Koen de Vries schreef een beklemmend verhaal over zwemles en monsters die zich schuilhouden achter de putjes. 'Vanaf de kant kun je hem echt niet zien, hoor. Hij komt pas tevoorschijn als je verdrinkt.'
'Als je verdrinkt, ga je naar de begraafplaats aan de overkant,' fluistert Diederik in mijn oor. Hij zit naast me in de bus, klikt zijn gordel los en leunt op mijn schouder. Zijn puntige neus drukt zacht tegen de zijkant van mijn hoofd. 'Daarom ligt het er zo vol.'
Hij zakt achterover in zijn stoel en grinnikt. Ik kijk uit het raam. Het open veld tussen de bomen ligt bezaaid met grijze stenen. Sommige vierkant, sommige rond aan de bovenkant. Sommige een kruis.
'Zo houden ze het zwembad schoon, met een grote tunnel, die als een stofzuiger lichamen van de bodem opzuigt.'
Ik bijt op mijn lip en knik.
'Ik heb al heel lang niet meer gezwommen,' zeg ik.
'Jammer,' zegt Diederik. Hij laat zich weer in zijn stoel vallen. 'Ik wel. In de vakantie. Ik houd van zwemmen. Houd jij niet van zwemmen?'
'Weet ik niet,' zeg ik. Mijn been trilt snel op en neer. 'Ik weet niet eens meer wanneer de laatste keer was, eigenlijk.'
'Kan je überhaupt wel zwemmen?' lacht hij.
Een voor een mogen we de bus uit. De kinderen die al buiten staan kijken allemaal naar mij, hoe ik naar beneden kom, hoe ik tussen ze in ga staan. Ze smiespelen met elkaar en giechelen.
–
Ik sta aan de badrand en gluur naar de bodem. Witte tegels, zwarte tegels in strakke lijnen, hier en daar een putje, dezelfde als in de goot op de kant.
Soms zitten de roosters van de putjes los. Ik heb er ooit een opgetild en mijn hand in het gat gestopt. Het gat gorgelde, rukte fel aan mijn arm, zoog me plots op tot aan mijn schouder. Mijn hoofd klapte op de tegels. Als het putje nog verder open kon, was ik erin verdwenen.
In het diepe deel, misschien, waar je de bodem niet kunt zien. Als een dikke mist zit het water in de weg. Halverwege de schuine helling die het diepe deel met de rest verbindt, vervagen de zwarte lijnen en witte vlakken tot blauwgrijze schimmen. Daar zijn de regels anders, daar zullen de gaten verder open kunnen.
'Ga je nog springen?' vraagt de meester.
Ik schud mijn hoofd.
'Ga maar op het bankje zitten, dan.'
Hij komt pas tevoorschijn als je verdrinkt. Of als je bijna verdrinkt soms ook, maar alleen als je sowieso al niet meer te redden bent
'Vanaf de kant kun je hem echt niet zien, hoor. Hij komt pas tevoorschijn als je verdrinkt. Of als je bijna verdrinkt soms ook, maar alleen als je sowieso al niet meer te redden bent.' Voor de terugreis is Diederik opnieuw naast mij gaan zitten. Hij lacht en legt zijn armen over elkaar.
De twee kinderen voor ons kijken me door het gat tussen de stoelen aan. Ze giechelen.
‘Hmm hmmm,’ klinken ze in koor.
'Vorige maand is hij nog gespot,' zegt het kind op de linkerstoel. 'Toen verdronk er iemand.'
'Met z'n tweeën waren ze, zelfs,' weet de ander. 'Arme stakkers.' Ze trekt haar wenkbrauwen omhoog en knikt.
Ik kijk naar Diederik. Hij maakt grote ogen en verzucht dat het inderdaad heel heftig was.
'Echt?' vraag ik.
Hij knikt. 'Maar jij hoeft je geen zorgen te maken. Dat is vast nergens voor nodig.' Grijnzend stompt hij hard tegen mijn schouder.
–
'Ga je deze week wel het water in?' vraagt de meester. Hij heeft ons er expres bij het minder diepe deel in gestuurd. Hij kan ook niet garanderen dat er in het diepe deel niets onderwater leeft, verstopt tussen de tegels, dat de muur niet plots openschuift en er een grote slurf uit komt of dat de schuine rand ineens omhoog komt, als de enorme mond van een walvis, en ons allemaal naar binnen zuigt. Dus daar zwemmen we niet. Onze veiligheid is zijn verantwoordelijkheid, dat had hij me verzekerd.
Ik knik.
'Zie je wel,' zegt Diederik terwijl hij me inhaalt. 'Jij hoeft je nergens zorgen om te maken.' Zonder om te kijken snijdt hij me af, zijn hakken in mijn buik en zijn zwembroek waar mijn handen moeten zijn en ik grijp hem bijna vast, per ongeluk. Ik trek mijn armen in.
Diederik spettert met zijn voeten water in mijn gezicht. Ik proest, spuug de spetters uit, snak naar adem, wrijf het water uit mijn ogen. Meer kinderen halen me in, stuk voor stuk spetteren ze in mijn gezicht. Ik probeer me om te draaien, maar het lukt niet met al het water en mijn handen in mijn ogen en overal waar ik probeer te ademen zijn voeten. Iemand botst tegen mijn schouder. Drukt me onderwater. Net op tijd neem ik een hap lucht.
Onderwater is het kalm. Er zijn geen spetters, geen kinderen die tegen me aan stoten. Ik zak naar de bodem en blijf staan. Ik sta precies op de knik, mijn tenen over de schuine rand, alsof ik klaar sta om te duiken. Ik kijk omhoog. De andere kinderen zwemmen over me heen. Ze zwemmen dicht tegen elkaar.
Ik ga zitten en leg mijn benen op de helling. Het water bij mijn voeten is koud. Een rilling schiet door mijn enkels, door mijn rug, botst tegen mijn schedel. Mijn hoofd vibreert, mijn nek trilt. Ik slik het weg.
Voor de zekerheid leg ik mijn handen op mijn mond en borst om te voorkomen dat mijn lucht per ongeluk ontsnapt.
Ik buig me voorover en knijp mijn ogen samen. Als ik de opening van de tunnel kan vinden, kan ik er altijd met een ruime bocht omheen zwemmen. Er moeten toch op zijn minst ergens scharnieren zitten? Een luik of deur in de hoek van het zwembad, bijvoorbeeld, voor een tong die je bij je enkels grijpt. Het is beneden te donker om het goed te zien.
–
Zodra de schuifdeuren opengaan, spoelt een zware, dikke lucht over ons heen. Ik zucht en mijn jas glijdt van mijn schouders. Ik vang hem in mijn ellebogen op. Diederik doet hetzelfde.
'Zo warm,' klaagt hij terwijl we de donkere gang in lopen. Muren van bruinrode baksteen, een houten plafond zwartgelakt. Van de meester moeten we helemaal door tot aan het eind, voorbij de kleine hokken. Daar is een grote kleedruimte. 'Gelukkig ruikt het lekker.'
'Ja?' vraag ik.
'Vind je niet? Ik houd wel van die lucht.'
Het chloor plakt aan mijn huid, kruipt in mijn poriën. Het prikt ook, in mijn neus.
'Laat het overal maar zo ruiken. Heerlijk.' Hij heft zijn kin en zuigt de geur zo diep hij kan naar binnen. Zijn tas slingert in zijn handen, met elke stap trapt hij er met een doffe klap tegenaan. Dan kijkt hij mij aan, zwaait hij zijn armen naar achteren en slaat hij met de tas tegen mijn buik.
Mijn buik knijpt en een doffe kuch glipt door mijn lippen.
Hij lacht. 'Gaan we zo lekker omkleden!'
Ik blijf stil en staar voor me uit. Een paar kleine hokjes moeten we nog voorbij, dan komen we bij het grote hok.
–
Nee, het is boven te licht om het goed te zien. Ik kom van de bodem overeind, ga op mijn knieën zitten en buig voorover, steeds verder, tot ik plat op mijn buik lig. Bloed zakt naar mijn hoofd, mijn slapen kloppen. Ik heb wel eens ondersteboven op de bank gelegen, maar dit geklop is feller.
Ik schuif mezelf iets naar voren. Mijn ribben glijden van de rand, mijn navel, mijn knieën.
Mijn slapen bonzen, luider, dreunen, dieper naar binnen, verder naar buiten. Ik druk mijn lippen op elkaar en vergrendel ze met mijn tanden.
Ineens begint het bad te grommen. Een schokgolf schiet door het water. Het blaast mijn haar naar achter, drukt mijn ogen dicht.
Ik schrik op. Ik sla om me heen, draai me om, steek mijn armen uit, maar kan niet meer bij de rand. Ik zwem en zwem, mijn armen voor me uit, de rand steeds verder weg. Luchtbellen ontsnappen uit mijn mond. Water schiet mijn neus in. Ik slik het weg.
De bodem knarst, brokken tegel schrapen mijn huid, de zwarte lijn scheurt. Een gat, een kloof, hij groeit van de muur tot aan de helling. Steeds breder, gapend, de randen grillig, tanden in een mond.
Ik sla, trap, kronkel, maar mijn armen willen niet. Nagels in mijn schouders trekken aan me. Handen om mijn nek drukken me naar onder. Ze knijpen, ze persen.
Het gat zuigt het zwembad leeg. Ik open mijn mond en schreeuw. Het zwembad gromt, overstemt me. Beton sluit zich om mijn enkels. Trekt aan me. Er ontstaat een draaikolk van gruis, ik zit in het midden.
Rode sporen cirkelen naar boven. Ik probeer ze te pakken, me op te trekken, maar grijp telkens mis. Mijn enkels worden zwart, verdwijnen. Mijn knieën, mijn heupen. Iemand kijkt naar me en steekt een arm uit. Ik kan er niet bij.
Het beton schaaft langs mijn buik, mijn borst. Ik knijp mijn ogen samen. Om me heen is het zwart. Mijn vingers zijn weg, ik ben ze kwijt.
Ik kijk omhoog. De kinderen zijn verdwenen. Er is enkel nog een witte punt, die steeds kleiner wordt, tot ook die uiteindelijk verdwijnt.
Het grommen stopt. Een dikke, stroperige vloeistof sluit zich om mijn lichaam, kruipt over mijn huid. Het is koud, kouder dan het water. Ik voel hoe het tussen mijn vingers loopt, hoe het in mijn oren kruipt. Langzaam vult het al mijn kieren.
–
'Hoe weet het zwembad dan dat je verdrinkt?' vraag ik.
Diederik propt zijn onderbroek in zijn tas. Hij drukt hem zo diep mogelijk in de plooien van zijn handdoek. Telkens wanneer Diederik de rits bijna dicht heeft, valt hij weer uit de tas. 'De tas op vakantie was veel fijner,' bromt Diederik.
Ik sta naast hem met mijn zwembroek in mijn handen. Ik wil dat de andere jongens eerst de kleedkamer uit gaan voor ik mijn kleren uitdoe.
'Dat is geheim,' zegt hij, terwijl hij zich tot mij richt. 'Niemand weet het zeker. Sommige mensen zeggen dat het zwembad leeft, dat het zo nu en dan wakker wordt wanneer het honger heeft, maar daar geloof ik zelf niets van. Dan zouden er nog veel meer mensen opgezogen worden.' Hij buigt zich naar me toe en schraapt zijn keel.
'Ik denk dat er camera's verstopt zitten in de onderwaterlampen,' fluistert hij. 'En dat iemand de beelden in de gaten houdt, die precies op het juiste moment op een knopje drukt. Dan gaat de tunnel open.'
Hij recht zijn rug en kijkt met opgetrokken wenkbrauwen in mijn ogen.
'Hopelijk gaat het niet per ongeluk mis, dan.'
Diederik haalt zijn schouders op. 'Ben je niet benieuwd?'
Koen de Vries (2001) studeert wiskunde in Nijmegen en schrijft zowel proza als poëzie. Hij was finalist bij Het Rode Oor 2025 en zijn teksten zijn terug te vinden op onder andere Notulen van het Onzichtbare en de website van De Revisor. Daarnaast trad hij op onder andere het Wintertuinfestival en literair festival OPZICH op en zit hij in de organisatie en redactie van poëziefestival Onbederf'lijk Vers.
Anna Boulogne is een illustrator, opgegroeid in Brussel en wonend in Rotterdam. Ze laat zich inspireren door de natuur, mensen, dieren en haar dagelijkse leven. Het liefst tekent ze met imperfecte lijnen en veel kleur.


















