Asset 14

Laat dat, zei ik

Auto Draft 12

Op de binnenplaats van een muf hostel verlangt een man naar erkenning bij zijn vrouwelijke kamergenoot. In Laat dat, zei ik legt Robin van Ommen onze verwachtingen over wederkerigheid in sociale interacties bloot. Met een surreële twist.

De weggedraaide lege stoel van de receptie stond achter het bureau vol papieren en mappen. Alsof ze haastig was weggegaan. Een computerbeeldscherm, zo’n CRT-geval, stond aan de linkerzijde naast een lel van een printer. Ik had niet gereserveerd. Misschien was er geen plaats, maar ik wilde het, een plaats. Toen ik op het koperen belletje drukte, hoorde ik in een andere ruimte gestommel. Ze kwam aanlopen, gaapte, en keek me vuil aan. Iemand die iets van haar moest.
Ze was midden twintig. Ze droeg een losse joggingbroek en grijze sweater. Haar lichtbruine haar zat achteloos opgestoken met elastiek, twee losse lokken over haar rechteroor. Ondanks haar wallen, misschien had ze al liggen slapen, slikte ik wat speeksel weg, drukte mijn tong tegen mijn gehemelte. Ze liep met forse, brede passen. Ging met gespreide benen op de kruk zitten, leunde geërgerd voorover.
Waarom had ik niet gereserveerd? Ik zei dat ik geen creditcard had. Dat ik daardoor bij vier hostels was afgewimpeld. Ze keek van mij, naar mijn rolkoffer, weer naar mij. Zonder verder iets te zeggen rommelde ze door een stapel papieren. Hier tekenen. Vijfentwintig euro.
Ik betaalde. De vrouw telde de briefjes, streek ze glad en drukte ze door een zwarte machine naast de computer. Die piepte. Ze draaide zich om naar de kast, maar wierp een korte blik naar achteren, vanuit haar ooghoeken, en pakte een hanger van een haak. ‘Slaapzaal vier,’ zei ze in gebroken Engels. ‘Lichten uit na elf uur. Ook op de binnenplaats. Uitchecken voor negenen. Geen ontbijt.’

Met een hand op de deur van de slaapzaal stak ze een vinger op. Legde die op haar lippen. Stilte, ja? Wees naar het op het hout geschilderde cijfer. Drukte toen de hendel naar beneden. Het was er schemerig, koel. Rook er muf, naar matrassen vol oud zweet. Licht viel door de hoge ramen met dunne gordijnen. Streng, of misschien ongeduldig, wees ze me het achterste bed aan. Hier hoor jij. Trok haar wenkbrauwen op. Alles begrepen? Ze wierp een blik op haar telefoon, duwde een lok terug achter haar oor.
Er waren maar twee kamergenoten. Aan de ene kant van de slaapzaal: een vrouw die het laken tot haar kin had opgetrokken, met een pastelkleurige jurk aan een spijl opgehangen. Ik kon haar gezicht niet zien. En achterin, op de bovenste verdieping van een stapelbed, een kale man met een hoofdlampje en e-reader, rechtop zittend, een kussen tussen zijn rug en de muur. Hij knikte vriendelijk. Gewoon iemand op doortocht, iemand die een bed nodig had. Iemand als ik.
Mijn rug was stram. Zo’n anderhalf, twee uur, zo lang had ik door de stad gedwaald. Langs winkelruiten, coniferen, naar pis ruikende straathoeken, drukkend op de intercoms met krakende stemmen. Mijn rugtas die steeds zwaarder werd en in mijn schouders sneed. Maar waar ik ook kwam, kreeg ik hetzelfde te horen. Volgeboekt. Geen reservering. Toen stuitte ik hierop. De verzamelwebsite had deze louche bedoeling een schamel zesje gegeven. Ik snapte het. Dat kille, het zweet, het venijn, geen ontbijt. Toch vijfentwintig euro.
Ik deed mijn best om zo min mogelijk lawaai te maken, maar het bed kraakte. Schuldbewust keek ik op. De man knipte zijn hoofdlamp uit. De vrouw lag met haar gezicht naar de muur gedraaid. Behalve de maneschijn was er geen licht. De witte gordijnen deinden loom heen en weer. Door het open balkon klonk de stad: jongensstemmen, guarda che tette, quanto costi, tikkende hakken op kinderkoppen, een scooter die optrok, het schuren van een raamstang, dichtgeslagen. Het was snikheet. Binnen werd geventileerd met de warmte van buiten. Ik trok alles uit tot mijn onderbroek.

Toen ik in het donker door de zaal strompelde, zag ik dat het bed van de vrouw leeg was. Ook de jurk was weg

Gekraak. En gestamp van voeten. Het kwam van rechts.
Ik wist niet of ik pas net was ingedommeld of al uren sliep. Iemand liep door de balkondeuren naar buiten. Er schraapte een plastic stoel over steen. Het klikkende geluid van een elektronisch toetsenbord. Daarna: een gedempte, maar voor een slaapzaal te luide serie. Geen Italiaans, Engels of Nederlands. Een vrouwenstem, een mannenstem. Op de achtergrond klonk loungemuziek. Steeds werd het zachter gezet, dan kraakte de stoel en werd het toch wat harder.
God. Hoe ik me ook omdraaide. Hoe diep ik mijn oor ook in het kussen duwde, of mijn vinger erin propte, ik bleef het horen. Erger nog: ik werd me overal van bewust. De TV-serie, de gordijnen, mijn eigen adem, mijn speeksel, het schuren van het laken over huid, kreukende stof, het lekken van iets in de muur, een suizend geluid, ergens een dichtslaande deur, de TV-serie.
Het maakte plaats voor iets anders.
Iets dat sloeg. Een wrijven. Een duwen of trekken. Een hand op een lappenpop. Toen ik begreep wat het was, wist ik niet hoe ik me daarover moest voelen. Ik probeerde er niet naar te luisteren. Durfde me niet te verroeren. Toch kwam het telkens dichterbij. Lag weerloos onder het goedkope laken, staarde naar de metalen ringetjes en het pluis van het matras boven me. Hield mijn adem in, alsof ik dan onzichtbaar zou zijn. Ik klemde mijn kaken op elkaar, mijn spieren verstijfden. Liever had ik het niet geweten.
De kale man masturbeerde. Op twee meter afstand. Die lezende man, die degelijke man van middelbare leeftijd. Die man die me toe had geknikt. Die man met een e-reader, met een hoofdlampje. Die man.
De ruimte zoog zich vol geduw en getrek, schudde schilferige vlokken uit als een hond. Ik maakte me klein. Laat hem snel klaarkomen. Laat het zo voorbij zijn. Laat hem schaamte voelen. Ik kneep mijn ogen samen, wreef mijn grote tenen tegen elkaar. Tegelijkertijd bleef ik ernaar luisteren. Naar dat geklapper. Ingespannen. Opmerkzaam. Aangetrokken. Ik kon er niet mee stoppen, ademde in en uit. Alsof ik het wilde, alsof ik het moest, alsof ik daar geobsedeerd door was.

Ik ben maar uit bed gegaan.
Waarschijnlijk hoorde hij me, want hij stopte. Misschien dat hij angstig zijn adem inhield, misschien zat zijn hand nog in zijn broek. Ik hoorde hem in ieder geval niet meer. Toen ik in het donker door de zaal strompelde, zag ik dat het bed van de vrouw leeg was. Ook de jurk was weg.
Ik liep een paar maal op en neer door de half verlichte hal, vertwijfeld. Aan het eind vond ik een toilet en waste mijn gezicht. Het water was ijskoud. Ik snoof als een duiker toen ik me weer oprichtte en in de spiegel keek. Mijn ogen waren rood en prikten, alsof ik flink had liggen huilen, maar het kwam vast door de verstoorde slaap.

Ik raakte gefrustreerd. Er zwol iets op in mijn maag, koud en trillend. Waarom keek ze niet? Waarom vond ik dat eigenlijk zo belangrijk?

Op de binnenplaats zoemde een meikever over een klimmende plant en zag ik de vrouw in de pasteljurk. Haar hand lag op een stenen tafel met mozaïekpatroon, haar vingers om de steel van een glas rode wijn geklemd. De nacht rook fris, kouder dan verwacht. Verder zurig, zoals overal hier. Ze leunde achterover, onverschillig naar haar omgeving, achteloos en zeker. Haar blik was op de muur gericht.
Steen. Vochtig steen. Dat was mijn eerste gedachte. Alsof ze evengoed deel van de stad uitmaakte als de grauwe fonteinen, de zwartgrijze vensterbanken of de terracotta dakpannen. Ze was een ornament, een deel van iets waarvan ik geen deel was, een gewoonlijk object waar alleen ik, een toerist, naar keek. Alles aan haar was in contrast. De mintgroene zoom van haar jurk viel losjes over haar blote, dikke benen, haar knieën gespreid, net als de receptioniste eerder. Maar haar vingers om het wijnglas waren dun en fragiel. Haar kapsel was zwart, ongekamd, even vuil en vettig als de tot vijf verdiepingen boven ons uittorende gebouwen. Ja. Ze hoorde hier thuis.
Er waren genoeg andere plekken, zoals de banken aan de zijkanten of de andere tafels, maar ik ging tegenover haar zitten. Toen rook ik de wijn, lichtjes alcoholisch. Ik wachtte zwijgend tot ze me gade zou slaan. Een blik, een woord, een erkenning van wat er zojuist was gebeurd op de slaapzaal, maar dat bleef uit. Ze bleef naar de muur staren.
Ik pakte mijn boek, verongelijkt. Ik drukte me tegen de rug van de stoel. Hief de voorste poten van de vloer, keek een paar tellen naar boven, naar de klimop, toen weer terug. Ademde traag in. Maar zij vulde alles op, er was te weinig beenruimte. Ik sloeg de mijne over elkaar.
Een uur zaten we daar. Ik probeerde te lezen. Het boek, dat ik van huis mee had genomen en waarvan ik meende dat het een bekend, moeilijk werk was, hield ik voor mijn neus. Mijn arm prikte, maar alsnog hield ik het omhoog. Ik berispte mezelf om niet te kijken. Om niet alles weg te geven. Drie keer verschoof ik mijn houding, de kaft in haar richting gekanteld. Spiekte erover, maar nee. Ze had er geen interesse in.
Ik raakte gefrustreerd. Er zwol iets op in mijn maag, koud en trillend. Waarom keek ze niet? Waarom vond ik dat eigenlijk zo belangrijk? Er laaide iets op, zuur, waarvan de hitte mijn vingers liet tintelen. Elke paar seconden loerde ik over de rand van mijn boek in haar richting, of eigenlijk: betrapte ik mezelf daarop. Ik gluurde naar haar ogen, haar schouders, haar romp. Ik dwong mezelf terug naar de tekst, ging ongemakkelijk verzitten, en keek weer. Hoewel ik goed wist dat dit te bizar voor woorden was. Ik wilde het. Wilde haar aandacht.

Ze tikte met haar middelvinger tegen de steel van het glas en stond op. Ze streek haar jurk glad en zette de stoel zachtjes terug tegen de tafel

Ik begon met mijn voet tegen de stalen tafelpoot te tikken. Ik klapte mijn boek dicht – te luid om nonchalant te zijn, en legde die op tafel, slaakte een zucht, en pakte het boek weer. Ik smakte. Streek met een hand door mijn haar. Ik liet de stoel kraken, spande mijn buikspieren aan. Maar de vrouw keek naar de muur. Wat ik ook deed, hoe ik haar aandacht ook trok. Wat was dit voor minachting? Had ik niet tenminste recht op een knikje?
Ze dronk niet van haar wijn. Ze deed niets. Misschien was ze angstig. Was dat het? Was ik, of nee, toch, ja, verkeerd? Toen – het besef kroop naar binnen als een indringer, als een groot insect – wist ik dat ze me beschuldigde. Zou ze het vertellen aan vriendinnen, over die masturbeerder? Hoe die gluiperd bij haar aan tafel was komen zitten? Het lef. Het idee. Dat ze míj voor die vent aanzag. Dacht ze soms dat ik het zaakje hier kwam afmaken? Zij? Ja, echt? Kutwijf.
Ze zuchtte, abrupt, alsof ze wakker werd. Liet lucht uit haar longen vloeien, keek om haar heen, toen naar de keuken. Ze tikte met haar middelvinger tegen de steel van het glas en stond op. Ze streek haar jurk glad en zette de stoel zachtjes terug tegen de tafel. Daarna liep ze met strakke, afgemeten passen richting de slaapzaal. Ze keek me niet aan. Pas na een paar tellen durfde ik me pas om te draaien, eiste van mezelf dat niet te doen, maar ik zag haar niet. Ze was al door de openstaande deur verdwenen.
De binnenplaats werd ijskoud en stil. Ik snoof de verstikkende avondlucht in. Een klont van maagsap en gal balde zich samen. Ik keek omhoog, maar de lucht was zwart. Er klonk getoeter. Bonkende muziek uit een kamerraam. Ik had verschrikkelijke dorst, ze had de wijn laten staan. Ik staarde ernaar. Ik kneep in de kaft van mijn boek. Ik wist dat ik iets moest doen. Maar de wil om op te staan, droop tergend naar beneden als over de rand van het glas. Een druppel, een gedachte.

Toen ik de slaapzaal weer binnenkwam, rook ik een zure, natte stank.
Witte vlokken dwarrelden door de lucht, als stof of as. De vloer was bezaaid met een plakkerige, melkachtige substantie. Er scheen een helder, wit licht door de balkondeuren. De spijlen van de stapelbedden rekten uit en kromden zich agressief in mijn richting. Er waren lege bedden met opstaande haren, met name die van haar. Er sijpelde rood vocht van de hangende lamp, dat naar beneden viel en daar oploste als in zuigende stof. De gordijnen klapperden, joegen op, flapperden door de lucht als om iets toe te eigenen. Buiten klonk gekrijs – schel, haast dierlijk, als een marmot – en schrapend hijgen. Een hamer sloeg, rubber tegen een muur. Met stijve schouders liep ik naar het balkon. De kale man zat van me afgedraaid.
‘Laat dat,’ zei ik.
Hij draaide zich om. Zijn gezicht glom.
Hij was kleverig aan het huilen.

Mail

Robin van Ommen (1991) is schrijver en scenarist. Hij werkt aan een roman en verhalenbundel bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Voor zijn literaire ontwikkeling ontving hij het Letterenstipendium in Groningen (voorheen Hendrik de Vriesstipendium). Zijn korte films draaiden op Filmapalooza en wonnen Yes We Cannes en Beste Groninger Film. Hij is redacteur bij De Optimist en deel van Vuurland.

Jaantje Anna is een illustrator die zich laat inspireren door mensen. Ze wil contact maken met anderen om vervolgens hun verhalen te verbeelden in haar illustraties. Door deze verhalen te delen wil ze mensen aan elkaar voorstellen en verbinden.

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven
test
het laatste
De ogen van Jeroen

De ogen van Jeroen

‘Ik stel me voor dat ik heel groot en heel sterk ben, dat ik zijn arm pak, die zo ver naar achteren draai dat hij breekt. Krak.’ In dit verhaal neemt Mayke Calis je mee in het gezinsleven van een ogenschijnlijk alledaagse familie, maar maakt het al snel plaats voor een naar gevoel in je buik. Lees meer

Auto Draft 13

Schoolzwemmen

Koen de Vries schreef een beklemmend verhaal over zwemles en monsters die zich schuilhouden achter de putjes. 'Vanaf de kant kun je hem echt niet zien, hoor. Hij komt pas tevoorschijn als je verdrinkt.'  Lees meer

Neil Armstrong (they/them) 1

Daar ben je, hier zijn we

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Ayden Carlo: 'Dit hier lijkt helemaal niet over jou te gaan en dat is precies waarom ik je schrijf.' Lees meer

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Soms vraagt een kunsttentoonstelling om een andere vorm dan een standaard recensie. Dit is ook het geval bij ‘Sculpting the senses’ van Iris van Herpen in Kunsthal Rotterdam. Merel Wolfkamp ging er heen en beschrijft haar ervaring op een gevoelige, poëtische manier. Lees meer

Neil Armstrong (they/them)

Neil Armstrong (they/them)

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Trijntje van de Wouw: ‘Ze zoeken zo hard naar buitenaardse wezens dat ze niet zien hoeveel er nog te ontdekken valt recht voor hun neus.’ Lees meer

Zand erover

Zand erover

In dit verhaal van Anouk Harkmans ligt een verteller op het strand, alleen, met een steen op haar navel, en ze overdenkt een relatie die voorbij is. 'Wat als dit geen einde is? Wat als het einde al heeft plaatsgevonden – zonder zichtbare erosie – en dit niet meer is dan de onverhoopte poging om te doen alsof dat niet zo is?' Lees meer

Het kerstmaal

Het kerstmaal

Het ouderlijk huis: een kern waar velen van ons naar terugkeren met de feestdagen. Dingen horen daar te zijn zoals je ze hebt achtergelaten. Maar wat als dat niet meer zo is? Wat als dat fundament niet meer zo stevig blijkt te zijn? Thomas D'heer schrijft zacht over toenadering, weemoed en familie. Lees meer

Auto Draft 11

20240903 Fiat Punto

Met de handrem omlaag en handen aan het stuur rijdt Wim Landuyt je in dit gedicht langs zijn bloedlijn, van de pastasaus in zijn aderen tot in dit land van regels: een compilatie van zijn migratie. 'net als een geïmporteerde fiat punto / brandt mijn motor onder mijn huid' Lees meer

 1

Mijn doofheid door de jaren heen

In haar gedichten gaat Bareez Majid in gesprek met de nacht en verschillende vormen van stilte; van de stilte die volgt uit zwijgen om bestwil tot simpelweg niet kunnen spreken doordat je de taal niet kent, en van stilte uit angst van een gevlucht kind tot niet willen of kunnen luisteren naar de ander. Lees meer

Een eerste keer

Een eerste keer

In dit erotische verhaal vraagt Jochum Veenstra zich af of het opwindend kan zijn om constant expliciete consent te vragen, en of er dan ook echte consent tot stand komt. Een eerste keer is ook gepubliceerd als audioverhaal bij deBuren. 'Als onze monden elkaar raken, lijkt de vriendschap die we bij daglicht hebben weer tot leven te komen.' Lees meer

Balletles

Balletles

In een rumoerig café herinnert een groep meisjes zich heel helder: 'Meisjes zoals wij leren vroeg de kunst van de onwaarneembare volharding.' In dit korte verhaal neemt Marieke Ornelis je mee in een wereld vol witte panty's, billen op een koude vloer en honingachtig vocht, terwijl de intimiteit wegsmelt onder de toneellampen. Lees meer

Pomme d’amour 1

Pomme d’amour

In dit gedicht van Elise Vos vinden de glazen muiltjes en kikkerprinsen uit de klassieke sprookjes hun weg tussen de HR-medewerkers en stadsduiven met verminkte pootjes. Een hoofdpersoon zoekt diens plek in de wereld, terwijl mannen dwars door de ontknoping van het verhaal heen slapen. Lees meer

Ademruimte

Ademruimte

‘Hij kon toen alleen Catalaanse woorden fluisteren en zijn wijsvinger buigen om aan te geven wanneer hij naar buiten wilde om te roken.’ In Ademruimte, van Elisa Ros Villarte, keert het hoofdpersonage terug naar haar ouderlijk huis dat gevuld is met onbekend speelgoed, bevroren maaltijden en beladen vragen. Lees meer

Vrijheid

Vrijheid

Liggend onder de auto van de buren overdenkt een man de relatie tot zijn familie, de gevolgen van zijn gedrag en de reactie van omstanders. Eva Gabriela schreef een kwetsbaar verhaal waarin de dreiging en het ongemak constant voelbaar zijn, en waarin de pleger van huiselijk geweld de hoofdpersoon is. Lees meer

De verdwenen kosmonaut

De verdwenen kosmonaut

Duizenden kilometers van de kosmonaut vandaan zit Igor, uitkijkend over de stad, terwijl hij luistert naar de ruis op de tv, naar de beukende eurodance plaat die nog naklinkt in zijn oren en naar een stem die hem probeert te overtuigen terug te komen. In De verdwenen kosmonaut van Thijs van der Heijden raakt een... Lees meer

Het borrelt 1

Ortolaan

Liefde gaat door de maag, weet de chef in het verhaal van Fleur Klemann. Zorgvuldig bereidt hij al zijn ingrediënten én zijn geliefde: ‘Haar tong die ze langs haar vette lippen haalde, het rozige vlees.’ Lees meer

Naweeën

Naweeën

In Naweeën dicht Vlinder Verouden over vervellen, verpoppen, verschonen, volgroeien en legt zo het proces van veranderen vast. ‘Hier slaat de klok tien en stap ik uit spinseldraden slijmerig warm een / Laatste vinger die glijdt over de plastic bodem van een pot haargel.’ Lees meer

Het borrelt

Het borrelt

‘Vuur raakt water / en alles sist barst klapt fluit schuimt vergaat stijgt verdampt smelt breekt sterft’. Dieuke Kingma dicht over het moment dat het ondergrondse naar boven breekt: zoals bij vulkaanuitbarstingen, of de tweede symfonie van Mahler. Lees meer

Laboratoriumkinderen

Laboratoriumkinderen

Afgelopen zomer namen tien aanstormende schrijftalenten deel aan het Schrijverskamp van Frontaal, waar ze werkten ze aan teksten rondom het thema Grond. In dit drieluik onderzoekt Louise van der Veen in vitro fertilisatie (IVF) als een mogelijke grond van het bestaan. Lees meer

Als de bodem niet dragen kan

Groeipijn

‘Volwassen worden is zorgen voor’ luidt de wijsheid waar de hoofdpersoon in dit verhaal zich aan vasthoudt. In Groeipijn laat Tim Kobussen zien hoe hoe er een steeds letterlijke invulling aan die wijsheid wordt gegeven in een studentenkamer. Lees meer

Lees Hard//hoofd op papier!

Hard//hoofd verschijnt vanaf nu twee keer per jaar op papier! Dankzij de hulp van onze lezers kunnen we nog vaker een podium bieden aan aanstormend talent. Schrijf je nu in voor slechts €3 per maand en ontvang in september je eerste papieren tijdschrift. Veel leesplezier!

Word trouwe lezer!