In ons collectieve geheugen lijkt er weinig plaats voor moeders* die na de bevalling lijden aan depressieve gevoelens: deze verhalen ondermijnen het klassieke beeld van het moederschap als een roze wolk. Gelukkig brengen steeds meer vertellingen nuance aan, waarbij de vraag rijst in hoeverre we als maatschappij verantwoordelijkheid dragen voor de eenzaamheid die kersverse moeders kan overvallen.
De afgelopen jaren is er meer en meer ruimte gekomen voor minder positieve gevoelens over het moederschap. Van vrouwen die sterk twijfelen of deze rol hen wel gelukkig maakt tot moeders die openlijk toegeven spijt te hebben van hun keuze: in het publieke debat lijkt voor steeds meer verschillende stemmen een plek.
Samen vormen die geluiden een meer dan welkome nuancering van het moederschap als roze wolk, zonder enige ruimte voor tegenslagen of negatieve emoties. Ook als jonge vrouw zonder kinderwens voel ik mij gesteund door mensen die vraagtekens zetten bij het kerngezin als onaantastbaar ideaal.
Een type vrouw dat – ongewild – misschien wel het hardst tegen dat heilige huisje aan schopt, is de moeder die lijdt aan postpartum depressie, in de volksmond ook wel postnatale depressie genoemd – een benaming die tekenend genoeg niet de nadruk legt op de moeder, maar op het kind. Wie lijdt aan dit type depressie, voelt zich in de weken of zelfs maanden na dit moment vaak somber en lusteloos, kent weinig tot geen moedergevoelens en ervaart mogelijk negatieve emoties tegenover haar pasgeboren baby.
Iedereen depressief
Lastig genoeg worden verreweg de meeste moeders in de eerste dagen of weken na de bevalling soms overvallen door zulke gevoelens. Niet zo vreemd, als je bedenkt dat je eerst negen maanden lang het grootste deel van je energie in de productie van een kinderlichaam hebt gestoken en dat vervolgens in een vaak uren-, of zelfs dagenlange perssessie op de wereld moet zetten, met alle pijn, slapeloosheid en voedseltekorten van dien – om nog niet eens te spreken over de veranderingen die het moederlichaam tijdens de overgang van zwanger naar niet-zwanger doormaakt. De komst van een kind verandert het leven bovendien ingrijpend, daar kan geen enkele yogaworkshop of pufcursus je op voorbereiden.
De niet-perfecte moeder staat in onze samenleving nog altijd gelijk aan een heks.
Het roept de vraag op wanneer je als kersverse moeder de grens overgaat van zeer verklaarbare lusteloosheid – zogenoemde kraamtranen – naar een daadwerkelijke depressie – een diagnose die na tien tot vijftien procent van de bevallingen wordt gegeven, terwijl het werkelijke percentage van vrouwen dat eraan lijdt waarschijnlijk nog hoger ligt.
Met die vraag hield de Griekse arts Hippocrates zich al in 700 voor Christus bezig. Hij beschreef toen dat vrouwen in zijn praktijk emotionele problemen ondervonden na de bevalling. Toch kreeg de postpartumdepressie pas in 1994 een officiële plek in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Dat gat valt mogelijk te verklaren door de verminderde aandacht voor het welzijn van de vrouw in het algemeen, die in het verleden liever werd weggezet als hysterisch en minder snel tot in detail werd onderzocht.
Wanneer we minder ver teruggaan in de tijd, zoals Elizabeth Sankey in haar documentaire Witches (2024), treffen we het stereotype van de heks aan: de vrouw die eeuwenlang werd verguisd vanwege haar afwijkende gedrag, of dat nu depressief, zwakzinnig of juist bovenmatig intelligent was. In dit filmessay vertelt Sankey het persoonlijke verhaal van haar eigen postpartum depressie, waarvoor ze na een maand – midden in de coronapandemie – werd opgenomen op een psychiatrische afdeling. Aan de hand van talloze fragmenten uit films als The Wizard of Oz, Rosemary’s Baby en Jane Eyre en interviews met lotgenoten toont ze de stigmatisering waaronder vrouwen met zulke klachten gebukt gaan. De niet-perfecte moeder staat in onze samenleving nog altijd gelijk aan een heks.
Lastig te vatten
Van oudsher was voor culturele uitingen over postpartum klachten weinig plek. Waar het aantal informatieve boeken over het onderwerp geleidelijk groeit, lijkt het vatten van deze ervaring in fictie nog steeds ingewikkeld. Een van de eerste literaire werken die het onderwerp expliciet behandelen, is The Shutter of Snow (1931) van Emily Holmes Coleman, dat zich afspeelt in de negentiende eeuw; we kijken door de ogen van een moeder die na de geboorte van haar zoon in een psychose belandt en wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ook een andere postpartumklassieker, The Yellow Wallpaper (1980) door Charlotte Gilman Perkins, gaat over een vrouw die waanzinnig wordt na de geboorte van haar kind. Ook zij wordt door het negentiende-eeuwse medische systeem – en haar niet-begrijpende partner – op inadequate wijze behandeld. Beide schrijvers baseerden de boeken op hun eigen ervaringen.
Nederlandse lezers zullen wellicht als eerste denken aan De gelukkige huisvrouw (2000). De eveneens deels autobiografische debuutroman van Heleen van Royen gaat over de jonge, welvarende Lea, die na een onplezierige zwangerschap en helse bevalling dusdanig in de war raakt dat ze moet worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ook in deze roman spelen mannen een weinig helpende rol: Lea’s partner is nauwelijks thuis en haar vader, zo blijkt tijdens sessies met haar psychiater, gedroeg zich vroeger thuis als een tiran, waardoor Lea een trauma opliep.
Wie niet gelukkig was met haar kind, moest worden genezen, en soms zelfs aan het oog van de buitenwereld worden onttrokken.
Maatschappij kijkt weg
Lange tijd werden de depressieve gevoelens van vrouwen na de bevalling, kortom, niet goed begrepen. Wie eraan leed, werd zonder pardon weggestopt in een inrichting of op een andere manier in behandeling genomen. Wie niet gelukkig was met haar kind, moest worden genezen, en soms zelfs aan het oog van de buitenwereld worden onttrokken. Daarbij was het vaak de man die het fenomeen onderzocht, niet begreep, probeerde weg te poetsen of zelfs negeerde, en was de vrouw overgeleverd aan zijn – vaak beperkte – kennis en ervaring.
Gelukkig bieden boeken die de afgelopen jaren verschenen een genuanceerder beeld. Een invloedrijke stem binnen dit debat is Lucy Jones, wier Moederteit (2024) aandacht vraagt voor de eenzaamheid waarmee moeders te kampen hebben. Het is niet de schuld van de moeder dat zij depressief wordt, maar van de samenleving, stelt zij. Nieuwbakken moeders worden onvoldoende ondersteund in de transformatie die zij ondergaan. In plaats daarvan worden ze geïsoleerd van de sociale cirkels waarin ze zich eerder begaven en krijgen ze torenhoge eisen over het moederschap aangepraat, waaraan ze onmogelijk kunnen voldoen.
Bovendien werkt Moeder Natuur lang niet altijd mee. Onderzoek laat zien dat de hersenen van vrouwen tijdens de zwangerschap significant krimpen, waardoor het fenomeen baby brain of zwangerschapsdementie ontstaat. Verder wordt bevallen anatomisch gezien een steeds onprettigere exercitie: in de loop van de tijd zijn mensen steeds slimmer geworden, waardoor de omvang van hun hoofden is gegroeid – niet zo handig wanneer je een baby door een toch al niet zo riant geboortekanaal naar buiten moet persen. Daarbij helpt het niet dat op bevallen via andere wegen, zoals via een geplande keizersnede, nog steeds een taboe rust.
Toch lijkt in ons collectieve beeld van bevallen voor al die veranderingen en onhandigheden nog steeds weinig plaats. Zo gaat van alle boeken over zwangerschap en de periode daarna slechts 0,8 procent over het herstel van het lichaam van de moeder na de bevalling. Daardoor ontstaat bij kersverse moeders het onterechte idee dat het aan hen ligt dat ze zich slap, futloos of zelfs suïcidaal voelen.
Ruimte voor nuance
Gelukkig worden we de laatste jaren steeds vaker geconfronteerd met verhalen die nuance aanbrengen. Op filmgebied deed Tully (2018) veel stof opwaaien: Charlize Theron – die maar liefst 25 kilo aankwam voor de rol – speelt een uitgebluste moeder, die na de komst van kind drie de zorgrol niet meer kan opbrengen. Gelukkig is er verlichting in de vorm van een jonge, bevallige nanny, die haar met name tijdens de slapeloze nachten ontziet – maar natuurlijk blijkt aan deze engelachtige verschijning ook een keerzijde te zitten.
Minstens net zo eerlijk is Pieces of A Woman (2020). Hierin worstelt Vanessa Kirby zich na een dramatisch verlopen thuisbevalling door een juridische aanklacht tegen de in gebreke gebleven verloskundige. Iconisch is de openingsscène van deze film, die in één take van 24 minuten de steeds verder escalerende bevalling vastlegt. Ook in deze films ontvangen de vrouwen weinig steun vanuit hun omgeving: ze staan er, op wat ingehuurde krachten na, goeddeels alleen voor.
Ook The Lost Daughter (2021), een verfilming van Elena Ferrantes roman De verborgen dochter (2006), is in deze context het vermelden waard. We volgen een oudere vrouw, gespeeld door Olivia Colman. Haar zomerse solovakantie aan het strand krijgt een duistere wending naarmate ze meer en meer geobsedeerd raakt door een jonge moeder en haar kind, die continu in de buurt rondscharrelen. Hun verschijning brengt herinneringen naar boven aan de tijd dat ze zelf een kind moest opvoeden, en haar partner het jammerlijk liet afweten. Ook hier voelen we tijdens de flashbacks mee met een moeder die probeert een carrière als schrijver op te bouwen terwijl kindlief maar blijft doorjengelen en vingerverf in de gordijnen smeert.
Een gebrek aan ruimte voor goede gesprekken en intimiteit drijft hen bij elkaar vandaan, met nog meer eenzaamheid tot gevolg.
Zonder filter
Ook in literaire fictie wordt in toenemende mate aandacht gevraagd voor de moeilijke periode die op een bevalling volgt. Neem bijvoorbeeld Als de dieren (2025) van Lieselot Mariën, over een vrouw die na de geboorte van haar kind zoekt naar houvast: hoe overleeft ze de dagen vol onophoudelijk gehuil en de nachten die steeds worden onderbroken door verplichte voedingsmomenten? Zonder filter beschrijft Mariën alle twijfels en onzekerheden: hoe kun je, hallucinerend door slaapgebrek, nog inschatten of je wel voor jezelf of een ander kunt zorgen? En was het krijgen van dit kind überhaupt een goed idee?
De postpartum depressie blijkt voor Mariën een ervaring die zich het beste in een collagevorm laat vatten – sterker nog: de passages zwerven regelmatig sterk links en rechts uitgelijnd over de pagina’s, alsof de beschreven gedachten, weggedrukt in de marges, er bijna niet mogen zijn. Ook in het gekozen perspectief valt Als de dieren experimenteel te noemen: regelmatig beschouwt de ik-figuur zichzelf van buitenaf. Ze ziet een vrouw die ze tegelijkertijd wel en niet herkent: iemand die in haar huis rondloopt, haar kleren draagt, en schijnbaar moeiteloos de moederrol vervult. Het moederschap leidt tot opsplitsing, tussen een ideaal en de weerbarstige werkelijkheid.
Al die onwelkome gevoelens hebben ook hun weerslag op de relatie tussen de ik-figuur en haar partner Hannes. Hoe begripvol hij ook probeert te zijn, voor hem zijn de depressieve gevoelens van zijn partner zo mogelijk nog lastiger te begrijpen dan de ervaring van het moederschap zelf. Een gebrek aan ruimte voor goede gesprekken en intimiteit drijft hen bij elkaar vandaan, met nog meer eenzaamheid tot gevolg.
Mariën maakt knap invoelbaar hoe vervreemd je als nieuwbakken moeder kunt raken van je lichaam en je leven, en hoe sterk de behoefte kan zijn daaruit te ontsnappen. Voor mij persoonlijk is het een opluchting dat deze gevoelens, anders dan in de eerder genoemde romans van vijftig tot honderd jaar geleden, niet direct worden gemedicaliseerd. In Als de dieren worden alle angstige gevoelens rondom het moederschap niet weggestopt, maar juist geëtaleerd – en dat zorgt er hopelijk voor dat vrouwen met dezelfde emoties zich minder eenzaam voelen.
Vervuld van spijt
Een andere recente roman waarin de postpartumdepressie een rol speelt, is Tussenjaren (2025) van Yannick Dangre. Daarin krijgt, verrassend genoeg, niet de moeder, maar de vader het leidende perspectief toebedeeld. Aan het woord is zestiger Charles, die terugblikt op zijn huwelijk met Sylviane, de moeder van zijn dochter Claudia. Na een liefdesrelatie met hoge pieken en diepe dalen liet zij haar man en kind achter met niets dan een brief met de belofte om elkaar drie decennia later terug te zien in Napels.
Waar de roman vooral lijkt te draaien om de vraag of Charles en Sylviane elkaar na dertig jaar inderdaad op die plek zullen terugzien, werd mijn interesse vooral getrokken door het verhaal van een jonge moeder vervuld van spijt. Sylviane wordt als jonge vrouw door velen begeerd: ze geniet van de aandacht die ze krijgt wanneer ze in weinig verhullende outfits op de dansvloer ronddartelt. Het liefst zoekt ze de vrijheid op in lange nachten, eindeloze vakanties en soms zelfs escapades met andere mannen.
In dat leven past een kind niet bepaald, zou je kunnen voorspellen, en dat klopt: wanneer Charles en Sylviane zich samen toch wagen aan het ouderschap, krijgt Sylviane al gauw spijt. Steeds vaker oppert ze het idee om samen hun dochter te verlaten voordat ze de leeftijd van vier bereikt, hopend dat Claudia zich later niets van haar ouders en deze noodlottige gebeurtenis zal herinneren.
Door mannelijke ogen
Dangre vertelt dit verhaal zuiver door de ogen van het mannelijke personage, en biedt zo inzicht in de ervaring van de man die moet toezien hoe zijn vrouw door depressieve gevoelens wordt verteerd. Ook in Tussenjaren overheerst uiteindelijk het onbegrip: in vlagen van pure verliefdheid is Charles soms geneigd Sylviane’s gedachtenkronkels te volgen. Totdat hij weer bij zinnen komt en beseft hoe krankzinnig het voor hem is om hun dochter achter te laten en samen met zijn vrouw een nieuw leven op te bouwen in Berlijn, alsof niemand hen ooit heeft gekend. Ook voor de lezer blijft het daardoor lastig te begrijpen wat Sylviane drijft, en blijft ze een weinig diepgravend personage, dat vooral uitblinkt in wispelturigheid.
Het is weinig opbeurend dat in veel van de genoemde verhalen het onbegrip tussen moeder en vader nog steeds een leidmotief is. Daarin is in al die tientallen jaren blijkbaar nog steeds schrikbarend weinig veranderd: de jonge moeder loopt eenzaam met haar depressieve gevoelens rond en vindt weinig steun bij haar omgeving. De hoop is dat de groeiende alomtegenwoordigheid van verhalen over de schaduwzijde van het prille moederschap helpt deze kloof te overwinnen: alleen zo ontstaat uiteindelijk hopelijk een realistisch beeld van wat we van moeders – en vaders – mogen verwachten.
* Waar we in dit artikel over ‘moeders’ spreken, bedoelen we alle mensen die een kind kunnen baren, bij gebrek aan een ander woord dat deze groep representeert.
Anne Louïse van den Dool is schrijver en cultureel communicatieprofessional. Ze publiceerde de dichtbundels \\\'Wij zijn uitgeweken\\\' en \\\'Ontbindende voorwaarden\\\' en de romans \\\'Achterland\\\' en \\\'Vluchthaven\\\'. Ze schrijft essays en recensies voor onder meer NRC, Vrij Nederland en het Literatuurmuseum.
Fien Rijks is sinds november 2024 beeldredacteur bij Hard//hoofd. Als illustrator werkt ze graag met analoge media zoals gouache en acryl, en probeert daarbij zo min mogelijk digitale aanpassingen te doen. Ze houdt van felle kleuren en vrolijke onderwerpen, maar werkt ook graag aan serieuze stukken. Naast haar werk als illustrator, beeldredacteur en boekontwerper, werkt ze als boekverkoper in Utrecht.
















