Asset 14

Hannah van Wieringen

In de rubriek hard//hoofdstuk plaatst hard//hoofd een hoofdstuk uit een nog te verschijnen of pas verschenen boek. Hannah van Wieringen schreef de verhalenbundel De kermis van Gravezuid. Wij geven je vast een voorproefje met Spookhuis Panorama: als een kleine kermis plots wordt vergezeld door een spookhuis, laat dat niet iedereen onbewogen. Vooral de snackbarhouder niet. Want wat doet die ontvleesde hand in zijn frietwagen?

Spookhuis Panorama

Het was maar een heel klein spookhuis. Vorig jaar stond het er niet. Niemand wist waarom het er dit jaar wel stond. Ik had er van opgekeken. Op het terreintje was amper plaats, tussen de gokkar en schiettent kon je welgeteld vier grote stappen zetten. Iedereen stond op elkaars lip. Baklucht waaide de neuzen in van de turende scherpschutters en ik werd apescheel van die lampjes op de gokautomaten. En daarbij: wie heeft er nu zin om geld te betalen om zich in het beste geval de stuipen op het lijf te laten jagen? Maar goed.

Ik zag de ronde kont van mijn vrouw daar al naar boven klauteren.

De spookhuisuitbater had de ronde grijszwartgeschilderde wagen verder naar achteren, in de cafétuin geplaatst, met uitzicht op de begraafplaats achter de kerk. De dansende skeletten er omheen leken uit de schemering naar voren te komen door de met lichtgevende verf geschilderde botten. Een grote zwarte plastic spin bungelde vervaarlijk aan een draadje voor de ingang. Ik hield er niet van. De geluidsband werkte me na een middag al op de zenuwen, "oehoe" hoorde je dan weer en het geluid van een soort valluik of zo en dan zo’n ijselijke metalen gil. Gedoe was het.
Voor de ingang hing een lap zwarte stof, opzij gehouden door een verweerde skelettenhand. Daarachter had ik een steile metalen ladder omhoog de koepel in zien gaan. Ik zag de ronde kont van mijn vrouw daar al naar boven klauteren. Nee, het moest meer iets voor kinderen zijn.

Die uitbater was een kleine man met een ingevallen gezicht en een wijd zittend zwart pak. Een beetje dramatisch, met ook nog een zwarte hoed, maar vooruit, hij runde een spookhuis. Dat zul je wel moeten doortrekken in je voorkomen, nietwaar? Ik stond tenslotte ook niet in mijn kloffie in de wagen, ik trok netjes iedere middag een schone koksbuis aan.

Ja, dat heb ik, hè. Ik ben te aardig. Of een schijterd. Zeg het maar.

In de avond puilde het café uit, een verse lading was te kermis en stond binnen te dringen voor de bar en het podium, zelfs Eddy van de gok was in de biergietende menigte verdwenen. We waren een verlaten zielig zooitje. Dus dacht ik bij mezelf: waarom ook niet? Wachten is tenslotte erger dan werken. Ik deed mijn schort af, knoopte mijn buis open en sloot de wagen af. Ik kon toch in ieder geval even een praatje gaan maken. Uitbaters onder mekaar. Wist ik veel, misschien had 'ie wel wat biertjes koud daarachter in de tuin, kon toch? Toen ik er eenmaal stond, voor die idiote santenkraam – de letters Panorama in spijkerschrift boven de ingang geschilderd – zag ik die gozer met zijn zwarte pak nergens meer. Vreemd, want hij stond toch zeker net nog aan die plastic spin te frunniken of had ik te lang boven mijn frituur gehangen en begon ik spoken te zien?
"Avond."
"Godverjezus, kerel, ik schrik me dood." De krakende stem die bij het ingevallen gezicht hoorde dook ineens achter me op. Toen vatte ik hem pas: een spookhuis, mensen laten schrikken, dat deed 'ie voor zijn werk. Zelf wist ik toch ook meestal van tevoren wat iemand ging bestellen. Of, nou ja, in ieder geval begon ik te lachen. "Goed gedaan hoor, mij had je."
"U wilt naar binnen? Het panorama in? Kost wat."
"Ik, ik wou eigenlijk gewoon even een praatje maken. Siem, aangenaam. Ik sta hier tegenover bij de friet en-" Ik stak mijn hand uit.
"Met wie wilde u een praatje maken?" Krakerig én narrig, lekker dit. Hij maakte geen aanstalten mijn hand te schudden. Dit was een raar type hoor, een hele rare. Gele tanden, asem van hier tot Jeruzalem, paling, zeer zeker een soort vette gerookte vislucht hing er om die uitbater heen.
"Met jou eh u", hakkelde ik opgelaten, "maar als u d’r zo trots op bent, wil ik ook best even in uw wagen kijken hoor." Ja, dat heb ik, hè. Ik ben te aardig. Of een schijterd. Zeg het maar.
"Twee vijftig", kraakte de kerel. Hij bleef me zwijgend aankijken. Dat gezwijg zinde me niks. Mijn eerste impuls was zeggen: stil, hè. Maar de ijle aanwezigheid van deze vogelverschrikker smoorde zelfs dat in de kiem. Ik zocht jachtig naar een knaak in mijn broekzak, de bleke kromme hand van de uitbater graaide er gretig naar. Ik was allang blij dat ik die paling op pootjes kon laten voor wat 'ie was.

Oehoe, nat garen, ik pieste in mijn broek van angst hoor.

Ik klauterde snel die metalen ladder op, buikschurend tegen de sporten, en verdween de donkerte in. Zag geen hand voor ogen - natuurlijk niet - en moest meteen een kluwen kletsnat garen uit mijn gezicht vegen, waar ik met mijn bijziende porem recht doorheen dook. Oehoe, nat garen, ik pieste in mijn broek van angst hoor. Toen de trap ophield, muffige donkerte nog altijd, zat er niet veel anders op dan met mijn handen om me heen te voelen of ik nog ergens kon staan. Het voelde stoffig, maar het kon. Langzaamaan zag ik waar ik stond. Ik draaide om mijn as. Een klein peertje floepte aan. Een ronde ruimte. Overal schilderingen. De geboorte van een baby, maar wel een skeletbaby. Het skelet werd ouder, ging naar school. Kreeg vriendjes, werd nog ouder, werd verliefd op een ander skelet, trouwde, werd ouder, kreeg skeletbaby’s, werd nog ouder. Een soort mensenleven van begin tot eind, maar dan zonder vlees. Alleen maar botten. Alles donker. Alles treurig. Nergens eten. Nergens gezelligheid. Het skelet werd nog weer ouder, krommer, krommer, tot de grond aan toe en kroop toen zelf richting een kist. Het skelet klauterde zijn eigen naargeestige kist in. Andere skeletten timmerden de kist dicht. En na de teraardebestelling was het rondje rond en begon de hele mikmak van voren af aan bij de geboorte van weer diezelfde skeletbaby. Ik stond daar zo’n beetje naar te kijken en me af te vragen of die wagen ook een vrolijk zusje had, met ballonnen en confetti, met lachen en eten, toen ik uit het stampvolle beukende café een refreinuitbarsting-met-meezingen hoorde opstijgen en me realiseerde dat het hossende zusje binnen aan de gang was. Ik schudde het hoofd om zoveel droefenis en keek of ik die ladder weer naar beneden moest of dat er nog een soort route was, toen ik weer die ijselijke gil hoorde en dat valluik. Ik zuchtte.


Illustratie: Friso Blankevoort

Ergens in de schilderingen zag ik, ogen eenmaal gewend aan het halfduister, de randen van een deur. Ik peuterde eraan, met mijn nagels trok ik de deur open en daar, achter een grote geluidsbox en wat zwarte lappen, kwam het vroege maanlicht en de frisse lucht tevoorschijn. Er hing een vreemdsoortig balkonnetje. Bedoeld voor een technicus of zoiets? Waar dat zaakje een technicus voor nodig had wist ik eigenlijk ook niet. Meer dan een cassette aan- en uitzetten leek me hier toch niet aan de hand. Er lagen wat sigarettenpeuken op het fijne metalen raster waar je kon staan. Ik stapte erop, naar buiten en tuurde naar het uitzicht, Gravezuid in dit geval. Het lag er mooi bij, als je ervan houdt, hè, dat pittoreske. Mij te klein hoor, doe mij maar een flink winkelcentrum en een fatsoenlijke bouwmarkt. Een beetje ruimte om je huis. Hier zaten ze te veel op elkaars lip: haringen in een ton. Ik hield mijn handen stevig om het metalen relinkje, maar zo hoog stond ik nu ook weer niet, een metertje of drie? Vlak onder het balkonnetje zag ik haarscherp de in het gras gesmeten fietsen van de jongeren uit de buurt. De caféhond die onrustig heen en weer draafde op de kleine buitenplaats. De openstaande schuurdeur naar waar de oude kroegbaas vaak tot laat in de avond zijn bootjes aan ketting omhoog takelde en teerde.

Er stond een skelet in koksbuis in mijn wagen. Dit ging te ver.

Ik leunde wat tegen die reling en stak ook maar een saffie op, waarom niet? Die skelettenparade in de tent vergat ik. Ik keek naar mijn eigen witte frietwagen. Onbemand, leeg, maar met een zachtaardig geelgoud licht vanachter de toonbank. Zo had ik nog nooit naar mijn eigen wagen gekeken. Het leek me een klein, vriendelijk paradijs temidden van de knipperende lichtjes. Met de netjes in rijen of dakpansgewijs gerangschikte kroketten en kaassoufflés in de vitrine, ja door mijzelf, tuurlijk was het netjes, de groene plastic toefjes sla ertussen in hun witte houdertjes. De gekleurde frietvorkjes, de sauzen en servetten erop. Een ordelijk tuinhuisje leek het. Ik had de boel er mooi bij staan. Of ik toch te lang boven mijn frieten had gehangen, wie zal het zeggen? Maar terwijl ik naar mijn tweede huis stond te kijken - verdomd als het niet waar was, daar op het verder doodsverlaten kermisterreintje dook tijdens een knipper met de ogen een gestalte op in mijn bloedeigen wagen. Ik schudde het hoofd, wilde roepen, hela, wat moet dat daar, maar bleef met mijn sigaretje onderweg naar mijn mond verstijfd staan kijken. De gestalte leek iets gezocht te hebben onder de toonbank, kwam overeind en draaide zich nu vol in mijn blikveld. Hij stond in volle glorie recht overeind achter de toonbank. Ik trok mijn wenkbrauwen op en knipperde nog eens met de ogen. Maar nog altijd rustte er een ontvleesde hand op het handvat van mijn omschudbak en veegde een andere ontvleesde hand denkbeeldig haar weg van een nagenoeg naakte schedel. Er stond een skelet in koksbuis in mijn wagen. Dit ging te ver. Ik wilde rechtsomkeert maken terug de donkerte in en die ratelige ladder af om orde op zaken te stellen. Mijn eerste gehaaste stap tussen de zwarte gordijnen zette ik bovenop de afgetrapte bordeelsluipers van de uitbater.
"Avond."

Allejezus, in een klein kwartier was ik van iemand die een gezellig praatje kwam maken veranderd in een rechtstreekse zenuwlijer.

Allejezus, in een klein kwartier was ik van iemand die een gezellig praatje kwam maken veranderd in een rechtstreekse zenuwlijer. ‘Godsamme man, kan je niet eerst even de keel schrapen?’
"Waarom zou ik de keel schrapen?"
De vogelverschrikker was niet van plan ook maar iets vanzelf te begrijpen.
"Ik schrik me elke keer de touwtering."
Ik brieste, nam de vogelverschrikker het hele gebeuren kwalijk en voelde me daar in één ruk door weer schuldig over. Hij kon wel zwakbegaafd wezen. Hij leek mij inmiddels uitermate niet goed snik.
"U bleef zo lang weg. Ik heet Vleer. Waarom bleef u zo lang weg?"
Ik keek ongelovig neer op de kleine man in zijn wijde zwarte pak.
"Dit is niet het moment, er is iemand in mijn wagen, ik moet als de gesmeerde bliksem naar beneden, kijk zelf maar."
De kleine uitbater stapte langs mijn buik op het balkonnetje, onhandig tegen elkaar aan stonden we naar mijn wagen te turen. Een knokige schouder in koksbuis stak nog net boven de toonbank uit, alsof hij nu met zijn magere poten in de koelkast achter zat te porren.
"Ik zie niks", zei de uitbater.
"Daar, je kan toch wel kijken? Zie je die bottige porem niet, daar!"
De vogelverschrikker schudde het hoofd.
"U ziet ze vliegen, buurman Siem, er is geen levende ziel in zicht."
"Nee, dat is het punt juist, kijk dan, dat is toch-"
Daar stokte mijn verhaal, want ik kreeg het niet uit mijn waffel. Deze waanzin ging me heel wat bruggen te ver, ging ik dan echt staan verkondigen dat er een skelet in mijn frietwagen stond in te breken? Ik sprak luid en duidelijk tegen de mogelijk zwakzinnige uitbater.
"Vleer, zei je, zei u?"
"Vleer, ja."
Die palinglucht was niet te harden zo dicht stonden we op elkaar.
"Vleer", en hier knikte ik kordaat met het hoofd – "mooi ding heeft u hier, ik vond het vreselijk eng, bedankt hoor, goedenavond."

Vastberaden liep ik het schimmige panorama door en voorzichtig achteruit tastend ging ik de ladder weer af. Met trillende poten stak ik het kermisterreintje over, en liep op m’n wagen toe. Er was niks geks te zien. Ik stak de sleutel een paar keer mis en toen in het slot. Met een zwaai trok ik de deur open. Hard: ‘Hallo?’ en ‘scheer je weg.’ Mijn wagen was leeg. Ik beende recht op de omschudbak af, onderzocht hem grondig, kon er niks abnormaals aan ontdekken. Ik keek over het terreintje. Zag ik een donkere schim daar bij de schuurdeur bewegen? Hoorde ik daarop gestommel, een ketting ratelen? Ik huiverde. Ik keek op naar het ronde spookhuis. Vleer stond nog altijd met een sigaretje op het balkonnetje, alsof er niks gepasseerd was. De uitbater tilde traag zijn arm op, ter begroeting. Verbijsterd groette ik terug. Wat kon ik anders?

Ik kon de slaap niet vatten. Er was iets rakelings langs me heen gescheerd.

Die nacht lag ik wakker. Zag ik de wandschilderingen uit het panorama op de muren rond ons bed. Een skelet tikte herhaaldelijk op het slaapkamerraam en ik hoorde een ketting ratelen, dat verdomde valluik openklappen. Eindelijk stil. En dan een aanhoudende ijselijke gil. Ik zweette. Mijn vrouw kroop dichter tegen me aan en suste. Maar ik kon de slaap niet vatten. Er was iets rakelings langs me heen gescheerd. Iets. Waar ik alleen toe was veroordeeld, waar ik alleen naar lag te luisteren. Naast mijn zachte vrouw in het frisse beddengoed, dat ontstellend precies hetzelfde rook als mijn beddengoed, als mijn bloedeigen leven.

-

'De kermis van Gravezuid' verscheen 23 november bij Uitgeverij De Harmonie.

Mail

Friso Blankevoort (a.k.a. Freshco) is een illustrator/designer die woont en werkt in Amsterdam. De skateboardcultuur heeft een grote invloed op zijn werk, dat ook beïnvloed wordt door de traditie van grafisch ontwerp in Nederland.

Verzamel kunst en steun ons
of word magazine abonnee

Sluit je aan

Wil je meer Hard//hoofd?
Meld je aan voor een nieuwsbrief!

Schrijf je in
test
het laatste
Eat the rich! Or get eaten?

Eat the rich! Or get eaten?

‘Munch Musk’, ‘bite Bezos’ of ‘suck Zuck’? Stijn Voogt onderzoekt hoe ook aan kapitaalkritiek flink geld verdiend kan worden. ‘Eat-the-rich-films wakkeren geen honger naar verandering aan, maar lijken deze vooral te stillen.’ Lees meer

Bubbel

Bubbel

‘Ik probeer te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.’ Tijdens een schrijfresidentie in Parijs verkent Leonore Spee de spanning tussen identiteit, verlangen en lichamelijkheid. Het wordt een zoektocht naar het overbruggen van afstand – tussen mensen en steden, liefdes en labels, gedachten en ervaringen, en hoofd en lijf. Lees meer

Vlindereffect

Vlindereffect

Een wapenfabriek is van nature een harde, troosteloze plek, maar zo kleurrijk als in dit verhaal, heb je het nog nooit gezien. Drie dystopische levens komen samen rondom een fabriek, waardoor de donkerte van de oorlogsindustrie feilloos bloot komt te liggen. Fester Vogels geeft ons drie perspectieven op een vlijmscherpe ontwikkeling, kritisch en tegelijkertijd zó beeldend dat het aan je scherm wil ontsnappen. Lees meer

De stilte (is niet het antwoord)

De stilte (is niet het antwoord)

Stilte. Sinds Marthe van Bronkhorst die zelf niet meer kan horen, luistert ze er heel anders naar. Echte stilte is zeldzaam in ons leven, of lijkt dat maar zo? In delen van mijn oor is het stil. Na een ongelukje deze zomer zijn de trilhaartjes beschadigd. Dat hoor ik niet, want het lichaam overcompenseert daarvoor... Lees meer

Meehuilen met ijskruid

Meehuilen met ijskruid

‘We zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken.’ Lisanne Brouwer laaft zich aan (theater)kunst met voedsel in de hoofdrol en neemt je mee in de manieren waarop kunstenaars ecologisch bewustzijn aan de eettafel creëren. Het blijkt een ontdekking van zowel verlangen als walging. Lees meer

De gisting

De gisting

Mara van Herpen vertelt het poëtische en surrealistische verhaal van Toni. Hen werkt in een broodfabriek en begint daardoor te gisten en te schimmelen en verandert in… Ja, in wat eigenlijk? Lees meer

We moeten vaker synchroon dansen

We moeten vaker synchroon dansen

‘Ik betrap mezelf erop dat het moeilijk is hoopvol te zijn in deze tijden, soms voelt het zelfs verkeerd.’ Toch vindt Loïs in haar column ruimte voor hoop. Niet door ons terug te trekken, maar door ons uit te spreken én elkaar te vinden. Minder polarisatie, meer synchronisatie. Lees meer

Soms mis ik mijn handen

Soms mis ik mijn handen

‘Soms mis ik de magnetron / soep uit blik / ingevroren aardappels in partjes.’ Middels essay en poëzie illustreert Martijn van Bruggen met stekende precisie het verband tussen voedsel en klasse en wat het betekent je aan te moeten passen naar hiërarchisch geladen verwachtingen. Lees meer

Moeder van een mislukt idee

Moeder van een mislukt idee

‘Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt?’ Roosje van der Kamp voelt een grote noodzaak om iets blijvends te creëren, maar komt niet verder dan vluchtig neergepende fragmenten in haar notities. In dit essay onderzoekt ze – naast de vraag of ouderschap eventueel een valide, tweede optie is – haar worsteling met het professionele schrijverschap. Lees meer

Auto Draft 23

we verbleven in ledikanten / in het huis met zeventig kinderen

'Dat ik gil in een vreemde taal / elke moedertaal breekt zonder bekenden.' Wat voor sporen laat het na als je je moedertaal verliest? Waar blijft de taal en hoe verhoudt je je tot je eigen identiteit na gedwongen migratie? In dit gedicht vangt Bożena Kacica de rouw en de vervreemding die volgden. Lees meer

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

In de media wemelt het van oorlogstaal. Marthe van Bronkhorst laat zien hoe je de frames kan herkennen: 'Sterf je liever terwijl je je verdedigt of passief?' Lees meer

Denkbeeldige ruimte

Denkbeeldige ruimte

In dit essay onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe schrijven een ruimte opent waarin kwetsbaarheid, verbinding en saamhorigheid zichtbaar worden. ‘Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent.’ Lees meer

Meneer Ouka en de streep

Meneer Ouka en de streep

'‘Het gaat over uw kabouter,’ zegt meneer Ouka.' En dat doet het: in dit verhaal verheft Makki Aimar een niet-lachende tuinkabouter tot het glinsterende middelpunt van zijn verhaal. Waar ieder ander een tuinkabouter niet eens zou zien staan, lijkt het voor de hoofdpersoon in dit verhaal een metafoor voor zingeving te worden. Met dit verhaal won Makki Aimar de schrijfwedstrijd 'Door de ogen van Palomar', georganiseerd door uitgeverij Cossee en Hard//hoofd. Lees meer

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

Brengt tijdelijke onthouding van kleding, koffie en verjaardagscadeaus ons dichter bij een koopwoning? Of is het enkel in onze dromen dat een financiële detox grote, blijvende veranderingen weet te bewerkstelligen? Loïs Blank vraagt zich af wat er buiten beeld raakt wanneer we ons verliezen in de survival van No Spend September. Lees meer

:Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen 2

Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen

Lam Ngo was vierentwintig toen hij vluchtte uit een ideologisch verscheurd Vietnam. In dit essay vertelt hij hoe hij weer leerde luisteren naar de pijnlijke en lang verzwegen herinneringen, hoe het was om in Nederland opnieuw te moeten beginnen en over de blijvende band met zijn geboortestad Saigon. ‘Want pas als we zien wat er verzwegen is, kunnen we echt luisteren.’ Lees meer

 1

pantser / piertotum locomotor

In deze twee gedichten van Roan Kasanmonadi kijken we naar een aflevering van Kamp Van Koningsbrugge, leren we onszelf op te rollen als pissebedden, en vliegen de zwaarden, harnassen en kikkers je om de oren. Lees meer

Het weefsel van geheugen

Het weefsel van geheugen

Vanaf de jaren zestig strijdden avant-garde kunstenaars Ana Lupas en Magdalena Abakanowicz tegen het vooroordeel dat textiel alleen decoratief kan zijn. Sander Bortier laat zien dat hun verwantschap verder gaat dan het innovatieve gebruik van het materiaal dat mede door hen van betekenis verschoof, van traditioneel naar subversief. Vezels werden drager van een stille taal: een vertaling van menselijke kwetsbaarheid binnen een collectieve orde. Lees meer

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Tessy Ouwens kreeg op jonge leeftijd te maken met onrealistische schoonheidsidealen en dit leidde tot een strijd met haar eigen lichaam en zelfbeeld. Onverwachts was het de islam en het bedekken van haar lichaam, dat haar uit deze strijd hielp. ‘Met mijn hoofddoek op, voelde mijn lichaam voor het eerst weer als de mijne.’ Lees meer

 1

Zinkstukken

Dealen met fysieke ongemakken, de dood, en afgelegen, kale landschappen spelen vaak een centrale rol in de boeken van Jilt Jorritsma - zelfs zijn proefschrift ging over zinkende steden. Het is daarom niet verrassend dat Jilt Jorritsma gegrepen werd door de Biesbosch en haar spookachtige arbeidshistorie toen literair productiehuis Tilt en Cultuurfonds Noord-Brabant hem vroegen het achtste Brabants Boek Present te schrijven. De verhalen die hij ontdekte en opschreef zijn des te grilliger - vandaag lichten we alvast een tipje van de sluier. Lees meer

:De DSM is science fiction, iedereen is gek: psychiater Jim van Os in de laatste Zomergasten

De DSM is science fiction, iedereen is gek: psychiater Jim van Os in de laatste Zomergasten

Hij wil de DSM weggooien, spreekt controversieel over euthanasie, drank, de ggz... wat niet? Wie ís de allerlaatste Zomergast? Psychiater Jim van Os, dus. ‘Wat je uiteindelijk nodig hebt, is een ander mens.’ Lees meer