Tussen marmeren goden en mythologische meesterwerken in de tentoonstelling 'Metamorfosen' ziet Nina Läuger vooral een pijnlijk gebrek aan context. Ze vraagt zich af waarom het Rijksmuseum geweld, misogynie en verkrachting in klassieke kunst toont zonder die beelden echt vanuit het heden te bevragen.
In het Rijksmuseum is momenteel de tentoonstelling Metamorfosen te zien. Dankzij een bijzondere hoeveelheid bruiklenen, in samenwerking met belangrijke partners als Galleria Borghese, zijn er indrukwekkende topstukken uit de kunstgeschiedenis naar Amsterdam gehaald. Wie een beetje bekend is met de kunsthistorische canon, ziet de iconische werken van Titiaan, Correggio of Magritte zo voor zich. Dat veel van de kunst die pakweg vanaf de late middeleeuwen is gemaakt bol staat van misogynie, is inmiddels geen groot nieuws. De afgelopen halve eeuw is door feministische kunsthistorici hard gewerkt om dat besef gemeengoed te maken. Maar dat het Rijksmuseum anno 2026 deze verzameling verkrachtingsverheerlijkende werken praktisch zonder hedendaagse contextualisering aan het publiek tentoon weet te stellen, liet me – op z’n zachts gezegd – ontzet de tentoonstelling verlaten.
In de tentoonstelling gaat het over gedaanteverandering, wat tevens de leidraad vormt in De Metamorfosen, het bekendste werk van Ovidius. Het epos verhaalt over hoe goden, stervelingen, nimfen en dieren met elkaar omgaan. Het zijn mythes die we allemaal kennen: Medusa’s blik die mensen tot steen doet veranderen, Daphne die een laurierboom wordt, Jupiter die zich als zwaan vermomt. De Metamorfosen zijn al duizenden jaren een inspiratiebron voor kunstenaars, tot op de dag van vandaag. Maar ook al werden in de tijd van Ovidius (het dichtwerk werd tweeduizend jaar geleden geschreven) mythes als verzinsels gepresenteerd, speelden ze desalniettemin een grote rol in het verhaal over maatschappelijke normen en waarden, of wat het überhaupt betekent om mens te zijn – en die creërende macht hebben mythologieën overigens nog steeds. In het mythologische werk liggen de ontvoeringen, achtervolgingen en verkrachtingen voor het oprapen – het lijkt wel het hoofdthema van de bundel. En dat geldt vervolgens ook voor de tentoonstelling in het Rijksmuseum, anno 2026.
Niet-wederzijdse liefde, versiertips en de Romeinse Andrew Tate
Ik wil vooral stilstaan bij het taalgebruik en de keuzes die vanuit het museum gemaakt zijn om te schrijven over het geweld dat in deze werken wordt afgebeeld. Laat ik beginnen bij hoe Ovidius, de schrijver van de grote inspiratiebron van al deze werken, zélf wordt neergezet door het Rijksmuseum in de eerste zaal: Ovidius is de ‘gevierde dichter van de liefde’, gevolgd door de erkenning dat ‘die liefde zelden wederzijds is’. Niet-wederzijdse liefde klinkt voor mij als het lopen van een blauwtje – iedereen heeft het weleens meegemaakt, erg vervelend natuurlijk. Maar Ovidius schiet in het geval van niet-wederzijdsheid van die zogenaamde liefde te hulp met zijn door het Rijksmuseum benoemde ‘speelse gids in verleiding’. Geïnteresseerd in die eeuwenoude verleidingsbijbel doe ik thuis wat onderzoek naar de versiertips die Ovidius aan mannen heeft weten te verspreiden. Ik lees onder andere het volgende: ‘bedenk dat iedere vrouw veroverd kan worden’; ‘gebruik zacht geweld tegen haar’; ‘kies het juiste moment’. In het derde deel van zijn grote verleidingsboek worden – gelukkig maar – ook vrouwen van versiertips voorzien: ‘simuleer zo nodig een orgasme’; ‘camoufleer je onvolmaaktheden’; ‘kijk vrolijk en niet somber’, en ‘word niet boos’. Ik weet dat het qua vrouwenrechten hard vooruit is gegaan de afgelopen 2000 jaar, maar alsnog klinkt Ovidius in mijn ogen meer als een met een tijdmachine reizende voorganger van Andrew Tate dan als een eervolle schrijver van een ‘speelse gids in verleiden’. Verleiden? What the fuck eigenlijk – o nee, shit, oeps, ik mocht niet boos worden.
Voor wie het verhaal van Apollo en Daphne was vergeten, hier het wandtekstje bij een prachtig wandtapijt van Clemente Maioli (1625 - 1671), waarin Daphne vlucht, haar voeten al tot wortels vervormen en Apollo haar tevergeefs probeert vast te grijpen:
Apollo achtervolgt de nimf Daphne, die op het laatste moment verandert in een laurierboom. Zo redt haar vader Perneüs haar van de verliefde zonnegod.
In mijn hoofd herschrijf ik de wandtekst:
Daphne wordt gestalkt door Apollo, ondanks dat ze niets met hem te maken wil hebben. In de patriarchale wereld waaruit deze mythen zijn ontstaan, blijkt een gedaanteverandering de enige manier om aan dit geweld te ontsnappen. Geweld dat Daphne wordt aangedaan omdat ze ‘te mooi’ zou zijn. Daphnes vader besluit zich niet tegen haar achtervolger te keren, maar maakt Daphne het slachtoffer van de situatie door haar in een laurierboom te veranderen. Zij kan niet meer terugveranderen. Op die manier ‘redt’ hij haar zogenaamd van een stalkende zonnegod. Is dit een mythologie over femicide?
De Ontvoering van Europa (1643) van Jacob Jordaens is het volgende werk waar ik tegenaanloop. Voordat ik gezichten herken, zie ik vooral een berg van goed uitgelichte borsten en billen. Daarna zie ik pas de stier met een meisje op zijn rug. Ze lijkt jong, een jaar of zestien misschien. Jacob Jordaens koos ervoor om het moment vlak voor de ontvoering te schilderen en ‘creëerde zo een spanningsveld tussen spel en dreiging, tussen vertrouwen en onraad’, aldus het Rijksmuseum. Sinds wanneer is ontvoering een spanningsveld tussen ‘spel en dreiging’? Voor welke ontvoerde was een ontvoering ooit iets speels?
Ik draai me om en lees de wandtekst over Europa die dus door Jupiter in de gedaante van een witte stier wordt ontvoerd. De originele tekst van Ovidius wordt geciteerd, en ik lees over hoe ‘Jupiter zijn buit naar volle zee droeg’. De tekst gaat verder met:
In Ovidius’ Metamorfosen nemen liefde en macht vaak dezelfde gedaantes aan: goden verleiden, verkrachten of betoveren stervelingen naar hun wil.
Wacht even – macht die ‘dezelfde gedaante aanneemt’ als de liefde, en dus ergens een beetje hetzelfde is? Dit is het moment dat de hele tentoonstelling voor mij meer begint te voelen als een groot epos – niet over liefde, maar over het versluieren, romantiseren en indirect goedpraten van verkrachting, ontvoering en pedofilie.
Jupiter, de god van de verkrachting
In de zaal die vernoemd is naar Jupiter zien we verbeeldingen van gedaanteveranderingen die deze machtige opperlord heeft ondergaan om een grote rij aan vrouwen te verkrachten. ‘Jupiter’s’ liefdes, wordt deze zaal doodleuk genoemd, refererend aan een serie schilderijen waar ik later nog op terug kom. Naar mijn idee was ‘Jupiter’s wandaden’ een geschiktere titel geweest voor de verzameling van werken in deze zaal. Ook in deze zaal wordt door het Rijks weer ongebreideld de nadruk gelegd op het verleiden, het spel en de begeerte, in plaats van op dat wat er daadwerkelijk gebeurt. Ik citeer:
In Ovidius’ Metamorfosen neemt de oppergod Jupiter vele gedaanten aan om vrouwen te verleiden: een wolk om Io te misleiden, een regen van goud om Danaë te bezwangeren, een zwaan om Leda te benaderen.
De manier waarop verkrachting hier wordt gehuld in een taalkundige sluier vind ik bijna knap: ‘verleiden’, ‘misleiden’, en – toch wel mijn favoriet – ‘benaderen’.
Zijn liefdes zijn zelden teder – vaak zijn ze overrompelend en eenzijdig.
Ik loop door. Er schieten flarden van de Epstein-files te binnen, met details van de – niet zo tedere – kinderverkrachtingen en femicides die daarin beschreven worden. Is dit soort taalgebruik niet precies de manier waarop daders hun eigen daden goed weten te praten, door het te beschrijven als eenzijdige, overrompelende liefde?
Vol ongeloof kijk ik naar een schilderij van Correggio, die een ontblootte Danaë heeft afgebeeld (1531). Het meisje lijkt een jaar veertien te zijn en staat op het punt verkracht te worden door Jupiter. Als toeschouwer word ik bijna gedwongen om vanuit die rape gaze me ook aan dit kind te willen vergrijpen. Want laten we eerlijk zijn: niemand kan zo’n meisje toch weerstaan? Ook hier lijkt de wandtekst van het Rijksmuseum stilzwijgend toe te stemmen met deze esthetisering van het aankomende geweld:
Verveeld ligt Danaë op haar bed. Ze is door haar vader opgesloten in een toren, om te voorkomen dat ze zwanger zou raken. (…) Een elegante Amor en twee kleine liefdesgodjes verraden wat Danaë boven het hoofd hangt: Jupiter, in de vermomming van een gouden regenwolk, die haar zal bezwangeren.
Het ‘verveelde’ meisje wordt afgebeeld alsof ze alvast klaar is gaan liggen met haar benen verlekkerd gespreid, in jeugdige onschuld, wachtend op Jupiter. De deken wordt tegen haar zin van haar heupen afgetrokken om haar als het ware gereed te maken voor wat er staat te gebeuren. De toeschouwers van dit zich bijna voltrekkende spektakel wacht niets anders dan het voelen van deze spanning tot het moment suprême: de verkrachting. Corregio heeft er zelfs op subtiele wijze voor gekozen om drie witte regendruppels te schilderen, precies bungelend boven de plek waar de vulva van het meisje zou zitten.
Het verlekkerend weergeven van het moment net voor de verkrachting van een door haar vader opgesloten kind is blijkbaar voor meer schilders een inspiratiebron geweest – en speciaal voor deze tentoonstelling door het Rijksmuseum bij elkaar gebracht. De Nederlandse schilder Hendrick Goltzius gaf zijn schilderij (1603), waarop Danaë zich niet ‘verveelt’ maar duidelijk aan het slapen is, wat mij betreft een passendere titel: De slapende Danaë gereedgemaakt voor Jupiter.
Ik denk aan Gisele Pelicot, wier interview in het Volkskrant Magazine ik diezelfde ochtend las. Ze beschrijft hoe ze in het politiebureau apart wordt genomen, en te horen krijgt dat haar man in hechtenis is genomen vanwege verkrachting met behulp van verdovende middelen. Ze krijgt ter plekke foto’s te zien waarop ze zichzelf herkent, roerloos liggend in hun eigen bed. Jarenlang heeft hij haar gedrogeerd en vreemde mannen het huis binnen gelaten. En hij filmde alles. Ze ziet op de foto’s hoe niet alleen haar eigen man, maar tientallen vreemde mannen haar groepsverkrachten. In de publieke rechtszaak zijn alle eenenvijftig mannen terechtgesteld.
Ik wandel terug naar de wandtekst over deze zaal met Jupiters ‘liefdes’, in de hoop iets van context te lezen. Na de liefdes ‘eenzijdig en overrompelend’ te hebben genoemd, gaat de tekst – enigszins kritisch – verder door het ‘donkere patroon’ aan te tonen dat achter deze ‘niet-wederzijdse liefdes’ schuilt en dat vrouwen in deze mythes toch wel vaak het onderspit delven omdat zij metamorfoses ondergaan zonder hun oude gedaante terug te kunnen nemen, terwijl de goden straffeloos hun gang gaan. ‘Zo laat Ovidius’, aldus het museum, ‘zien dat macht en verlangen vaak hand in hand gaan en gedaantewisseling ook een verlies van stem kan betekenen’.
Waarom lijkt het Rijksmuseum Ovidius met verzachtende zinnen af te willen schilderen als een soort grote rechtvaardigheids-schrijver? Waarom lijkt een kritische noot zo ver te zoeken?
Voor alle verkrachtingen die in deze zaal worden afgebeeld en de manier waarop hierover is geschreven, lijkt het eerder alsof het museum met dit zacht uitgedrukte zinnetje over het ‘mogelijke verlies van een stem’ olie op de golven giet. Zeker aangezien diezelfde wandtekst wordt geopend met het volgende citaat van Ovidius’ hand:
‘O meisje, Jupiter waardig, jij die iedere mand
in je bed gelukkig zult maken,
kom naar de schaduw van de hoge bossen’
Hoe kan het dat het Rijksmuseum, na wat er de afgelopen tien jaar allemaal aan het licht is gekomen over hoe diep onze maatschappij doordrongen is van verkrachtingscultuur, op deze manier een tentoonstelling neer weet te zetten? Waarom lees ik geen reflectie in de wandteksten waarin aangekaart wordt dat mannelijke kunstenaars (en hun opdrachtgevers) deze mythologieën ook gebruikten om hun verkrachtingsfantasieën op het doek letterlijk tot leven te willen wekken? Hoe moeilijk is het om kunstenaars en schrijvers uit de geschiedenis te waarderen, maar tegelijkertijd voor bezoekers hun misogyne fantasieën te bekritiseren?
Werk van vrouwelijke makers geeft ruimte om te ademen
Het Rijksmuseum heeft ook werk van vrouwelijke makers in de tentoonstelling opgenomen, zoals Birth (Gunpowder Works) van Ana Mendieta, die overigens op haar 36e door haar partner uit het raam is geduwd — niet een onbelangrijk gegeven in het licht van deze tentoonstelling waarin ‘liefde en macht dezelfde gedaante aannemen’. Verder is het bronzen spinnenbeeld van Louise Bourgois een heuse blikvanger in de zaal over Arachne en de kunst van het weven. Ook het videowerk van Juul Kraaijer weet ik te bewonderen, hoewel het voor mij niet echt weerstand biedt aan de kwestie van Medusa en de misogynie die in deze mythe en de werken eromheen vervlochten is. In de zaal waar het driedelige videowerk hangt, benoemt het museum naast een schild met het hoofd van Medusa uit 1870 zelfs dat zij uitgroeide tot symbool van de MeToo-beweging, wat betekent dat er bewust voor is gekozen hier toch wél eventjes het heden te benoemen – wat het des te schrijnender maakt dat dit in de gehele tentoonstelling verder niet gebeurt.
Het enige werk wat voor mij echt een ander verhaal vertelt, staat in de laatste zaal. Het is het beeld We Once Were One (2022) van Femmy Otten. De uit hout gesneden, krachtige vrouwelijke figuur is het middelpunt; niet van geseksualiseerde onschuld of geësthetiseerd geweld, maar simpelweg van zichzelf. ‘Uit de ruwe stam van een lindeboom verrijst een nieuw beeld van vrouwelijkheid. Dit is een vrouw die zichzelf niet toont. Zij is niet bezig met de blik van een ander. Ze is er gewoon,’ aldus Femmy Otten geciteerd in de tentoonstellingstekst. Het is een prachtig werk, en ik kan even ademhalen. Maar in deze context voelt het werk van Otten als een institutioneel vijgenblad; een klein feministisch pleistertje in de laatste zaal dat het verkrachtingsfestijn van de hele tentoonstelling probeert goed te praten.
Het Rijksmuseum kiest er binnen deze tentoonstelling voor om eeuwenoude misogyne patronen, onder de noemer van 'topkunst' en 'meesterwerken', zonder context te representeren en normaliseert daarmee de blik van de verkrachter. In de huidige tijd, waarin de manosfeer welig tiert en de diepe verworteling van verkrachtingscultuur in de maatschappij steeds schrijnender aan het licht komt, zou het een instituut als het Rijksmuseum sieren om ook deze hedendaagse realiteit in de tentoonstelling te verwerken. Als invloedrijke kunstinstituten zoals het Rijksmuseum deze verantwoordelijkheid niet nemen, zijn zij wat mij betreft geen onschuldige bijstander, maar dragen ze actief bij aan het reproduceren van rape culture. Dat kunnen we ons in deze tijd echt niet meer veroorloven.
Nina Läuger (zij/haar, 1993) is beeldend kunstenaar en de adjunct-hoofdredacteur van Hard//hoofd. In haar werk versmelten realiteiten tot intieme droombeelden en collages, die altijd vertrekken vanuit de drang naar lichamelijke autonomie. Als ze schrijft, is dat vaak met een politiek verontwaardigd randje.
Fien Rijks is sinds november 2024 beeldredacteur bij Hard//hoofd. Als illustrator werkt ze graag met analoge media zoals gouache en acryl, en probeert daarbij zo min mogelijk digitale aanpassingen te doen. Ze houdt van felle kleuren en vrolijke onderwerpen, maar werkt ook graag aan serieuze stukken. Naast haar werk als illustrator, beeldredacteur en boekontwerper, werkt ze als boekverkoper in Utrecht.
















