik niet tenminste recht op een knikje?
Ze dronk niet van haar wijn. Ze deed niets. Misschien was ze angstig. Was dat het? Was ik, of nee, toch, ja, verkeerd? Toen – het besef kroop naar binnen als een indringer, als een groot insect – wist ik dat ze me beschuldigde. Zou ze het vertellen aan vriendinnen, over die masturbeerder? Hoe die gluiperd bij haar aan tafel was komen zitten? Het lef. Het idee. Dat ze míj voor die vent aanzag. Dacht ze soms dat ik het zaakje hier kwam afmaken? Zij? Ja, echt? Kutwijf.
Ze zuchtte, abrupt, alsof ze wakker werd. Liet lucht uit haar longen vloeien, keek om haar heen, toen naar de keuken. Ze tikte met haar middelvinger tegen de steel van het glas en stond op. Ze streek haar jurk glad en zette de stoel zachtjes terug tegen de tafel. Daarna liep ze met strakke, afgemeten passen richting de slaapzaal. Ze keek me niet aan. Pas na een paar tellen durfde ik me pas om te draaien, eiste van mezelf dat niet te doen, maar ik zag haar niet. Ze was al door de openstaande deur verdwenen.
De binnenplaats werd ijskoud en stil. Ik snoof de verstikkende avondlucht in. Een klont van maagsap en gal balde zich samen. Ik keek omhoog, maar de lucht was zwart. Er klonk getoeter. Bonkende muziek uit een kamerraam. Ik had verschrikkelijke dorst, ze had de wijn laten staan. Ik staarde ernaar. Ik kneep in de kaft van mijn boek. Ik wist dat ik iets moest doen. Maar de wil om op te staan, droop tergend naar beneden als over de rand van het glas. Een druppel, een gedachte.
Toen ik de slaapzaal weer binnenkwam, rook ik een zure, natte stank.
Witte vlokken dwarrelden door de lucht, als stof of as. De vloer was bezaaid met een plakkerige, melkachtige substantie. Er scheen een helder, wit licht door de balkondeuren. De spijlen van de stapelbedden rekten uit en kromden zich agressief in mijn richting. Er waren lege bedden met opstaande haren, met name die van haar. Er sijpelde rood vocht van de hangende lamp, dat naar beneden viel en daar oploste als in zuigende stof. De gordijnen klapperden, joegen op, flapperden door de lucht als om iets toe te eigenen. Buiten klonk gekrijs – schel, haast dierlijk, als een marmot – en schrapend hijgen. Een hamer sloeg, rubber tegen een muur. Met stijve schouders liep ik naar het balkon. De kale man zat van me afgedraaid.
‘Laat dat,’ zei ik.
Hij draaide zich om. Zijn gezicht glom.
Hij was kleverig aan het huilen.
Robin van Ommen (1991) is schrijver en scenarist. Hij werkt aan een roman en verhalenbundel bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Voor zijn literaire ontwikkeling ontving hij het Letterenstipendium in Groningen (voorheen Hendrik de Vriesstipendium). Zijn korte films draaiden op Filmapalooza en wonnen Yes We Cannes en Beste Groninger Film. Hij is redacteur bij De Optimist en deel van Vuurland.
Jaantje Anna is een illustrator die zich laat inspireren door mensen. Ze wil contact maken met anderen om vervolgens hun verhalen te verbeelden in haar illustraties. Door deze verhalen te delen wil ze mensen aan elkaar voorstellen en verbinden.


















