Asset 14

Het model

 1

De hoofdpersoon in dit verhaal van Feico Sobel poseert op een doordeweekse avond naakt voor een schilderklasje in Spijkenisse. De sessie ontaardt in een bizarre erotische nachtmerrie waarin onze verteller zich totaal verliest.

Konijnenogen staren me glazig aan. Ik zit in mijn onderbroek op een houten kruk. Mijn kleren liggen opgevouwen op de houten vloer. Splinters prikken in mijn voetzolen. Het konijn grijnst, alsof de taxidermist niet kon kiezen tussen een knaagdier of een wezel. Naast het beest liggen sambaballen en vettige pruiken te midden van brillen en kledingstukken die alleen van heel behoeftige oude mensen geweest kunnen zijn. Het ruikt hier zoet. Naar een marinade of zoiets. Op de andere planken liggen tubes, kwasten, verfmessen, terpentine en grote stapels papier uitgestald. Ik trek mijn onderbroek uit. Ik had een badjas mee moeten nemen. Waarom heeft Mirjam me niet gewaarschuwd?

Vrouwenstemmen dringen door de houten wanden van mijn geïmproviseerde kleedkamer. Er was een Yvonne, een Margje en een Sandra (of Sandrien?), dames in driekwartbroeken, met grijze of donkerrood geverfde stekeltjes. Sommigen beginnen na hun eerste bevalling met verven, anderen doen dit al langer. Ze zeiden me dat ik me maar snel om moest kleden. Een melodieuze mannenstem informeert naar de koffiekoekjes. Twee uur staan en twintig minuten pauze voor achtentwintig en een halve euro per uur. Alleen mijn bril heb ik nog op. Wanneer ik hem afzet, wordt het konijn een vage vacht, samenklonterend met alle andere spullen, die zachtjes de kast uit sluipt. Ik zet mijn bril weer op en haal het haakje van de deur, die met een luide kraak opent.

‘Prachtig! Wat een opkomst! Duidelijk een toneelstudent. Kom verder jongen!’ De docent grijpt mijn hand en leidt me naar het podium, dat met twee bouwlampen is uitgelicht. ‘Dus jij wil je een avondje laten bekijken?’ Zijn bassende stem is volledig in overeenstemming met de zware baard boven zijn massieve buik. ‘Dames en heren,’ hij laat een pauze vallen, die de aanwezigen dwingt op te kijken, ‘ons model’. Er wordt geklapt. Iemand fluit. Ik glimlach naar het halfduister, waar de schildersezels al staan opgesteld. Mijn rechterarm wordt in een overwinningsgebaar opgetild, waarna ik (ik moet iets) een pirouette draai. ‘En danser,’ lacht de docent. De anderen joelen. ‘Paulus,’ zegt de docent introducerend, terwijl hij mij een klap op mijn schouder geeft. ‘Koffie?’

Ze hebben een paardendeken op het podium gelegd, die niet onaangenaam in mijn kontgat kriebelt. De elf cursisten staan nu verspreid door de ruimte achter hun schildersezels, zodat ze me van alle kanten kunnen bekijken. ‘Omhoog,’ zegt de docent terwijl hij een geopende hand opheft. Automatisch kom ik overeind. Hij houdt een penseel omgekeerd voor me, draait zijn hoofd naar links, kijkt rechts van het penseel. Hoewel de kwast me niet aanraakt voel ik hoe het hout mijn borst beroert. ‘Rechterarm omhoog. Hand op je achterhoofd. Elleboog iets naar buiten. Hoofd op. Meer. Blik op de balk.’ Hij wijst naar boven. ‘Zo houden.’ Hij draait zich naar de groep. Zijn uitleg is kort en zijn stem verdwijnt in een zacht mompelen van de cursisten, dat overstemd wordt door het krassen van potloden, schrapen van verfmessen en het slepen van vele kwasten.

Mijn blik rust op de balk hoog boven me. Koude vingers op mijn hoofd. Mijn vingers. Dan voel ik – of de geur was eerst, dat kan ook – een persoon, dichtbij. Koffieadem en een parfum dat me vaag aan iemand doet denken. Kriebel in mijn maagstreek. Misschien moet ze iets van dichtbij zien: kleur, of lijnen, schaduwen. Ik houd mijn ogen gericht op de balken en word vanaf die balk aangestaard door een zwarte kraai, die ook wel opgezet zal zijn. De cursiste houdt haar penseel voor mijn borst. Eerst horizontaal, dan verticaal. De kwast schittert in het lamplicht. Geen penseel, een mes. Ik kijk haar aan. Voor een verfmes zit er weinig verf aan. Koud staal. Ze glimlacht en knipoogt. Als we hier met zijn tweeën stonden, dan was dit het moment dat ze mijn geslacht had beetgepakt.

Ik draai weer naar de balk. De kraai wrijft zijn snavel door zijn veren. Stomverbaasd slaak ik geen kreet, omdat de kraai bijtijds knipoogt en ik mijn woorden inslik. ‘Wat denk je, Judith?’ Paulus staat naast haar. ‘De botstructuur is interessant,’ zegt ze. Haar stem is diep, rokerig. ‘Ik denk dat ik me richt op die botstructuur.’ Paulus wijst met de achterzijde van zijn penseel van mijn oksel naar mijn elleboog en vandaar naar mijn kruin. ‘Denk aan deze hoeken; daar moet je focus liggen.’ ‘Op die borst,’ buldert hij, terwijl het penseel tegen mijn rechtertepel tikt.

Als we hier met zijn tweeën stonden, dan was dit het moment dat ze mijn geslacht had beetgepakt

In de pauze zit ik op het podium, terwijl de cursisten kauwend en koffieslurpend door de ruimte drentelen. De paardendeken heb ik over mijn onderlijf heen geslagen. Judith staat nog achter haar ezel. Paulus reikt over haar schouder naar het doek. Zijn handgebaren en aanwijzingen gaan schuil achter het schilderslinnen. Judith steekt plots haar tong naar me uit. Ik draai snel weg. ‘Train je?’ De man van de koffiekoekjes zit naast me. ‘Mwah,’ zeg ik. ‘Het is te zien, hoor. Poseer je vaker?’ Ik schud mijn hoofd en mompel ‘eerste keer’. Judith blijft me vanachter haar schildersezel intense blikken toewerpen terwijl ze verf op het doek smeert. ‘Jasper,’ zegt de man. Ik knik. ‘Jij bent dus acteur?’ ‘Ik zit nog op de toneelschool,’ zeg ik. ‘Waar ben je mee bezig dan?’ ‘Reigen,’ zeg ik. ‘Een toneelstuk van Schnitzler.’ ‘Ken ik niet,’ zegt hij. ‘Is vast heel moeilijk.’ Na een monkelend lachje blijft zijn mond half open staan. Vlezige roze tong achter witte snijtanden. Ik probeer onder de paardendeken uit te komen, waar hij op is gaan zitten. ‘We hadden een poosje geen model. Dat is echt heel lastig.’ Weer die open mond. Misschien is het een tic. Ik knik. Een vrouw, Sandra, geloof ik, valt hem bij. ‘Zonder model werkt het niet. Stillevens zijn echt stomvervelend.’ Ze schuift aan mijn rechterzijde tegen me aan. Een ontblote schouder kleeft even tegen de mijne. ‘En die opgezette dieren natuurlijk ook,’ zeg ik. Ze glimlacht niet begrijpend mijn kant uit. ‘Ik zag een konijn in het verfhok.’ Ik knik naar de ruimte waar mijn kleren moeten liggen. ‘Oh ja?’ zegt Sandra geïnteresseerd. ‘Konijntjes, in het verfhok?’ Dan houdt ze ineens stil. ‘Jij hebt heel bijzondere ogen,’ roept ze. ‘Doe je bril eens af?’ Mijn bril gaat af, niet met mijn handen.

‘Allemaal kleine ijspegeltjes. Kom eens kijken. Zo mooi.’ Anderen drommen samen, hummen instemmend, met ‘ooh’ of ‘aah’ en steeds doemt iemand in mijn blikveld op – soms twee tegelijk, voor elk oog één. Ik kan niet zien wie van heel dichtbij in mijn ogen staart, mijn hoofd vastpakt en naar het licht draait voor een beter zicht. Een eigenaardige kleurenparade van kirrende gezichten, die schuin boven of links van het mijne bewegen. Ik kan hun wangen bijna aanraken met mijn neus. Hun stemmen zoemen. En ik moet me inhouden om niet als een kind te schateren van al dit verbale gekietel. Zacht blazen hun woorden boven mijn oogballen; hoe ze mijn wimpers aaien, mijn oogleden strelen. ‘Hoe doe je dat toch, die gekleurde ogen? Kunnen wij ze niet krijgen?’ Gelach uit vele monden. ‘Moeten we niet ook wat portretschetsen maken van dichtbij? Van héél dichtbij dan wel.’ ‘Denk dan wel om die botstructuur.’ Dat moet Judith zijn. Opnieuw gelach.

Dan zie ik tussen de gezichten en andere lichaamsdelen de hand die mijn brilmontuur vasthoudt. Ik gris het terug, terwijl ik een lompe uitval doe naar de schildersezels die in een halve cirkel om het podium staan. ‘Wat zijn jullie eigenlijk aan het maken?’ vraag ik. ‘We laten het lang niet altijd zien,’ sputtert de man van de koffiekoekjes, die hinderlijk in de weg loopt. ‘Ik ben gewoon verschrikkelijk nieuwsgierig,’ glimlach ik, terwijl ik een glimp van zijn werk probeer op te vangen. ‘Nee, alsjeblieft,’ smeekt hij, terwijl hij met gespreide armen voor me gaat staan. ‘Dit is echt heel ongemakkelijk.’ ‘Ongemakkelijk?’ lach ik. ‘Wie is hier nu naakt?’ Jasper kijkt naar de rest. Paulus stapt naar voren. Hij legt zijn handen op Jaspers schouders en begint ze subtiel te kneden. ‘Laat hem toch kijken, hij is nieuwsgierig.’ ‘Maar het werk is niet klaar,’ fluistert Jasper, die in Paulus’ handen een zachte kleine jongen wordt. ‘Dan draaien we de volgorde om,’ zegt Paulus, terwijl hij speels met zijn wijsvinger Jaspers neus aantikt. Dan richt Paulus zich weer op mij: ‘Ga maar kijken, junge Schauspielerin, wat ze van je gemaakt hebben.’

Kittig lachend, als een tweederangs actrice, huppel ik achter Jaspers schildersezel. Op het doek zijn roze lijnstukken getrokken, horizontaal en verticaal over een grote donkerrode vlek. Jasper kijkt weg. Hij steekt zijn handen in zijn broekzakken. ‘Toen iemand botstructuur zei, toen kon ik niet meer aan iets anders denken en heb ik mijn innerlijke stem gevolgd,’ zegt hij tegen Paulus, die bij wijze van antwoord een hand op zijn hoofd legt. De cursisten zwijgen. ‘Het is heel interessant,’ zeg ik, waarop iedereen opkijkt. ‘Ik bedoel, het contrast van de lichtroze lijnstukken met het donkerrood is heel… raak.’ Het blijft lang stil. De cursisten zijn dicht bij elkaar gaan staan. Iemand fluistert iets tegen Paulus, die driftig zijn hoofd schudt. Hij heft zijn rechterhand. Alle aanwezigen kijken naar de vloer. Na een korte stilte begint hij, traag en nadrukkelijk articulerend: ‘Kunst is voor ons een intuïtief proces. Wij geven geen woorden aan het werk dat we hier maken. Op het moment dat je het onnoembare in woorden probeert te vatten, maak je het klein, ongevaarlijk en onnozel. Probeer vooral te kijken. En niet te babbelen. Dan zie je meer.’ Ik slik een excuses in en knik gehoorzaam. Zonder kleding word ik me verschrikkelijk bewust van mijn handen, die ik niet in broekzakken kan steken. Ik zet een heel onhandige stap naar de volgende schildersezel, waar de cursiste, een stevige vrouw van iets in de vijftig, al uitnodigend een stap opzij zet om mij een blik op haar werkstuk te gunnen.

Gesmoord kerm ik mijn keelgeluiden in het kontgat om dan hikkend klaar te komen

In dikke klodders paarse plakkaatverf is een besneden kop op een dicht beaderd geslacht gekwast, dat weer aan een bleekwit onderlijf vastzit. Ik kijk naar de groengrijze aderen die her en der ontspringen op de lichtroze fallus en tel in gedachten tot tweehonderdeenenzestig. Dat lijkt me lang genoeg om door te gaan voor een aandachtige blik. Rechts van me staat een andere cursiste die schaterlachend opzij gaat en mij een soort anatomische studie laat zien van alle spierweefsels die schuilgaan onder de afgestroopte huid van een mannelijke torso. Ook hier tel ik zorgvuldig voordat ik doorloop naar een volgend doek waar een getrancheerd bovenbeen te zien is. Onwillekeurig bekijk ik het mijne en meen hier en daar moedervlekjes te herkennen op het doek. Paulus merkt verontschuldigend op dat het in de aard van de dilettant ligt om zonder de nodige voorbereiding, aanleg, of kunde zijn krachten te beproeven aan de laatste problemen der wetenschap en de hoogste opgaven der kunst. En terwijl ik die woorden door mijn hoofd laat spoken, loop ik door, in mijn kielzog gevolgd door de anderen, tot ik voor Judiths doek sta waar ik mijn hoofd herken, dat in een pijnlijk spasme geboren wordt in een bloederige kleurenmassa. ‘IJspegeltjes,’ krast Judiths rokerige stem. ‘Je moet diep in die ogen kijken om ze te kunnen zien.’

Ik neem mijn bril af
en nader het doek
zo dicht
dat mijn wimpers over het canvas
aaien, voorbij de irissen,
voorbij de ijspegels in
het zwart
van de pupil
tot het duister me volledig
opslokt.

Als ik mijn armen of benen wil bewegen blijken die verdwenen te zijn in de lichaamsopeningen van verscheidene cursisten. Ik ben onderdeel van één roze, zuigende, pulserende, amorfe lichaamsmassa. Alles kronkelt. Alles hapt, bijt en likt. Mijn hoofd kan ik niet bewegen; iets omklemt mijn nek. Geluiden glibberen langs mijn trommelvliezen. Alles hijgt, kwijlt en kietelt. Ieder is één. Eén in geilheid. Eén in dit samengevallen lichaam – dat ademt, en pompt: in en uit, met talloze harten tegelijk, dat duwt en trekt en duwt en trekt en waar een aanraking zoekraakt in talloze andere aanrakingen, die op hun beurt opgaan in nieuwe beroeringen van talloze lichaamsleden. Midden in deze worsteling bekruipt een ik, opgediept uit al die lichamen, plots een zacht zoemende paniek die uit zijn afwezige tenen omhoogschiet. Iets kouds en scherps glijdt zacht krassend over zijn balzak. Iets kouds schittert in het lamplicht, reflecteert op de talrijke tanden van evenzovele monden. Een ik wil gillen maar dan schuift een harige onderrug over mijn borst omhoog die het naar adem happende gezicht in zijn geheel bedekt. Gesmoord kerm ik mijn keelgeluiden in het kontgat om dan hikkend klaar te komen. Een mes schraapt over huid. Trancheert en verdeelt.

Wit licht. Mijn tong ligt los in mijn mond. Ik wil me oprichten, maar mis mijn linkerarm. ‘Blijf liggen.’ Een stem van ver en een voet die me neerdrukt en de lucht uit mijn longen perst. Spartelend duw ik mezelf op een elleboog omhoog. Mijn voeten krabbelen als insectenpoten over de houten planken van het podium. ‘Hij is zwak. Laat hem een beetje rondscharrelen.’ Het lukt me overeind te komen. Hoewel de ruimte verlicht is, kan ik zonder bril vorm noch kleur onderscheiden. Ik werp mezelf van het podium. ‘Hij valt!’ Gelach. ‘Bedankt! We zullen aandachtig kijken.’ Opnieuw gelach. Vocht op de vloer. Het plakt. Ik richt me op, maar omdat alles scheef staat, verlies ik mijn evenwicht. ‘Rustig aan, konijntje, je bent duizelig.’ Ik tast naar het geluid. Ik val. Mijn kop slaat het stof van de planken. Steeds wanhopiger tasten mijn vingers naar mijn brilmontuur. De linkerarm doet niet meer mee. Overal in mijn vel steken venijnige houtsplinters. Ik hijs me op mijn knieën en staar met halfdicht geknepen ogen in het licht. ‘Wil iemand me mijn bril teruggeven, alsjeblieft? Ik zie niks. Alsjeblieft, waar is mijn bril?’ vraag ik, smeek ik, huil ik, maar mijn lippen blazen enkel speekselbelletjes. Gelach om me heen. Ik sta op. Beheerst nu. Rustig ademend. Ik probeer terug te halen hoe ik binnengekomen ben. Tastend nader ik het einde van die kleurige muren, waar het trapgat moet zijn. Dan bots ik de treden af, sla door de deur en val plat op de stoep.

Achter me hoor ik gelach en gejoel. Een straatlantaarn verlicht mijn bleke lijf. En heel even vraag ik me af hoe dat nu dadelijk moet in de metro, nu alles – mijn kleding, mijn jas en bril – nog boven ligt en ik hier op deze stenen lig, naakt en bezeten. Het gestamp van tientallen voeten op de trap achter me verdringt die wankele gedachte om plaats te maken voor een andere – zo kraakhelder dat hij me bijna kalmeert: ze komen het karwei afmaken.
Ik struikel over straat. Achter me hoor ik roepen. Mijn voeten dwing ik te rennen. Rood en bloederig. Elke stap een stroomstoot. Misschien loop ik op mijn botstructuren. Het asfalt krast, kraakt en sopt. Mijn benen rijten de straten open. Klauwen steeds dieper de bodem in. Duistere huizen. Kale straten. Geen mens waagt zich buiten. Het geschreeuw zwelt aan, weerkaatst door het beton. Ik ploeg over de weg. De trambaan op. Vanuit mijn vleesklompen schiet plots een ijzige schok door mijn lijf die me doet opspringen. Een seconde lang hang ik in de lucht; een vederlichte prima ballerina: ik bedenk zwembewegingen die me hoger laten zweven, molenwiekend met mijn armen, tot ik met donderend geraas tussen de bielzen smak. Grind, tanden, sintels die door huid dringen; de smaak van bloed en bodem. En zo krankzinnig veel licht. Gevangen door alle straatlantaarns, zoeklampen en schijnwerpers van de wereld die me in een geelwit gaslicht opdienen aan de horde – hun schaduwen dansen voor hen uit. Huiverend verberg ik wat er van mijn gezicht rest. ‘Schauspielerin…, Schauspielerin,’ wordt er gefluisterd. Ze gaan met zachte tred nu – geen haast meer.

Mail

Feico Sobel (1977) geeft les, schrijft teksten en maakt theater. Onder KOMA-collectief schrijft hij theaterteksten samen met Bram Ieven. Het model is Feico’s eerste gepubliceerde verhaal.

Lucas Braak (die/diens) is een illustrator en vormgever die de thema's van seksualiteit, gender, menselijke relaties en de band van mensen en hun lichaam verkent. Met diens vrolijke kleuren en losse vormen hoopt die dat deze onderwerpen toegankelijker en gemakkelijker bespreekbaar worden, zowel met anderen als met jezelf.

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven
test
het laatste
Galatea 1

Galatea

Een bezoek aan een Airbnb aan zee blijkt ook een bezoek aan asfalt, beton en een cementfabriek te betekenen. Andrea Koll plaatst dit beeld in dit door haar zelf geïllustreerde, tweestemmige gedicht tegenover het beeld van de door Pygmalion uit ivoor gemaakte Galatea. Lees meer

:Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 2) 7

Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 3)

Hoe kun je poëzie ook anders ervaren dan via de bundel of op het podium? Tachtig studenten illustratie van de Rotterdamse Willem de Kooning Academie lieten zich inspireren door het werk van de dichters van het 54ste Poetry International Festival (6, 7, 8 en 9 juni in Rotterdam). Dat levert een verrassende verzameling nieuwe beelden op. Een dialoog tussen woord en beeld waarbij iedere tekenaar zijn eigen afslag nam. Lees meer

:Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 2) 6

Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 2)

Hoe kun je poëzie ook anders ervaren dan via de bundel of op het podium? Tachtig studenten illustratie van de Rotterdamse Willem de Kooning Academie lieten zich inspireren door het werk van de dichters van het 54ste Poetry International Festival (6, 7, 8 en 9 juni in Rotterdam). Dat levert een verrassende verzameling nieuwe beelden op. Een dialoog tussen woord en beeld waarbij iedere tekenaar zijn eigen afslag nam. Lees meer

:Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 1) 1

Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 1)

Hoe kun je poëzie ook anders ervaren dan via de bundel of op het podium? Tachtig studenten illustratie van de Rotterdamse Willem de Kooning Academie lieten zich inspireren door het werk van de dichters van het 54ste Poetry International Festival (6, 7, 8 en 9 juni in Rotterdam). Dat levert een verrassende verzameling nieuwe beelden op. Een dialoog tussen woord en beeld waarbij iedere tekenaar zijn eigen afslag nam. Lees meer

Zo beweegt ze niet

Zo beweegt ze niet

Ze had zich er grondig op voorbereid. Spotify-playlists, het juiste jurkje, en zelfs een plan voor gespreksonderwerpen. Maar nu, in de rij voor de club, voelt alles vreemd en ongepast. Een audioverhaal van Lakaver (Werner de Valk en Roderik Maes). Lees meer

De buschauffeur

De buschauffeur

'Kijk door me heen als door de voorruit'. In deze gedichtenreeks van Angelika Geronymaki probeert een buschauffeur krampachtig de kortstondigheid - in tijd, plaats, interactie - te behouden die eigen is aan zijn baan. Lees meer

Kür op muziek

Kür op muziek

”Onlangs las ik over wezentjes die alleen bestaan in de droom van een slapende vrouw.” Nelson Morus schreef een kort verhaal over geforceerde gezelligheid, chatbotgesprekken over lievelingsgerechten, hectiek en de alledaagse sleur. Lees meer

Zo het begon 1

Zo het begon

Nele Peeters schreef een ontroerend verhaal, vol treffende zinnen en beelden. Het is dromerig verhaal, over eenzaamheid, hoop, zorgzaamheid en zwaarte. Lees meer

Weke delen

Weke delen

Op de laatste dag van de zomervakantie bedenken vier vrienden een ultieme streek om ‘de Pedofiel’ in het dorp te leveren. Maar tussen Reinout en Jordan is iets anders aan de hand. Een coming of age- verhaal van Nelson Morus over vriendschap, angst, en schaamte. Lees meer

De kieuwbogen kleuren zalmroze

De kieuwbogen kleuren zalmroze

In de zomer van 2022 voltrok zich een milieuramp in de rivier de Oder. Honderdduizenden dode vissen dreven toen naar het oppervlak van de rivier. Emma Zuiderveen schreef een gedichtenreeks waarin ze de oorzaken en gevolgen van deze ramp op zowel individuele als collectieve schaal onderzoekt. Lees meer

De vrouw met de rode haren (ILY)

De vrouw met de rode haren (ILY)

Een verhaal van Ida Blom over de beklemming van verlies en herinnering en het zoeken naar het verleden in het heden. Lees meer

Roku City/heterotopie/spiegels

Roku City / heterotopie / spiegels

Mel Kikkert schreef een multimedia verhaal over Roku een streamingdienst die in de VS ontstaan is. In 2017 bracht Roku een screen saver uit, die je zag als je niets aan het kijken was op hun service. Lees meer

De sofaconstante

De sofaconstante

Uschi Cop schreef een claustrofobische verhalenbundel over zes levens die getekend zijn door een verlangen naar zingeving. De sofaconstante is een voorpublicatie van een van die verhalen uit haar bundel 'Zwaktebod'. Lees meer

Voesten

Voesten

"Misschien is dat man zijn hier: hetzelfde bewegen als de anderen." Voesten van Werner de Valk is een kort verhaal over een eiland met een duistere traditie en over het moeten bewijzen van mannelijkheid. Lees meer

Muze

Muze

Loren Snel schreef een roman over hoe samen te zijn met een ander en intussen trouw te blijven aan jezelf. Haar debuut verschijnt 25 oktober bij uitgeverij Prometheus. Hier lees je een voorpublicatie. Lees meer

Jari

Jari

Dave Boomkens schreef een verhaal over troosteloosheid, onmacht en opgroeien. Over hoe je in een treurig flatgebouw, tussen de nieuwsprogrammering en sportwedstrijden door, een vriend kunt vinden en verliezen. Lees meer

Geef de dag een naam

Geef de dag een naam

Op een hete zomerdag wordt Felipe zwetend wakker. Deze dag, die heet en broeierig is, brengt hem uit evenwicht, tot hij uiteindelijk doet wat hij gezworen had nooit te doen: hij begint te drinken. Een fragment uit de afstudeernovelle van Tiemen Hageman over het verleden proberen los te laten, het leven ruimte geven en adolescent worden. Lees meer

Tussen de randen van een aquarium

Tussen de randen van een aquarium

Wie ben je als je alles kunt zijn? In het fragmentarische afstudeerwerk van Ettie Edens veranderen mensen onder andere in een hoopje, een steen, een natuurkundedocent, water, iemand die limonade drinkt en een lantaarnpaal. Lees meer

Mycelium

Mycelium

Wat als schimmelsporen zich met iedere adem dieper in je longen graven? Met ‘Mycelium’ won Olga Ponjee de juryprijs van Het Rode Oor 2023, de erotische schrijfwedstrijd van Vlaams-Nederlands huis deBuren. Lees meer

Bösendorfer 1

Bösendorfer

Bij Snelders blinkt de piano van het poetsen en de handen van de vijftigjarige eigenaar zijn door ouderdom stram geworden. Wat gebeurt er als een twintiger op bezoek komt om de Bösendorfer te bezichtigen? Met ‘Bösendorfer’ won Nick De Weerdt Het Rode Oor 2023, de erotische schrijfwedstrijd van Vlaams-Nederlands huis deBuren. Lees meer

Steun Hard//hoofd en verzamel kunst!

Hard//hoofd is een vrije ruimte voor nieuwe schrijvers en kunstenaars. We zijn al dertien jaar gratis toegankelijk en advertentievrij. Zo’n vrije ruimte is harder nodig dan ooit. Steun de makers van de toekomst; sluit je vóór 1 juli aan als kunstverzamelaar en ontvang in juli een unieke print van Hanane El Ouardani!

Word kunstverzamelaar