Uit de vele woedende reacties op de bezuinigingsplannen van dit kabinet blijkt eens te meer dat cultuur bij ons in hoog aanzien staat. Musea bijvoorbeeld zijn respectabele instellingen, waar men zich met verheven en elitaire zaken bezighoudt. Maar diezelfde achtenswaardige museumgebouwen verbergen heel wat duistere geheimen achter hun elegante façades.
Er was een tijd dat onze musea uitblonken in gedrag dat op zijn minst controversieel genoemd kan worden: jatten. Vooral in de negentiende eeuw waren overheden zich ervan bewust dat een nationaal museum kon fungeren als internationaal statussymbool. Men schuwde geen enkele methode om zoveel mogelijk kostbaarheden naar de marmeren tentoonstellingszalen te slepen. Tot op de dag van vandaag bevinden zich in musea over heel Europa objecten met een zeer duistere geschiedenis van kolonialisme, bedrog en omkoping.
Hierin zijn ruwweg twee categorieën te onderscheiden: kunstvoorwerpen met een beladen politieke achtergrond (bijvoorbeeld deel uitmakend van oorlogsbuit), en objecten die op zichzelf controversieel zijn, zoals de collectie schedels en Javaanse kindertjes op sterk water in het depot van het Tropenmuseum in Amsterdam. Musea zitten vaak met dergelijke artefacten in hun maag; de laatste jaren is er een hausse aan rechtszaken geweest van voormalige kolonies die genoegdoening eisten.
De Elgin Marbles: van wie zijn ze?
“That all may learn from whence the plunderer came, the insulted wall sustains his hated name”, dichtte Lord Byron in 1811. De regels uit het gedicht “The Curse of Minerva” sloegen op graaf Elgin, die in de periode 1801-1812 een groot aantal marmeren Parthenonsculpturen naar Engeland overbracht. Griekenland stond op dat moment onder Ottomaans bewind. Elgin kon als Brits ambassadeur een potje breken bij de sultan, en kreeg toestemming om op de Akropolis opgravingen te doen. In de brief waarin deze vermeende toestemming werd verleend, staat één zinnetje dat het British Museum nog steeds aangrijpt als het bewijs dat de acquisitie van de Elgin Marbles wettig was: “Wanneer zij enkele stukken steen met oude inscripties en figuren willen meenemen, zullen zij daarin niet gehinderd worden.” Het feit dat er van deze toch wel cruciale brief slechts een gebrekkige Italiaanse vertaling bestaat, maakt dit “bewijs” toch wel erg magertjes.
Elgin besloot de woorden van de sultan zo ruim mogelijk op te vatten, en zette zijn ploeg aan het werk. Sommige pedimentsculpturen (beelden van het dak van het Parthenon) waren al van de tempel afgevallen en hoefden alleen maar uitgegraven te worden. Anderen werden met beitels van het fries afgesloopt, waarbij ernstige vernielingen werden aangericht. De Turkse overheid in Griekenland had geen enkele interesse in de antieke kunstschatten, en na wat ambtenaren te hebben omgekocht kon Elgin de sculpturen zonder problemen naar Engeland overschepen. Na een paar jaar verkocht hij ze voor 35.000 pond aan het British Museum, waar de Elgin Marbles tot op heden te bewonderen zijn.
Toen Griekenland in 1830 onafhankelijk werd, wilde men meteen het leeggeroofde Parthenon herstellen. Maar de beelden waren inmiddels de grootste attractie van het British Museum geworden, en het armoedige Griekenland stond machteloos tegenover de invloedrijke Britten. Ze moesten zich tevreden stellen met de sculpturen die Elgin niet had meegenomen; in 1874 werden deze ondergebracht in een museum op de Akropolis.
In de jaren tachtig van de twintigste eeuw begon de Griekse actrice en politica Melina Mercouri een campagne voor de terugkeer van de Elgin Marbles naar Griekenland. Haar gepassioneerde pleidooien waren niet succesvol, maar de controverse rond de beelden laaide in alle hevigheid op. Voor- en tegenstanders vliegen elkaar vandaag de dag nog steeds in de haren; aan de ene kant is er het machtige British Museum dat de sculpturen al bijna tweehonderd jaar in haar bezit heeft en beweert dat ze zonder graaf Elgin allang verloren waren gegaan - waarin ze misschien niet geheel ongelijk hebben. De Grieken claimen in moreel opzicht recht op de Marbles te hebben; bovendien hebben de Engelsen de beelden door de jaren heen ook flink beschadigd, onder meer door ondoordachte schoonmaakacties.
In 2009 opende het vernieuwde Akropolis Museum haar deuren. Eén grote zaal was veelzeggend leeg gelaten, om het Britse argument dat men in Griekenland niet de juiste museale conditie voor de Marbles kon scheppen te ontkrachten. Toch ziet het er voorlopig niet naar uit dat de geroofde metopen, friezen en kariatiden hun vaderland ooit terug zullen zien. De onfrisse manier waarop de Elgin Marbles in Engeland terecht zijn gekomen is inmiddels bekend, maar aangezien er in 1830 nog geen internationale verdragen over kunstroof waren, hebben de Grieken helaas geen poot om op te staan.
Kolonialisme: menselijke tentoonstellingsobjecten
Jules Verreaux was een taxidermist uit Parijs die regelmatig naar Afrika reisde om daar dode dieren op te zetten, die hij later in Europa verkocht. Rond 1830 waren Verreaux en zijn broer in Botswana getuige van de begrafenis van een jonge bosjesman. In een volkomen logische gedachtegang besloten ze het lijk te stelen, te prepareren en samen met een lading opgezette dieren naar Parijs te verschepen. Zelfs voor de negentiende eeuw was een opgezette neger voor veel mensen net iets te macaber, en het duurde tot 1880 voordat de bosjesman verkocht werd aan de Spanjaard Francesco Darder (1851-1918). Deze was een natuurhistorisch museum begonnen in Banyoles, vlakbij Barcelona. De opgezette bosjesman, al snel liefkozend “El Negrito” (“het negertje”) genoemd, zou van 1916 tot 1997 in de vaste opstelling van het stoffige Museo Darder staan. Omdat de geprepareerde huid wat was verbleekt, werd hij om de zoveel tijd door het personeel ingesmeerd met zwarte schoenpoets.
El Negro
Het was in de negentiende eeuw niet ongebruikelijk om mensen tentoon te stellen; er zijn diverse Wereldtentoonstellingen geweest waarbij hele Afrikaanse dorpen werden nagebouwd, met een groep geïmporteerde bewoners die de hele dag voor de bezoekers op trommels moesten slaan. Het meest berucht is de Wereldtentoonstelling in het Belgische Tervuren in 1897. Koning Leopold haalde tweehonderd Congolezen naar België om de drie “negerdorpen” te bevolken. Velen overleefden de Europese winter niet.
In 1992 werd El Negro wereldberoemd. De Haïtiaanse arts Alphonse Arcelin schreef een open brief waarin hij zijn verontwaardiging uitte over de aanwezigheid van een opgezette zwarte man in een museum. Deze actie viel samen met de start van de Olympische Spelen in Barcelona, en de internationale pers sprong er bovenop. Het Museo Darder verwijderde El Negro uit de tentoonstelling, maar weigerde zijn lichaam te repatriëren, zoals Arcelin eiste. In 1997 kwam er een rechtszaak, waarbij de bewoners van Banyoles plotseling in opstand kwamen: ze organiseerden protestacties waarbij spandoeken met teksten als 'Banyoles loves you El Negro! 'getuigden van de liefde voor 'hun' neger. In 1999 bepaalde de rechter dat El Negro na 170 jaar terug zou gaan naar Botswana, om daar te worden begraven. In Gaborone werd het lichaam opgebaard alvorens met groot ceremonieel begraven te worden – de vele bezoekers die een gemummificeerd lichaam verwachtten, vonden echter een kinderkistje met slechts een schedel en een hoopje botten erin. De Spanjaarden hadden het lichaam van El Negro ontdaan van alle “toevoegingen”, zoals de speer en het schild waarmee hij was tentoongesteld, maar ook de huid, glazen oogkassen en het stro waarmee hij was opgevuld. Journalist Frank Westerman (die een boek schreef over El Negro) noemde dit “lijkschennis”.
In Nederland is er onder andere de lugubere verzameling schedels uit Indonesië, die in het Tropenmuseum stof ligt te vergaren. Het pleit voor de directie dat ze hiermee in de openbaarheid zijn getreden. Directeur David van Duuren: “Als je een kuil huurt op de Oosterbegraafplaats, kun je daar alles in begraven. Maar wij vonden dat niet netjes. Wereldwijd wordt gediscussieerd over het omgaan met menselijke resten in volkenkundige musea. Wij willen pro-actief inspringen op die discussie. Als er nabestaanden zijn die de resten opeisen, dan werken wij daar graag aan mee.”
Toch wringt het. Het hele Tropenmuseum staat vol met artefacten uit de voormalige koloniën, sommigen zeer kostbaar. Deze vallen in feite onder de noemer “roofbuit”. Horen deze objecten hier te zijn? Is het “verjaringsprincipe” van de Elgin Marbles van kracht? Of zijn de koloniale schatten inmiddels Nederlands erfgoed geworden?
Samenwerking2>
In 1977 werd een deel van de roemruchte Lombokschat, voornamelijk bestaand uit juwelen die in de 1894 werd buitgemaakt tijdens zeer bloedige gevechten tussen het Nederlandse leger en de vorst van Lombok (resultaat: puputan - alle onderdanen van de vorst pleegden na de nederlaag collectief zelfmoord) door het Museum voor Volkenkunde in Leiden onder veel protest teruggeschonken aan Indonesië. In 2005 organiseerde de Nieuwe Kerk in Amsterdam in samenwerking met het Museum Nasional in Jakarta de tentoonstelling Indonesia: de ontdekking van het verleden. De Lombokschat was voor het eerst weer in zijn geheel te bewonderen. De Nieuwe Kerk benadrukte “de nieuwe gelijkwaardige samenwerking en samenhang tussen Indonesië en Nederland.”
De onfortuinlijke El Negro, die waarschijnlijk is gestorven aan een longontsteking en eindigde in een vitrine, werd uiteindelijk een symbool voor de misdaden van het kolonialisme. Tegelijkertijd zagen de inwoners van Banyoles hem als “hun neger”. De Parthenonsculpturen waren tot Elgin ze zich toe-eigende een romantische ruïne voor Europese reizigers, daarna een trofee voor de Britse regering en uiteindelijk voor de Grieken een pijnlijke herinnering aan een verwoest nationaal symbool. Inmiddels zijn ze ook tot het Britse cultuurgoed gaan behoren.
Dit is iets wat bij alle controversiële museumobjecten gebeurt; ze verliezen hun oorspronkelijke identiteit en worden drager van iets dat groter is dan zijzelf.
Wellicht is de enige oplossing het erfgoed te delen. De ene helft van de Elgin Marbles in Engeland, de andere helft terug naar de Akropolis? Of voor de Tropenmuseum-schedels een gedenkplaats creëren in Indonesië, waar ze gestolen zijn? De grote kunstschatten zijn uiteindelijk een beetje van iedereen. En de obscure, duistere objecten die al jaren worden weggestopt, horen juist in de openbaarheid – al is het slechts als herinnering aan een schuldig verleden.