Asset 14

Terug in de tijd

Rutger schreef onlangs over de tijd waarin hij verhuisde naar het lelijke Berlijn. Nu het vervolg. We gaan terug in de tijd, naar zijn jeugd en nog wat verder.

Berlijn was als Doornroosje, die honderd jaar slaapt terwijl buiten haar kasteel de wereld door draait. Andere Europese hoofdsteden hadden zich ontwikkeld tot flitsende metropolen, waar het leven nauwelijks betaalbaar was en altijd op de rand van een nieuw tijdperk geleefd werd. In Londen ging het leven zo snel dat je niet eens tijd had om kleren aan te doen voordat de dag alweer voorbij geracet was. In Berlijn had de tijd stilgestaan, en gingen de seconden nog steeds traag voorbij. Het was een vreemde uitzondering in het Europa van de eenentwintigste eeuw. Maar tegelijk liep Berlijn voor op tal van gebieden – muziek, mode, kunst – juist vanwege die achterstand. Door het ontspannen levenstempo en de lage huren trok het talloze vrijdenkers aan, bij wie in andere steden door de onzichtbare hand van de vrije markteconomie de strot afgeknepen zou zijn.

Dit kwam natuurlijk door de vreemde en treurige voorgeschiedenis. Duitsland werd pas in 1871, na de gewonnen Frans-Pruisische Oorlog, officieel een eenheid. Vervolgens was het land de aanstichter van twee wereldoorlogen, waarna het als strijdveld voor de Koude Oorlog diende. Als je alleen de Duitse vredesjaren telde, bestond Berlijn pas 80 jaar. Toen in 1989 de Muur viel, werden twee steden één, waardoor alles op z’n kop werd gezet. Neem mijn wijk Kreuzberg. Deze buurt was tijdens de Koude Oorlog verpauperd omdat het in West-Berlijn precies naast de afscheiding lag, maar nu was dit plotseling een centraal punt in de stad, met spotgoedkope huisprijzen. De grote drang naar vrijheid en feesten viel ook te verklaren door de vele trauma’s die de inwoners te verduren hadden gehad: het was een decennialang uitgesteld orgasme.

Dan was er de ruimte, die eveneens een ellendige oorzaak had. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Berlijn meerdere malen gebombardeerd, en in de laatste fase van de oorlog vormde de stad het toneel voor grondgevechten met de Russen. In 1945 was zo'n 70% van de stad verwoest, en keerden slechts 2,8 miljoen van de oorspronkelijke 4,3 miljoen inwoners terug naar hun huizen. Nog steeds zie je in bijna elk huizenblok de gaten van de gebombardeerde panden. Na de oorlog werd de stad verdeeld in een Franse, een Amerikaanse, een Engelse en een Russische sector, maar al snel escaleerde de spanning tussen de Geallieerden en de Sovjet-Unie, zodat er sprake was van de bekende verdeling tussen Oost en West. Tussen 1949 en 1961 vluchtten zo’n 2,6 miljoen mensen van de DDR naar de Bondsrepubliek, waar de economische omstandigheden gunstiger waren. Berlijn, dat in de DDR lag, vormde een geheime doorgang naar een betere wereld, een doorn in het oog van de Russen. Zodoende werd in de nacht van 12 op 13 augustus (een zondag) zonder aankondiging een blokkade opgeworpen, die in de weken daarna tot een betonnen Muur zou uitgroeien. Mensen die in de buurt van de grens woonden, werden uit hun woning gezet. De gebouwen werden gesloopt of voor militaire doeleinden gebruikt. Zodoende was de stad vol wonden en littekens.

Tijdens mijn tijd in Berlijn was de stad nog lang niet opgebouwd; overal stonden hijskranen bewegingloos op financiering te wachten. De chaotische geschiedenis werd afgespiegeld in de stadskaart, waar hypermoderne gebouwen naast slooppanden stonden en de straten onlogisch in elkaar over gingen. Soms hield een wijk opeens op en stond je aan de rand van een stedelijke krater. Het was niet moeilijk om een woning te vinden; er woonden nog steeds minder mensen dan aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De gemeente had een opvallende oplossing voor de grote leegstand en open plekken bedacht: Zwischennutzung, oftewel tussengebruik. Zolang er voor een bepaalde locatie geen concrete plannen waren, mochten buurtbewoners of kleine ondernemers er iets van maken, tegen een kleine huurprijs. Zo ontstonden er in de gebombardeerde of verlaten leegte speelplaatsen, volkstuinen, clubs en cafés. Het vliegveld Tempelhof werd na een lange strijd tussen investeerders en buurtbewoners opengesteld voor publiek, zodat Berlijners over kilometerslange landingsbanen konden wandelen, een unieke leegte midden in de stad.

Ook in de bestaande stadsbouw en architectuur was overal rekening gehouden met de menselijke behoefte aan ademruimte, of Lebensraum zoals een in Berlijn gestorven kunstschilder dat zo mooi noemde. Er was gekozen voor relatief hoge gebouwen aan brede straten: van de communistische Karl-Marx-Allee tot de commerciële Kurfürstendamm. Alle woningen werden gekenmerkt door hun ruime trappenhuizen en hoge plafonds. In het benauwde stadsdorp Amsterdam kon je geen stap in het centrum zetten zonder een bekende tegen te komen, hier kon je fijn anoniem dwalen zonder maar een mens te zien. Internationale studentes vertelden me met een gelukzalige blik dat ze dat ze voor het eerst zonder make-up hun huis uit durfden. Omdat het grote oppervlak van Berlijn door relatief weinig inwoners bevolkt werd en voor die groep een enorm uitgaansaanbod bestond, was er bovendien sprake van een prettige spreiding. In Amsterdam stond een goed nieuw café na twee weken al stampvol, hier kon je in de hipste bar met je armen zwaaien zonder je zorgen te maken over de testikels van je buurman. De bekende uitgaans-paranoia, waarbij je je voortdurend afvraagt of je wel op het leukst mogelijke feest bent, bleef ook achterwege. Geconfronteerd met zo'n ruime keuze, leek elke poging tot beheersing van je lot onzinnig en onnodig.

Lokaal 16

Mijn liefde voor Berlijn lag niet in de lijn der verwachtingen, omdat ik ben opgegroeid met een vanzelfsprekende hekel aan Duitsland. Mijn ouders meden het land zoveel mogelijk (waardoor we op weg naar Italië op een achterlijke manier via Frankrijk omreden) en spotten op het strand meteen de Oosterburen die weer bezig waren met het graven van een kuil. Ik herinnerde me vaag de beelden van Ronald Koeman en Ruud Gullit, die in 1988 na de gewonnen halve finale van het EK hun billen met de shirts van de Duitse tegenstander afveegden. De Duitse voetballers stonden nog steeds symbool voor de lelijke hardheid van een volk en haar taal. Lothar Mathäus. Michael Ballack. Bastian Schweinsteiger. De Duitse zinnen en woordjes die ik kende, kenmerkten de schijnheiligheid van de moffen: Schwalbe. Wir haben es nicht gewusst.

Mijn leraar Duits op de middelbare school bevestigde dit beeld. Meneer Grasland was een kleine gedrongen man, halverwege de veertig, met kortgeknipt haar op zijn kalende hoofd. Hij droeg een montuurloze bril, een leren aktetas, een tweedjasje en soms een hoed. Hij was van de oude stempel, zou je kunnen zeggen. Zijn lessen werden gekenmerkt door het ritme en de autoriteit van een ervaren docent, waarbij hij de touwtjes stevig in handen hield. Een vriend van mij was bijvoorbeeld altijd erg druk in de les. Bij Grasland moest hij aan een apart tafeltje op het podium zitten, met zijn bovenlichaam plat op tafel. Hij stond dan uit. Wanneer er een bepaalde naamval aan de klas gevraagd werd, drukte Grasland op een denkbeeldige knop op zijn bureau waarmee hij mijn vriend weer aan zette. Deze schoot overeind en zei: ‘Die KindER spielen mit ihrEM Vater!’ Waarna hij weer levenloos op het tafelblad neerviel. De mooiste Duitse woorden moesten we klassikaal reciteren, waarbij Grasland als een dirigent met zijn vinger heen en weer zwiepte. ‘Imbissstube. Eins, zwo, drei!’ ‘IMBISSSTUBE.’ Een woord met drie S’en achter elkaar, dat lees je niet vaak.

Grasland was ongetwijfeld een leraar met goede bedoelingen, maar in deze periode zat er een beetje venijn in zijn stijl. Hij had steeds minder geduld voor de grote balorigheid van mijn onhandelbare klas, en gaf bijna elke week een onverwachtse overhoring. De verrassing was er al snel van af en de banken in zijn lokaal 16 stonden permanent uit elkaar. Ik begon een hekel aan hem te krijgen, maar bleef misschien wel juist daardoor goed de lessen voorbereiden en haalde prima cijfers.

Op een dag in de derde klas deelde Grasland de beoordeelde proefwerken uit, maar ik werd overgeslagen en in plaats daarvan gesommeerd om na de bel bij hem te komen. De rest van de les staarde ik angstig naar de klok, die tergend langzaam zijn rondes maakte. Na afloop meldde ik me bij zijn bureau. Hij keek me aan en zei: ‘Je hebt je proefwerk niet ingeleverd.’ Het zweet brak me uit; ik was zeker niet de braafste leerling, maar dit zou ik nooit doen. ‘Je hebt nu een 1,’ vervolgde hij, ‘Maar je haalt goede cijfers, dus als je voor de rest een 8 gemiddeld blijft staan, schrappen we die 1.’ Ik ging trillend naar huis en vertelde het verhaal. Dit was koren op de molen van mijn ouders, klassieke rechtvaardigheidsstrijders. Zij stuurden lange gewichtige brieven naar de school en belden met de ouderraad, de decaan, de conrector en de conciërge.

Ik was doodsbang voor lokaal 16. Een week na het incident zette Grasland me opeens op de gang om het proefwerk opnieuw te maken. ‘Viel Erfolg,’ baste hij me toe. ‘Moederskindje,’ las ik in zijn minachtende blik. Ik weigerde de pen op te pakken, tot zijn grote woede. Na een lange strijd werd er een datum geprikt om de toets over te doen. Na dat jaar keerde Grasland niet terug. Hij was overspannen.

Illustratie:Lisa-Marie van Barneveld

Drie jaar later volgde ik Duits-2, waarbij de inspiratieloze lerares me nog veel meer ergerde dan de discipline die in de tweede klas op ons drukte. Grasland was al een tijdje terug van zijn verlof en een deel van mijn klasgenoten volgde hetzelfde vak bij hem. Ze waren unaniem enthousiast, en nadat ik een keer illegaal zijn les had bijgewoond, vroeg ik meteen om overplaatsing. Er leek iets van hem afgevallen. De combinatie van zijn sarcastische, met baritonstem uitgesproken grappen en zijn grote toewijding aan het overbrengen van de stof maakten zijn les onweerstaanbaar. Er heerste orde, maar die werd met pretoogjes opgelegd. Hij had een heel prettige dynamiek met de leerlingen gevonden. We waren allemaal wat ouder geworden.

Ik keek uit naar de blokuren in lokaal 16, de enige momenten waarop ik echt deed wat op school de bedoeling was: in stilte mijn werk doen. Soms zette Grasland muziek van Wagner op om onze arbeidsethos te stimuleren. De melodramatische achtergrondmuziek vormde een vreemd maar verrassend prettig contrast met ons droge huiswerk. Hij had voor een aantal van ons een bijnaam; ik was ‘het journaille’ omdat ik bij de schoolkrant zat. ‘Dames en heren, laten we wel op onze woorden passen: het journaille is aanwezig,’ zei hij dan. Ons favoriete onderdeel was poëzie, waarbij Grasland met veel liefde Rilke en Goethe voorlas en ons geduldig de betekenissen uitlegde. Het was een van de weinige keren in mijn leven dat mijn medeleerlingen en ik onze luiheid vergaten en oprechte interesse in een vak toonden. Een goede leraar, dat maak je niet vaak mee.

Toen we in de vijfde klas op Romereis waren, ging Grasland mee als begeleider. In Pompeii was het snikheet. Mijn vrienden en ik hadden de gewoonte opgevat om in de Italiaanse supermarkt om de hoek van ons verblijf potten olijven te kopen, om daar gedurende de dag uit te eten. Ik bood Grasland een olijf aan, en hij ging op het aanbod in. ‘Die zou ik niet nemen, daar zit een beetje uitslag op,’ zei ik. Maar Grasland stak het ding al in zijn mond, kauwde en zei: ‘Het is wel een lekkere uitslag hoor.’ ‘Ja,’ zei ik, gretig op zoek naar een grap, ‘5-0 meneer Grasland. Echt een lekkere uitslag, 5-0.’ Hij keek me quasigeschokt aan en fluisterde: ‘Rutger, dit is de Romereis! Dit is niet het moment om over een stijve lul te beginnen.’ Met een kleine glimlach liep hij weg, ons verbijsterd achterlatend. Even later stond ik tegen een tweeduizend jaar oude pilaar geleund, toen er een rijke Italiaanse man met zijn dertig jaar jongere vrouw voorbij kwam. De dame werd nauwelijks bedekt door de smalle strook roze stof die een jurk moest voorstellen, en strak om haar lijf gewikkeld zat. Ik staarde haar na. Plotseling hoorde ik de stem van Grasland in mijn oor: ‘5-0 Rutger; 5-0.’ Ik keek om en zag de kleine man wegwandelen, met een vrolijk hupje in zijn tred.

Porselein

Op een dag in ons eindexamenjaar las Grasland het gedicht Todesfuge van Paul Celan voor. Hij doet dit elk jaar, en vertelde me later dat hij altijd weer zenuwachtig is, de avond van tevoren. Het gedicht herhaalt beelden uit een concentratiekamp in verschillende variaties, als een muzikale fuga. Het kamporkest, de gravende gevangenen, de melk die zwart is van de crematierook, de lucht met ruimte voor de doden, de bewaker die aan zijn geliefde schrijft, het gouden haar van Margarete, het veraste haar van Sulamith.

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen
Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland.’ Het is van een hypnotiserende, hartverscheurende schoonheid. Nadat Grasland het gedicht had voorgelezen, bleef het lange tijd doodstil in de klas.

Tijdens mijn eerste maanden in Berlijn moest ik vaak aan Grasland denken. Het Duits is heel geschikt om bevelen te blaffen, maar ook voor poëzie. Bovendien waren er nauwelijks mooie vrouwen te vinden, en als ze er al waren, verborgen ze zich onder vele lage winterkleding. Van '5-0' was geen sprake. Elke keer als ik een boekwinkeltje betrad, vroeg ik in mijn beste Duits of ze een bundel van Paul Celan hadden. Maar omdat ik nog niet goed durfde, mompelde ik het zinnetje binnensmonds. ‘Was sagen Sie?’ vroeg de boekverkoper. ‘Paul Celan.’ ‘Ah, ich habe noch etwas, glaube ich.’ Verheugd volgde ik hem door zijn zaak. Helemaal achterin haalde hij een boekje over porselein tevoorschijn.

Dit is een voorpublicatie uit Rutgers essaybundel, die in februari 2015 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
Dit is het tweede van vier delen. Wordt dus vervolgd. Eerste deel gemist? Het is hier te lezen. Snak je naar meer? Kijk dan hier voor deel 3.

Mail

Rutger Lemm is schrijver, grappenmaker en scenarist. In 2015 verscheen zijn debuut, 'Een grootse mislukking'. Hij is een van de oprichters van Hard//hoofd.

Lisa-Marie van Barneveld is editorial illustrator. Ze houdt van korte deadlines en moeilijke onderwerpen. Haar geheime superkracht is meer verf op haar handen/kleren/tafel/kat krijgen dan op het papier.

Verzamel kunst en steun ons
of word magazine abonnee

Sluit je aan

Wil je meer Hard//hoofd?
Meld je aan voor een nieuwsbrief!

Schrijf je in
test
het laatste
Lucifers

Lucifers

‘Het begon met een gat, een gat in de zon.’ Terwijl de opa van Jung-hoo blind wordt, verdwijnt de zon langzaamaan uit de lucht. Met deze alternatieve geschiedenis duikt Siep Hendriks in de commercialisatie van het leven, de mens en diens karakter. Lees meer

Auto Draft 24

Een caleidoscoop van verlangen

‘De zoektocht naar een gemeenschap gaat door. Een gemeenschap die mijn caleidoscopische zijn kan accepteren, waarin ik niet hoef te kiezen tussen delen van mezelf, waarin ik niet exotisch, verdund of onverenigbaar ben.’ In dit essay beschrijft Rocher Koendjbiharie welke moeilijkheden hij ondervindt in zijn levenslange zoektocht naar een gemeenschap waarvan hij zich volwaardig onderdeel kan voelen. Lees meer

Eat the rich! Or get eaten?

Eat the rich! Or get eaten?

‘Munch Musk’, ‘bite Bezos’ of ‘suck Zuck’? Stijn Voogt onderzoekt hoe ook aan kapitaalkritiek flink geld verdiend kan worden. ‘Eat-the-rich-films wakkeren geen honger naar verandering aan, maar lijken deze vooral te stillen.’ Lees meer

Bubbel

Bubbel

‘Ik probeer te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.’ Tijdens een schrijfresidentie in Parijs verkent Leonore Spee de spanning tussen identiteit, verlangen en lichamelijkheid. Het wordt een zoektocht naar het overbruggen van afstand – tussen mensen en steden, liefdes en labels, gedachten en ervaringen, en hoofd en lijf. Lees meer

Vlindereffect

Vlindereffect

Een wapenfabriek is van nature een harde, troosteloze plek, maar zo kleurrijk als in dit verhaal, heb je het nog nooit gezien. Drie dystopische levens komen samen rondom een fabriek, waardoor de donkerte van de oorlogsindustrie feilloos bloot komt te liggen. Fester Vogels geeft ons drie perspectieven op een vlijmscherpe ontwikkeling, kritisch en tegelijkertijd zó beeldend dat het aan je scherm wil ontsnappen. Lees meer

De stilte (is niet het antwoord)

De stilte (is niet het antwoord)

Stilte. Sinds Marthe van Bronkhorst die zelf niet meer kan horen, luistert ze er heel anders naar. Echte stilte is zeldzaam in ons leven, of lijkt dat maar zo? In delen van mijn oor is het stil. Na een ongelukje deze zomer zijn de trilhaartjes beschadigd. Dat hoor ik niet, want het lichaam overcompenseert daarvoor... Lees meer

Meehuilen met ijskruid

Meehuilen met ijskruid

‘We zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken.’ Lisanne Brouwer laaft zich aan (theater)kunst met voedsel in de hoofdrol en neemt je mee in de manieren waarop kunstenaars ecologisch bewustzijn aan de eettafel creëren. Het blijkt een ontdekking van zowel verlangen als walging. Lees meer

De gisting

De gisting

Mara van Herpen vertelt het poëtische en surrealistische verhaal van Toni. Hen werkt in een broodfabriek en begint daardoor te gisten en te schimmelen en verandert in… Ja, in wat eigenlijk? Lees meer

We moeten vaker synchroon dansen

We moeten vaker synchroon dansen

‘Ik betrap mezelf erop dat het moeilijk is hoopvol te zijn in deze tijden, soms voelt het zelfs verkeerd.’ Toch vindt Loïs in haar column ruimte voor hoop. Niet door ons terug te trekken, maar door ons uit te spreken én elkaar te vinden. Minder polarisatie, meer synchronisatie. Lees meer

Soms mis ik mijn handen

Soms mis ik mijn handen

‘Soms mis ik de magnetron / soep uit blik / ingevroren aardappels in partjes.’ Middels essay en poëzie illustreert Martijn van Bruggen met stekende precisie het verband tussen voedsel en klasse en wat het betekent je aan te moeten passen naar hiërarchisch geladen verwachtingen. Lees meer

Moeder van een mislukt idee

Moeder van een mislukt idee

‘Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt?’ Roosje van der Kamp voelt een grote noodzaak om iets blijvends te creëren, maar komt niet verder dan vluchtig neergepende fragmenten in haar notities. In dit essay onderzoekt ze – naast de vraag of ouderschap eventueel een valide, tweede optie is – haar worsteling met het professionele schrijverschap. Lees meer

Auto Draft 23

we verbleven in ledikanten / in het huis met zeventig kinderen

'Dat ik gil in een vreemde taal / elke moedertaal breekt zonder bekenden.' Wat voor sporen laat het na als je je moedertaal verliest? Waar blijft de taal en hoe verhoudt je je tot je eigen identiteit na gedwongen migratie? In dit gedicht vangt Bożena Kacica de rouw en de vervreemding die volgden. Lees meer

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

In de media wemelt het van oorlogstaal. Marthe van Bronkhorst laat zien hoe je de frames kan herkennen: 'Sterf je liever terwijl je je verdedigt of passief?' Lees meer

Denkbeeldige ruimte

Denkbeeldige ruimte

In dit essay onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe schrijven een ruimte opent waarin kwetsbaarheid, verbinding en saamhorigheid zichtbaar worden. ‘Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent.’ Lees meer

Meneer Ouka en de streep

Meneer Ouka en de streep

'‘Het gaat over uw kabouter,’ zegt meneer Ouka.' En dat doet het: in dit verhaal verheft Makki Aimar een niet-lachende tuinkabouter tot het glinsterende middelpunt van zijn verhaal. Waar ieder ander een tuinkabouter niet eens zou zien staan, lijkt het voor de hoofdpersoon in dit verhaal een metafoor voor zingeving te worden. Met dit verhaal won Makki Aimar de schrijfwedstrijd 'Door de ogen van Palomar', georganiseerd door uitgeverij Cossee en Hard//hoofd. Lees meer

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

Brengt tijdelijke onthouding van kleding, koffie en verjaardagscadeaus ons dichter bij een koopwoning? Of is het enkel in onze dromen dat een financiële detox grote, blijvende veranderingen weet te bewerkstelligen? Loïs Blank vraagt zich af wat er buiten beeld raakt wanneer we ons verliezen in de survival van No Spend September. Lees meer

:Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen 2

Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen

Lam Ngo was vierentwintig toen hij vluchtte uit een ideologisch verscheurd Vietnam. In dit essay vertelt hij hoe hij weer leerde luisteren naar de pijnlijke en lang verzwegen herinneringen, hoe het was om in Nederland opnieuw te moeten beginnen en over de blijvende band met zijn geboortestad Saigon. ‘Want pas als we zien wat er verzwegen is, kunnen we echt luisteren.’ Lees meer

 1

pantser / piertotum locomotor

In deze twee gedichten van Roan Kasanmonadi kijken we naar een aflevering van Kamp Van Koningsbrugge, leren we onszelf op te rollen als pissebedden, en vliegen de zwaarden, harnassen en kikkers je om de oren. Lees meer

Het weefsel van geheugen

Het weefsel van geheugen

Vanaf de jaren zestig strijdden avant-garde kunstenaars Ana Lupas en Magdalena Abakanowicz tegen het vooroordeel dat textiel alleen decoratief kan zijn. Sander Bortier laat zien dat hun verwantschap verder gaat dan het innovatieve gebruik van het materiaal dat mede door hen van betekenis verschoof, van traditioneel naar subversief. Vezels werden drager van een stille taal: een vertaling van menselijke kwetsbaarheid binnen een collectieve orde. Lees meer

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Tessy Ouwens kreeg op jonge leeftijd te maken met onrealistische schoonheidsidealen en dit leidde tot een strijd met haar eigen lichaam en zelfbeeld. Onverwachts was het de islam en het bedekken van haar lichaam, dat haar uit deze strijd hielp. ‘Met mijn hoofddoek op, voelde mijn lichaam voor het eerst weer als de mijne.’ Lees meer