Asset 14

Een lelijke kutstad

Eigenlijk leren sprookjes ons dat ware schoonheid er uiteindelijk best toe doet. Rutger woonde een jaar in Berlijn en ontdekte dat het anders zit. Een vierluik.

Guten Morgen Berlin
Du kannst so hässlich sein, so dreckig und grau
Du kannst so schön schrecklich sein
Deine Nächte fressen mich auf

-Peter Fox, Schwarz zu Blau

Echte schoonheid zit vanbinnen, zo werd mij als kind geleerd. Leraren, ouders en kinderboeken probeerden me allemaal dezelfde les mee te geven: je moet voorbij de eerste indruk durven te kijken, dan vind je de echte schatten. Deze nobele strijd tegen de menselijke oppervlakkigheid werd echter niet altijd even overtuigend gevoerd. Met name de tekenfilms van Disney, een belangrijke bron van levenslessen tijdens mijn kinderjaren, waren verwarrend.

Toen ik vijf jaar oud was, zag ik met mijn familie in Tuschinski de film Belle en het Beest (1991). Het verhaal was een goed voorbeeld van de nadruk op inhoud. De mooie Belle wordt opgesloten in het kasteel van het Beest, een edelman die dankzij de vloek van een tovenares in een afzichtelijk monster veranderd is. Het personeel, bestaande uit pratende theekopjes en kandelaars, stelt Belle op haar gemak en langzaam ontdekt ze de zachte kanten van de kasteelheer. Er ontstaat een onwaarschijnlijke romance. Maar als Belle aan het eind van de film haar liefde aan het stervende Beest opbiecht, verandert hij in een knappe prins. Ze trouwen en leven nog lang en gelukkig. Blijkbaar was de boodschap: je moet niet op uiterlijk af gaan, dan krijg je in ruil daarvoor iemand met een heel mooi uiterlijk.

Een jaar eerder had ik zittend in de pluchen stoel nog gezien hoe prins Erik er niet om gaf dat de sexy Ariël niet eens kon praten – zolang ze maar benen had en geen staart (De Kleine Zeemeermin, 1989). In De Klokkenluider van de Notre Dame (1996) werd de klassieke roman van Victor Hugo zo aangepast dat Quasimodo uiteindelijk grootmoedig accepteert dat de wulpse zigeunerin Esmeralda verliefd is op kapitein Phoebus (de macho die haar in het boek alleen maar inpalmt omdat hij een one night stand wil).

Uit tal van onderzoeken blijkt dat bijna niemand zich aan de eerste indruk kan onttrekken. Mooie mensen verdienen meer, leven langer en vinden eerder een levenspartner. Lelijke kinderen krijgen eerder straf dan hun aantrekkelijke klasgenoten, die vaak ook intelligenter zijn. Onbewust beoordelen we voortdurend andere mensen op hun genetische geschiktheid voor ons nageslacht. De evolutie is keihard en geeft niets om karakter. Disney’s moraal weerspiegelt onze ambivalentie: we willen wel minder oppervlakkig zijn, maar het lukt gewoon niet.

Ongewassen bedelaar

De eerste keer dat ik Berlijn bezocht, viel me vooral op hoe onverzorgd deze stad was. In mijn eigen woonplaats Amsterdam trok vier keer per dag een borstelwagen door de straat (begeleid door een team van vier mannetjes die met ouderwetse heksenbezems de boel nog eens goed aan kant veegden), werd elk grassprietje met een liniaal en een nagelschaartje bijgepunt en stofte de burgermeester persoonlijk elke ochtend alle grachtenpanden af. Daarmee vergeleken was Berlijn een vuilnisbelt. Overal lagen bierflessen, sigarettenpeuken en plastic zakjes, de parken leken nauwelijks onderhouden en in de metro stonk het naar Duitse pis. Amsterdam was een rijke, knappe prins, Berlijn een ongewassen bedelaar.

Rond treurige metrohaltes met toepasselijke spuugnamen als Kottbusser Tor hingen talloze bleke junkies. Door het raam zag ik verlaten fabrieken aan de oever van de Spree; hun roestkleur vormde een canvas voor tal van graffitileuzen. Starre flatgebouwen, ontworpen door plezierloze architecten, herinnerden aan het leven in de voormalige Deutsche Deprimierende Republik. De lucht leek permanent grijs te zijn en er viel een sarrende miezerregen. Mijn ongezond ogende medepassagiers staarden met lege blikken voor zich uit. Natuurlijk waren er in het centrum van Berlijn ook indrukwekkende bouwwerken uit de glorietijd van de negentiende eeuw te vinden, maar in de buitenwijk waar mijn vrienden woonden maakten de grauwe kleuren en raamloze huizen suïcidale gedachten in mij los. Dit was het doembeeld van de verloederde Grote Stad, het verhaal waarmee ouders in dorpen hun kinderen thuis proberen te houden.

Op de tweede dag van mijn bezoek dwaalde ik door het Deutsches Historisches Museum, terwijl ik interesse veinsde voor de hutkoffers, borstbeelden, schilderijen en harnassen. In Amsterdam was ik aan mijn studie geschiedenis begonnen, maar zonder al te veel overtuiging, waar ik me stiekem diep voor schaamde. Ik was naar binnen gegaan uit een vaag soort academisch plichtsbesef, zodat ik een foto van een harnas op Facebook kon zetten, en mijn docenten goedkeurend op ‘vind ik leuk’ konden klikken. Gelukkig werd ik afgeleid door een sms’je van een van mijn vrienden. Of ik het oké vond als we die avond met een paar kennissen zouden gaan barbecueën? Het weer was opgeknapt en blijkbaar had dat ook in Duitsland een extatische zonaanbidding tot gevolg. Ik zag er tegen op om een avond met vreemden door te brengen, maar ik wilde ook geen Spielverderber zijn. Bovendien was ik op reis, waarbij je soms geen andere keus hebt dan je over te geven aan het onbekende.

Illustratie:Lisa-Marie van Barneveld

Die avond reden we met de S-bahn naar Oost-Berlijn. We verlieten de bewoonde wereld: naarmate de tocht vorderde, zag ik steeds minder huizen en steeds meer lege industrieterreinen. Ostkreuz was onze bestemming, een metrostation dat zo vervallen was dat het net zo goed de halte voor Tjernobyl had kunnen zijn. Op dit spookstation krioelde het desalniettemin van de reizigers, vooral jongeren. Midden tussen de onlogisch opgestelde perrons zagen we een klein omahuisje met kanten vitrage voor de ingegooide ramen, waar waarschijnlijk de wolf op Roodkapje lag te wachten. Het leek alsof het daar voor de grap was gebouwd, of dat dit het laatste overblijfsel was van het dorp dat ruim baan moest maken voor de metrolijn. Daar stond onze gids. Hij had een leren jasje aan en droeg het soort zonnebril dat ik herkende van oude foto’s van mijn ouders. "Herd", zei hij, toen ik zijn hand schudde. Hij was Nederlands en lachte om mijn verbaasde blik. "Mijn ouders wilden me naar hun lievelingsdier vernoemen, maar tegelijk niet te zweverig zijn. Vandaar de ‘d’." Herd zat op een kinderfietsje, dat hij als een soort step gebruikte en waarmee hij rondjes reed op de stoffige weg, om de geïrriteerde metrogangers heen. "Volg mij!" riep hij.

We namen een weg die langs het spoor liep, sloegen af op een pad tussen de struiken, klommen over een hek en betraden een van de industrieterreinen die ik onderweg had gezien. In de verte hoorde ik een repetitieve bastoon, wij gingen recht op dat geluid af. De muziek, waarvan ik later zou leren dat het minimal techno heette, werd steeds duidelijker hoorbaar. Voor ons lag een pakhuis waar een spoor voor goederentreinen doorheen liep, al jaren ongebruikt. Herd schoof een deur open en wij betraden het feest. Er lag vlees op een barbecue, een DJ werd door een grote generator voorzien van stroom, en overal in de ruimte stonden mensen te dansen of te eten. Het was alsof ik tot een geheim genootschap was toegetreden, zoals in films over Peter Pan of Harry Potter. De camera glijdt in slow motion langs de bewoners van deze nieuwe wereld, een enkeling heft zijn glas als welkomstgebaar, een ander kijkt nog wat vijandig naar de nieuweling, de ogen van de hoofdrolspeler glinsteren en zijn begeleider slaat hem bemoedigend op de schouder: "Welkom… In je nieuwe thuis."

Ik kreeg een bordje met vlees en een grote fles bier. Al snel raakte ik aan de praat met vijf Esten, waarvan eentje elektronische muziek maakte onder de naam Soviet Robot. Ik luisterde geïnteresseerd, vooral omdat ik het meisje dat naast hem stond heel mooi vond. Toen ik eenmaal met haar in gesprek was, kreeg ik het voor elkaar dat ze haar e-mailadres op mijn hand schreef. Dankzij haar vage handschrift en mijn zweet zou ik de dagen erna de miljoenen mogelijke interpretaties van de hiërogliefen op mijn palm uitproberen ("berna@zopotomail.es? Of toch Benna? Renza? Tropomail?"), telkens weer met ‘Delivery has failed’ als antwoord, maar dat wist ik op dat moment nog niet.
Ik was inmiddels dronken, en zei net iets te hard tegen haar dat ik even naar buiten ging.

Om de hoek was ik opeens helemaal alleen, met voor me de uitgestrekte leegte van het industrieterrein. De zon ging onder in een tot dan toe onbekende kleur rood, met op de achtergrond de karakteristieke Fernsehturm, terwijl ik tegen de muur plaste. In mijn beschonken toestand werd ik zo euforisch dat ik bijna twee armen in de lucht stak om met mijn piemel uit mijn broek een oerkreet te slaken.

Verhuizen

Twee jaar later verhuisde ik. Samen met twee vrienden betrok ik een appartement in de wijk Kreuzberg. Het was de winter van 2008. Elke ochtend fietste ik door een genadeloze vrieskou van Oost- naar West-Berlijn de Friedrichstrasse af, zonder enige vertraging langs Checkpoint Charlie, op weg naar mijn taalcursus. Ik luisterde veel naar Leonard Cohen in die tijd, en een zinnetje uit het nummer Famous Blue Raincoat bleef in mijn hoofd hangen: "New York is cold, but I like where I’m living. There’s music on Clinton Street all through the evening." De sfeer in de East Village van begin jaren zeventig die Cohen beschrijft, meende ik te herkennen. Berlijn was donker, grauw, ijskoud. Iedereen op straat was chagrijnig vanwege de volhardende winter, er werd om het minste of geringste ruzie gemaakt. Maar tegelijk ademde de stad een jeugdig optimisme uit, en wist je dat onder de sneeuw het avontuur verborgen lag. Ik voelde me direct thuis.

Een deel van Berlijns charme kwam voort uit het feit dat de stad geen geld had. "Arm, aber sexy", was de treffende slogan die burgermeester Klaus Wowereit voor zijn stad had verzonnen. Sinds de val van de muur had Berlijn in economische zin een vrije val gemaakt. De armoede van de communistische Ossies drukte zwaar op de Wessies, die zelf niet langer konden rekenen op subsidies van het NAVO-blok. Toen ik in Berlijn arriveerde, was de stad nog altijd uit het dal aan het klimmen. In musea was er een reductietarief voor kinderen, ouderen én werklozen. Omdat er nauwelijks werk was, woonden er relatief veel jongeren. Nadat ze hun studie hadden afgerond, verlieten ze de stad om in het rijkere zuiden een baan te zoeken. De dertigers die bleven, kwamen meestal niet verder dan een baan in een ijssalon.

Wij konden als relatief rijke buitenlanders profiteren van de Berlijnse ellende. De Europese Unie voorzag internationale uitwisselingsstudenten van een royale maandelijkse toelage, en Berlijn deed daar nog eens honderd euro ‘welkomstgeld’ bovenop. In tegenstelling tot Amsterdam waren de huren laag en het leven goedkoop. Het kostte zo weinig om uit eten te gaan dat onze keuken vrijwel ongebruikt bleef en ik zelden hoefde af te wassen. In navolging van veel Berlijners raakten we verzot op het laaggeprijsde, maar goed te drinken bier van het merk Sternburg, wat liefkozend ‘Sterni’ werd genoemd (zoals de Spätkauf als ‘Späti’, en Kottbusser Tor als ‘Kotti’ bekend stonden). We aten vele broodjes döner kebab, het goedkope Berlijnse straateten. De chagrijnige dikke Turk riep ons na het afrekenen telkens verrassend vriendelijk ‘Tschussi!’ na. We leefden in een pretpark.

Dankzij het geldgebrek kon het stadsbestuur zich bovendien niet veroorloven om al te veel controle uit te oefenen. Ik bezocht regelmatig clubs en cafés in leegstaande panden waar mijn vrienden en ik in het geval van brand zonder twijfel een verschrikkelijke dood zouden zijn gestorven, maar het concept van een vergunning leek hier niet te bestaan. Als je op een illegaal feest de gillende sirene van een politieauto naderbij hoorde komen, reden ze gewoon voorbij; de overwerkte agenten hadden wel wat beters te doen. Een keer was ik op een spontaan openluchtfeest in het afzichtelijke maar gemoedelijke Görlitzer Park, toen drie politieagenten tussen de dansende mensen door naar de DJ liepen, onder luid boegeroep. Na een kort overleg werd de muziek wat zachter gezet, en ging het feest gewoon verder. In Nederland mocht je niet eens staand op het terras een biertje drinken, en klopten de smerissen al op je deur als je iets te hard stond te zingen onder de douche.

Het armoedige uiterlijk van Berlijn was een façade waarachter een wereld vol avontuur schuilging. Juist dankzij de economische achterstand had de stad een bepaalde speelsheid behouden. Des te lelijker de buurt, des te groter de kans dat er iets te beleven viel. Maar ironisch genoeg was onze aanwezigheid een stimulans voor de gemeentelijke schatkist. We pompten Hollandse euro’s in de Duitse hoofdstad, en trokken vrienden en familie aan die hetzelfde deden. Elke keer dat we een club bezochten of in een restaurant aten maakten we de stad een beetje rijker, en dus minder vrij. Zonder dat we het wilden of zo bedoelden, waren we parasieten die Berlijn van binnenuit opaten.

Dit is een voorpublicatie uit Rutgers essaybundel, die in februari 2015 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
Dit is het eerste van vier delen. Wordt dus vervolgd. Benieuwd naar hoe dit verder gaat? Kijk dan hier
.

Mail

Rutger Lemm is schrijver, grappenmaker en scenarist. In 2015 verscheen zijn debuut, 'Een grootse mislukking'. Hij is een van de oprichters van Hard//hoofd.

Lisa-Marie van Barneveld is editorial illustrator. Ze houdt van korte deadlines en moeilijke onderwerpen. Haar geheime superkracht is meer verf op haar handen/kleren/tafel/kat krijgen dan op het papier.

Verzamel kunst en steun ons
of word magazine abonnee

Sluit je aan

Wil je meer Hard//hoofd?
Meld je aan voor een nieuwsbrief!

Schrijf je in
test
het laatste
Lucifers

Lucifers

‘Het begon met een gat, een gat in de zon.’ Terwijl de opa van Jung-hoo blind wordt, verdwijnt de zon langzaamaan uit de lucht. Met deze alternatieve geschiedenis duikt Siep Hendriks in de commercialisatie van het leven, de mens en diens karakter. Lees meer

Auto Draft 24

Een caleidoscoop van verlangen

‘De zoektocht naar een gemeenschap gaat door. Een gemeenschap die mijn caleidoscopische zijn kan accepteren, waarin ik niet hoef te kiezen tussen delen van mezelf, waarin ik niet exotisch, verdund of onverenigbaar ben.’ In dit essay beschrijft Rocher Koendjbiharie welke moeilijkheden hij ondervindt in zijn levenslange zoektocht naar een gemeenschap waarvan hij zich volwaardig onderdeel kan voelen. Lees meer

Eat the rich! Or get eaten?

Eat the rich! Or get eaten?

‘Munch Musk’, ‘bite Bezos’ of ‘suck Zuck’? Stijn Voogt onderzoekt hoe ook aan kapitaalkritiek flink geld verdiend kan worden. ‘Eat-the-rich-films wakkeren geen honger naar verandering aan, maar lijken deze vooral te stillen.’ Lees meer

Bubbel

Bubbel

‘Ik probeer te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.’ Tijdens een schrijfresidentie in Parijs verkent Leonore Spee de spanning tussen identiteit, verlangen en lichamelijkheid. Het wordt een zoektocht naar het overbruggen van afstand – tussen mensen en steden, liefdes en labels, gedachten en ervaringen, en hoofd en lijf. Lees meer

Vlindereffect

Vlindereffect

Een wapenfabriek is van nature een harde, troosteloze plek, maar zo kleurrijk als in dit verhaal, heb je het nog nooit gezien. Drie dystopische levens komen samen rondom een fabriek, waardoor de donkerte van de oorlogsindustrie feilloos bloot komt te liggen. Fester Vogels geeft ons drie perspectieven op een vlijmscherpe ontwikkeling, kritisch en tegelijkertijd zó beeldend dat het aan je scherm wil ontsnappen. Lees meer

De stilte (is niet het antwoord)

De stilte (is niet het antwoord)

Stilte. Sinds Marthe van Bronkhorst die zelf niet meer kan horen, luistert ze er heel anders naar. Echte stilte is zeldzaam in ons leven, of lijkt dat maar zo? In delen van mijn oor is het stil. Na een ongelukje deze zomer zijn de trilhaartjes beschadigd. Dat hoor ik niet, want het lichaam overcompenseert daarvoor... Lees meer

Meehuilen met ijskruid

Meehuilen met ijskruid

‘We zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken.’ Lisanne Brouwer laaft zich aan (theater)kunst met voedsel in de hoofdrol en neemt je mee in de manieren waarop kunstenaars ecologisch bewustzijn aan de eettafel creëren. Het blijkt een ontdekking van zowel verlangen als walging. Lees meer

De gisting

De gisting

Mara van Herpen vertelt het poëtische en surrealistische verhaal van Toni. Hen werkt in een broodfabriek en begint daardoor te gisten en te schimmelen en verandert in… Ja, in wat eigenlijk? Lees meer

We moeten vaker synchroon dansen

We moeten vaker synchroon dansen

‘Ik betrap mezelf erop dat het moeilijk is hoopvol te zijn in deze tijden, soms voelt het zelfs verkeerd.’ Toch vindt Loïs in haar column ruimte voor hoop. Niet door ons terug te trekken, maar door ons uit te spreken én elkaar te vinden. Minder polarisatie, meer synchronisatie. Lees meer

Soms mis ik mijn handen

Soms mis ik mijn handen

‘Soms mis ik de magnetron / soep uit blik / ingevroren aardappels in partjes.’ Middels essay en poëzie illustreert Martijn van Bruggen met stekende precisie het verband tussen voedsel en klasse en wat het betekent je aan te moeten passen naar hiërarchisch geladen verwachtingen. Lees meer

Moeder van een mislukt idee

Moeder van een mislukt idee

‘Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt?’ Roosje van der Kamp voelt een grote noodzaak om iets blijvends te creëren, maar komt niet verder dan vluchtig neergepende fragmenten in haar notities. In dit essay onderzoekt ze – naast de vraag of ouderschap eventueel een valide, tweede optie is – haar worsteling met het professionele schrijverschap. Lees meer

Auto Draft 23

we verbleven in ledikanten / in het huis met zeventig kinderen

'Dat ik gil in een vreemde taal / elke moedertaal breekt zonder bekenden.' Wat voor sporen laat het na als je je moedertaal verliest? Waar blijft de taal en hoe verhoudt je je tot je eigen identiteit na gedwongen migratie? In dit gedicht vangt Bożena Kacica de rouw en de vervreemding die volgden. Lees meer

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

In de media wemelt het van oorlogstaal. Marthe van Bronkhorst laat zien hoe je de frames kan herkennen: 'Sterf je liever terwijl je je verdedigt of passief?' Lees meer

Denkbeeldige ruimte

Denkbeeldige ruimte

In dit essay onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe schrijven een ruimte opent waarin kwetsbaarheid, verbinding en saamhorigheid zichtbaar worden. ‘Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent.’ Lees meer

Meneer Ouka en de streep

Meneer Ouka en de streep

'‘Het gaat over uw kabouter,’ zegt meneer Ouka.' En dat doet het: in dit verhaal verheft Makki Aimar een niet-lachende tuinkabouter tot het glinsterende middelpunt van zijn verhaal. Waar ieder ander een tuinkabouter niet eens zou zien staan, lijkt het voor de hoofdpersoon in dit verhaal een metafoor voor zingeving te worden. Met dit verhaal won Makki Aimar de schrijfwedstrijd 'Door de ogen van Palomar', georganiseerd door uitgeverij Cossee en Hard//hoofd. Lees meer

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

Brengt tijdelijke onthouding van kleding, koffie en verjaardagscadeaus ons dichter bij een koopwoning? Of is het enkel in onze dromen dat een financiële detox grote, blijvende veranderingen weet te bewerkstelligen? Loïs Blank vraagt zich af wat er buiten beeld raakt wanneer we ons verliezen in de survival van No Spend September. Lees meer

:Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen 2

Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen

Lam Ngo was vierentwintig toen hij vluchtte uit een ideologisch verscheurd Vietnam. In dit essay vertelt hij hoe hij weer leerde luisteren naar de pijnlijke en lang verzwegen herinneringen, hoe het was om in Nederland opnieuw te moeten beginnen en over de blijvende band met zijn geboortestad Saigon. ‘Want pas als we zien wat er verzwegen is, kunnen we echt luisteren.’ Lees meer

 1

pantser / piertotum locomotor

In deze twee gedichten van Roan Kasanmonadi kijken we naar een aflevering van Kamp Van Koningsbrugge, leren we onszelf op te rollen als pissebedden, en vliegen de zwaarden, harnassen en kikkers je om de oren. Lees meer

Het weefsel van geheugen

Het weefsel van geheugen

Vanaf de jaren zestig strijdden avant-garde kunstenaars Ana Lupas en Magdalena Abakanowicz tegen het vooroordeel dat textiel alleen decoratief kan zijn. Sander Bortier laat zien dat hun verwantschap verder gaat dan het innovatieve gebruik van het materiaal dat mede door hen van betekenis verschoof, van traditioneel naar subversief. Vezels werden drager van een stille taal: een vertaling van menselijke kwetsbaarheid binnen een collectieve orde. Lees meer

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Tessy Ouwens kreeg op jonge leeftijd te maken met onrealistische schoonheidsidealen en dit leidde tot een strijd met haar eigen lichaam en zelfbeeld. Onverwachts was het de islam en het bedekken van haar lichaam, dat haar uit deze strijd hielp. ‘Met mijn hoofddoek op, voelde mijn lichaam voor het eerst weer als de mijne.’ Lees meer