Een ik verkent nieuwsgierig diens pulserende vleeslichaam, trekt zich terug in de kieren van hun zijn en vergroeit tot een thuis. Moni Zwitserloot onderzoekt met behulp van bodyhorror-ervaringen en relaties die buiten het menselijke liggen.
Ik begeef me op straat en mensen kijken naar me. Ook al kijk ik weg, ze kijken. Of ik denk dat ze naar me kijken. Naar mijn felgekleurde kleren misschien, de kleuren die ik nodig heb om me mezelf te voelen. Ken je rupsen die een slang nadoen om hun vijand te verjagen?
Ik begeef me in openbare ruimtes en mensen blijven stil. Ze negeren me of negeer ik hen? Er hangt iets in de lucht, iets dat bij elke inademing in mijn longen prikt. En net als ik voel dat ik een beetje begin te stikken, beginnen ze te praten. En als ze eenmaal beginnen, stoppen ze niet meer. De woorden vallen uit hun monden, de letters vullen de ruimte, krassen vervaarlijk in mijn huid. De taal die nog in me zat, sijpelt via de sneden naar buiten.
Een strook gloeiend, rood vlees. Warm, kloppend, zoals hun schreeuwende koppen
Ik ben mijn stem al lang geleden verloren. De bastonen werden steeds dieper en dieper, tot alleen de trilling in mijn keel nog voelbaar was. Als mensen me echt willen begrijpen, leg ik hun hand op de zachte huid die over mijn adamsappel spant. Het doet me denken aan braille lezen. Het doet me denken aan alle vingerafdrukken die op mijn lichaam staan, hoe je ze zichtbaar kan maken met cacao. Poeder klevend aan huidvet.
De stemmen van de mensen blazen me heen en weer. Harde adem in mijn gezicht, spetters in mijn oren. Ze knakken mijn nek in ongemakkelijke posities. Ik grom laag en diep, geleid de trillingen naar beneden via mijn borst, mijn benen, de straattegels. Tot ik aardbevingen onder hun voeten veroorzaak, tot hun gekwijlde woorden wegstromen tussen de gebarsten klinkers.
Onder mijn huid vindt een reorganisatie plaats. Spieren wringen zich naar de oppervlakte, vet sijpelt naar nieuwe plekken. Ik denk dat ze het zien gebeuren, dat ze daarom tegen me schreeuwen. Krijsen eerder, als pasgeboren vogeltjes met natte veren. Ze krijsen en het slijm loopt uit hun monden, druipt van hun gloeiende gezichten.
De voordeur nog steeds gesloten. Buiten vogelkuikens, nieuwe knoppen.
Mijn huis kan de drukkende warmte niet buiten houden. Ik trek mijn kleren uit, zak door mijn benen tot mijn billen de verkoelende tegels raken. Een stuk losse huid aan de rand van mijn nagel.
Ik hou mijn vinger voor mijn gezicht, stel scherp op het uitgedroogde stukje huid. Ik beweeg het topje van mijn vinger richting mijn mond, laat het rusten op mijn lippen. Ik bevochtig het vel met speeksel, zet mijn tanden er voorzichtig in. De zachte huid geeft mee, scheurt.
Een strook gloeiend, rood vlees. Warm, kloppend, zoals hun schreeuwende koppen. Ik lik het met het puntje van mijn tong, het prikt aangenaam. Aan het einde van de scheur opnieuw een stuk losse huid. Ik denk aan de vingerafdrukken, haak mijn nagel erachter, trek het in één keer los als een pleister. Een schelle pijn schiet vanuit het bovenste kootje door mijn lichaam, een pulserend bonzen.
Ik pel de huid verder af, zoals ik een stuk sinaasappel pel. Moeizaam, met een mesje. Vocht drupt op mijn handen, mijn naakte lichaam, de keukenvloer. Het plakt mijn vingers aan elkaar, ik lik de druppels weg. Proef ijzer, een stroperige smaak. Het sappige vruchtvlees blootgelegd.
Ik heb de afgepelde huid in het raamkozijn gehangen, het werpt een gekleurd licht op het grauwe keukenblok. Ik hoop dat de buren mijn nieuwe vitrage zien, hoop dat ze het niet zien. Ik hoop dat ze aanbellen, niet aanbellen. Mijn lichaam voelt rauw aan, mijn hele oppervlak een schaafwond. De gefilterde zon schroeit, het stof dat van het plafond naar beneden valt prikt.
Toen ik kind was, voor mijn stem verdween, krabde ik alle korsten weg. Tot bloedens toe, tot er een nieuwe korst groeide en de hele cyclus opnieuw begon. De achtergebleven littekens bedekken mijn huid, ik zie de verdikkingen duidelijk hangen in het raamkozijn. Ze houden het felle licht tegen, tekenen patronen op de vloer, gaan een interactie aan met het raster van de tegels.
Ik droom over littekens als ingekapselde wormen onder mijn huid. Ze eten zich een weg door mijn vlees. Wanneer ik ze probeer te pakken, knijp ik ze kapot, vermenigvuldigen ze zich. De wormen praten tegen me, ze zeggen: geef ons vet, we zuigen het op, we willen meer. Als ik wakker word, smeer ik vaseline op de huid in het kozijn, mijn pulserende vleeslichaam drupt op de vloer. Bloed stroomt in de voegen, het vloeibare deel opgezogen door het cement. Donkerrode, haast zwarte, klodders op het glazuur.
Over mijn rauwe vlees groeit een doorzichtig vlies, mijn armen tegen mijn torso geklemd. Ik kan ze er hooguit een handbreedte vanaf bewegen. Er landen vliegen op de huid in het raamkozijn, ik zie ze eitjes leggen. Ik protesteer glibberend, strek mijn tong uit richting het raam, stuit op de barrière van het smakeloze, me omhullende membraan.
Uit mijn elleboog groeit een extra onderarm, uit de bobbel op mijn pols een tweede hand, uit elke knokkel een nieuw vingerkootje
Maden eten zich een weg door de gespannen huid, samen met de priemende ogen van de buren. Mijn tranen blijven hangen onder het vlies. Zout prikt in het zachte vlees van mijn wangen. Ik hoor geen geluid, het membraan zal over mijn oren gegroeid zijn. Ik voel de vibratie van de dikke vliegen, het doet me denken aan de braille, aan een taal die ik versta. Ik voel hoe de sappen onder mijn lichaam zijn gestold, hoe er een korst is gegroeid, een bed waar ik op lig. Zonlicht schijnt door de weggevreten plekken, snijdt in mijn ogen zonder oogleden.
De lucht tintelt, ik zie grillige zichzelf herhalende patronen. Krioelende bacteriën onder een microscoop die steeds verder inzoomt. Het cacaoblik in mijn keuken, met daarop een cacaoblik, met daarop een cacaoblik. De vloer vibreert, het ruwe oppervlak van de matraskorst penetreert het vlies.
Uit mijn elleboog groeit een extra onderarm, uit de bobbel op mijn pols een tweede hand, uit elke knokkel een nieuw vingerkootje. Mijn tenen verkrampen, groeien door de scheurtjes in het vlies, tussen de tegels de platgedrukte aarde in. In de door wormen gegraven gangen kom ik ontspruitende tenen tegen, ik haak de mijne erin.
Ze herkennen ons niet, de mensen, de buren, maar wij zijn ze niet vergeten. We weten precies wie er op ons spuugden, wie er naar ons staarden. We groeien uit hun muren, plafonds en daken, tussen de stoeptegels in hun tuinen. Onze lichamen klauwen zich tussen de stenen omhoog. Soms staan onze knieën niet in de juiste hoek, zijn onze heupen of juist onze schouders te breed. We zijn met veel, er is altijd iemand die past.
In paniek willen ze ons wegpoetsen, bestrijden, verdelgen. We drinken met smaak het kokende water, het gif, de chemicaliën. We hopen het op en spugen het terug. Wanneer ze met twee vingers in ons middel knijpen, ons naar boven trekken, rekken we als taaie stukken kauwgom uit. Als we toch afbreken, groeien we als wormen nieuwe delen aan onze lichamen. We schieten sneller op dan ze ons weg kunnen halen, onze tenen vervlochten.
Moni Zwitserloot is schrijver en performer. Belangrijke elementen in diens werk zijn lichamelijkheid, transformatie en community. Vreemd, vies of raar zijn wordt bevraagd en opnieuw belicht met behulp van gore- en bodyhorror-elementen. Huidige obsessies: insecten, citrusvruchten en glimmend metaal. Moni werkt aan een chapbook dat in november 2026 wordt gepresenteerd op het Wintertuinfestival.
Puck Rietveld (1999) verwerkt haar dagelijkse innerlijke wereld - vol dromen, gedachtes, fantasieen, geheimen en emoties - in tekeningen, schilderijen, foto's en teksten, die allen bij elkaar een grote verbeelding zijn van hoe het vrouwelijke en het vrouw-zijn zich overal mee verwerft voor haar.


















