Op een dag krijgt een jonge vrouw de vraag om voor een standbeeld te zorgen. Samen met haar botte schaar vertrekt ze naar het bos. Onderweg denkt ze terug aan de raadselachtige Ulla, een meisje dat, net als zij, ooit door dezelfde schoolgangen trok. In dit verhaal onderzoekt Mei-yun Boswinkel de spanning tussen het strakke keurslijf van de middelbare school en het verlangen naar een ongedwongen ruimte.
‘Bent u er nog?’
Ze legt haar mobiel naast het hoofdkussen en gaat op bed liggen. De vrouw aan de andere kant van de lijn is op hoge leeftijd. Ze kan het horen aan de stem. Een bepaalde klank die aan de lettergrepen wordt gegeven, dun en schurend, als een verkreukeld plastic boterhamzakje.
‘Ik ben er.’
‘Het gaat dus nog wel even duren voordat Ulla weer zelf op pad mag. Ze vroeg zich af of u in de tussentijd voor het standbeeld zou kunnen zorgen.’
‘Kan iemand anders niet gaan?’
‘Ik heb rondgevraagd bij haar vriendinnen, als u dat bedoelt. Zij wisten van niks.
Ulla zei dat u de route wel zou kennen.’
Ze draait haar gezicht naar het dakraam en trekt haar knieën op, een poging om comfortabeler te liggen. De avondlucht is onbestemd blauw met roze wolkenslierten. Ze sluit haar ogen en duwt haar vingertoppen voorzichtig tegen haar oogleden. Het is pas zeven uur ’s avonds, maar ze is al doodop.
‘Mevrouw?’
Noem me niet zo, wil ze zeggen, zo oud ben ik niet. Ze houdt zich in. De vrouw, die beweert Ulla’s begeleider te zijn, ratelt door. Ze probeert ergens op de achtergrond een teken van leven te horen. Ulla. Net als zij op bed, stelt ze zich voor. Ulla met haar spitse vossengezichtje en sluik, blond haar. Ze durft zich niet in te beelden hoe mager haar gezicht is geworden. Hoe groot het verschil is met de laatste keer dat ze elkaar zagen in de wc achter de aula, waar ze eigenlijk niet hoorde te komen omdat die voor de eindexamenstudenten was gereserveerd. Een regel waar alle laatstejaars gretig op wezen, behalve Ulla. Ulla had er niets van gezegd. Ze hadden kort naar elkaar geglimlacht via de spiegel. Ietwat stijf, maar toch. Twee bekenden op doorreis. Zo voelde het destijds wanneer ze elkaar tegenkwamen in de gangen, of buiten school wanneer hun routes in het dorp even overlapten.
‘Ik zal erover nadenken,’ antwoordt ze uiteindelijk. Ze probeert net zo zakelijk als de begeleider te klinken. ‘Wanneer mag ze weer naar buiten? ’
‘Als ze geen terugval meer heeft, mag ze in de weekenden weer naar huis.’ De begeleider probeert er een lach uit te persen, maar haar stem valt uiteen in blikkerige golven.
In het schemerdonker luistert ze naar de vervormde klanken, haar lichaam opgekruld als een vraagteken.
Kennelijk is ze allang een onzichtbare grens overgegaan, zonder aankondiging, zonder voorteken, en iedereen om haar heen lijkt ervan af te weten
Ze weigert al jaren een nieuwe herfstjas te kopen. Ze is sinds haar zestiende toch niet meer gegroeid. De jas is misschien niet het soort bruin wat tegenwoordig in de mode is, maar dat deert haar niet. Nu de dagen kouder worden, draagt ze hem geregeld. Hij heeft tenminste diepe zakken die groot genoeg zijn voor een schaar. Ze heeft de botte meegenomen, die ze gebruikt voor het openmaken van stoommaaltijden. Het is nog donker. Ze staat alleen in het verlichte bushokje, omringd door sigarettenpeuken. Rokersconfetti noemde ze het vroeger.
In de bus zoekt ze naar de stoel die voor ouderen is bedoeld, die heeft meer beenruimte. In het raam staart haar weerspiegeling haar aan. Ze ziet haar eigen gezicht, zwevend boven de gevels van de rijtjeshuizen waarlangs de bus rijdt. Ze heeft nog altijd last van puistjes rondom haar neus.
Deze ochtend is ze een van de weinigen die op pad gaat. De andere passagiers zijn een jongen en een meisje die een aantal woonwijken verderop instappen. Ze houden elkaars hand vast wanneer ze door het gangpad lopen en gaan dan pal achter haar zitten. Twee zoete wolkjes deodorant. Iets raakt de hiel van haar schoenen. Ze kijkt naar beneden en ziet de neuzen van twee brede witte sneakers. Achter haar wordt gefluisterd.
‘Trek je benen terug. Je zit in de space van die mevrouw.’
‘Ik hoor haar anders niet klagen.’

Ze legt haar hoofd tegen het raam. Het glas trilt tegen haar slaap. Kennelijk is ze allang een onzichtbare grens overgegaan, zonder aankondiging, zonder voorteken, en iedereen om haar heen lijkt ervan af te weten.
De bus zwenkt naar links en passeert blauwe borden met pijlen die de route naar de tunnel aangeven, weg uit de stad. Het is langzaam licht aan het worden. Haar spiegelbeeld vervaagt.
Misschien komt het omdat ik lang ben, houdt ze zichzelf voor. Als kind schatte ze iedereen die boven haar uittorende algauw ouder in. Ulla was ook langer geweest, alleen was ze te iel om volwassen over te komen. Ze had vaak genoeg geprobeerd om de precieze proporties van Ulla’s lichaam op te vangen. Eén semester lang hadden ze na elkaar gym gehad. Ulla’s klas keerde terug, terwijl die van haar binnenkwam. De kleedkamer leek op die momenten altijd wat te krimpen, voelde benauwd en krap. Binnen de kortste keren kwam het doorgeefcircuit van borstels, elastiekjes en deodorantbussen op gang. Zij en Ulla keken altijd toe.
‘En?’ vroeg ze aan Ulla, wanneer de rest was vertrokken en de stilte ongemakkelijk begon te worden.
‘Trefbal,’ was het antwoord meestal. ‘Je moet je gewoon zo snel mogelijk laten afgooien.’
‘Maar dat doet pijn.’
‘Maar dan ben je wel af en kan niemand zich meer met je bemoeien. Ik zou je nu wel gaan omkleden, anders wordt meneer Koenen boos.’
Ulla’s gymtenue bestond uit een slobberige joggingbroek en een wijd T-shirt met lange mouwen. Alleen haar hals was onbedekt. Ze herinnert zich de sleutelbenen die zich als twee mesheften aftekenden onder Ulla’s huid. Zelfs al was zij de enige ander in de kleedkamer en ook al wendde ze haar hoofd af, dan nog pakte Ulla haar schone kleren en sloot ze zichzelf op in de wc om zich daar om te kleden.
De bus rijdt de tunnel in en even wordt alles oranje. Achter haar fluistert het meisje: ‘Justin, doe niet zo aso.’
‘Maar ze klaagt toch niet?’
De sneakers trekken zich terug. Wanneer de tunnel de bus weer uitspuugt, is het landschap kaal gestript tot een platte vlakte. De enige uitstekende bouwwerken zijn elektriciteitsmasten. De stroomdraden lijken met de bus mee te reizen. Ze overlappen elkaar en raken in elkaar verstrikt om vervolgens weer recht getrokken te worden. Ze legt haar hand tegen het raam en doet alsof het vioolsnaren zijn. Vader Jacob. Het enige lied dat ze nog uit haar hoofd kent.
Ze herinnert zich de sleutelbenen die zich als twee mesheften aftekenden onder Ulla’s huid
De bus stopt aan de rand van het bos. Een rij donkere stammen staan op gelijke afstand van elkaar. Ze staat op. De jongen achter haar zucht en strekt zijn benen volledig uit. De deuren zwaaien open.
In haar herinnering was alles groener en feller, die keer dat ze met de klas bij de bosrand hadden afgesproken om te oefenen voor de duurloop. Onderweg kwam ze de klas van Ulla tegen, een slinger van fietsen en rode gezichten die voorbijflitsten. Ulla ontbrak. Slim, had ze gedacht, ik had me ook ziek moeten melden. Bij aankomst stond de rest al klaar in oranje hesjes.
‘Je hebt geluk,’ had meneer Koenen tegen haar gebromd, ‘we missen een hesje dus voor deze keer doe jij het zonder.’ Iemand had nog geprotesteerd. ‘Zíj is toch te laat? Geef haar mijn hesje! Hoef ik niet in dit stinkding te rennen.’
Ze hadden het zandpad moeten volgen. Alle jongens behalve Bram en Arne gingen voorop, het clubje van Tessa vormde de hekkensluiters. Voordat de klas naar het bos vertrok, was zij nog gauw naar de wc gegaan, waar Tessa en haar vriendinnenclubje stonden te overleggen hoeveel maandverbandjes ze het beste in hun onderbroek konden stoppen en van welk merk. Ze onthield de namen voor als ze zelf ongesteld zou worden.
Bij de naar links hellende bomen stopte ze en wachtte tot de laatste van Tessa’s kudde voorbij was gehold. Ze wilde maar een klein stukje het bos in lopen en dan terugkeren om zich weer bij de anderen te voegen, die tegen die tijd hopelijk bezig waren met de laatste ronde. Maar er waren lichtvlekken tussen de bomen verschenen, die zo nu en dan verschoven en leken te pulseren. Het was er koel en stil. Niemand miste haar.
Ze stapt stevig door. De wind komt recht van voren en laat haar voorhoofd tintelen.
Het zandpad is veranderd in een modderbaan. Er drijven bladeren in de geulen die zijn achtergelaten door de banden van een brommer. De modder bespikkelt haar broekspijpen. Halverwege het pad zal ze moeten afslaan, ergens bij een open plek tussen de bomen. Ze herkent het pas wanneer ze takken op een bepaalde manier ziet afbuigen.

Diep in het bos is de grond bezaaid met een dikke laag mos die onder haar voeten wegzakt en lijkt te golven, alsof ze op een enorm waterbed loopt. In de verte tussen de boomstammen ligt de waterpoel, een grijze lijn, met aan de rand een donkere stip.
Ze was destijds stil blijven staan, onzeker over de opgedoemde silhouet. Toen de gedaante zich niet bewoog, was ze er voorzichtig op afgelopen. Het was een bronzen vrouw met twee vlechten. Haar lippen waren in een onnatuurlijke glimlach geperst en ze hield haar handen als een kommetje voor haar buik vast. Een klimop wikkelde zich als een spiraal om haar heen, meerdere strengen, beginnend vanaf het voetstuk en eindigend bij haar knieën.
Ze was stil blijven staan voor de vrouw en had haar handen op het brons gelegd. Eerst op de armen en daarna toch ook op de borsten, die recht vooruit staken alsof iemand twee kegels had gegoten en die tegen het lichaam had gedrukt. De hare waren in dat schooljaar pas net tevoorschijn gekomen, twee hoopjes. Volgens Tessa veroorzaakte de wind de bolling in haar shirtje.
Alsof er in haar borstkas ook een klimopslinger groeit die zich strak om haar borstbeen wikkel
Het brons was koel. Ze had haar handen teruggetrokken en tegen haar eigen hals gelegd in een poging om af te koelen. Toen ze zich omdraaide, stond Ulla in haar gymkleren aan de overkant van de waterpoel. In haar linkerhand hield ze een oranje prop losjes vast. Ze bewoog in eerste instantie niet, leek zelf ook een standbeeld, totdat ze voorzichtig glimlachte en rustig naar haar toeliep. De zon die door het bladerdak brak, gleed als een spotlight over haar hoofd. Het hesje gooide ze als een bal van haar ene naar haar andere hand.
‘Je kijkt raar,’ had Ulla gezegd, ‘maar volgens mij ben jij juist de weirdo hier.’
‘Ik dacht dat je gym had geskipt,’ had ze slapjes weten uit te brengen.
‘Soms heb je geen andere keuze.’
Het hesje viel op de grond. Ulla stak haar voet onder de stof en probeerde het omhoog te wippen. ‘Maar soms moet je ook tegengas geven.’ Haar stem was kalm geweest. Plechtig. Ze was er nog niet over uit wat ze met het hesje ging doen, of ze het beter kon begraven of in het water kon dumpen.
Ze blijft staan aan de rand van de open plek. In plaats van een waterpoel ligt er aan haar voeten een diepe regenplas die de bomen weerspiegelt. De stammen lijken de lucht in te groeien. Was het altijd al zo? Heeft ze de waterpoel verzonnen? Ook de bronzen vrouw is veranderd. Ze lijkt smaller en kleiner, en haar borsten zijn gelig geworden alsof ze last heeft van uitslag.
‘Wil je ook zulke borsten?’ had Ulla gevraagd.
Ze kan zich de toon niet meer herinneren. Wel dat ze daarna naar de klimop wees om zichzelf een houding te geven. ‘Mooi.’
‘Voor nu,’ had Ulla geantwoord. ‘Nog even en ze komt vast te zitten onder de klimop.’

‘Ze is een standbeeld. Ze kan niet bewegen.’
‘Dat weet ik ook wel. Ik bedoel: straks wordt ze verzwolgen. Dat zou zonde zijn.’
Ze hadden vlak naast elkaar gestaan, maar elkaar niet aangekeken. De stilte werd opgevuld door het geruis van de bomen. Af en toe floten er vogels.
‘Ze heeft het maar makkelijk.’ Ulla sprak zo zacht dat ze in eerste instantie had getwijfeld of het wel voor haar was bedoeld.
‘Omdat niemand haar ziet?’
‘Ze hoeft zich nooit druk te maken. Haar lichaam blijft hetzelfde.’
Vanaf dit punt valt de herinnering uiteen als een ruïne. In de verte had de stem van meneer Koenen geklonken. Hij had haar naam meerdere keren geroepen, en nog iets anders, maar wat precies is ze vergeten. Ulla had snel het hesje aan haar overhandigd. ‘Zeg maar dat je iets oranjes zag liggen en dat je er daarom vandoor bent gegaan.’
Ze gaat recht voor het standbeeld staan. Ze zijn nu even groot, de vrouw en zij. In haar handen houdt de vrouw een hoopje uitgedrukte sigaretten vast. Het as heeft zich vermengd met een dun laagje regenwater. Ze pakt een van de sigarettenstompjes en zwaait die heen en weer voor het gezicht van de vrouw. Donkere druppels vallen van het verkoolde uiteinde.
‘Gaat lekker met jou.’
Twee opengesperde ogen staren terug. Hoe langer ze naar de vrouw kijkt, hoe onrustiger ze zich voelt, alsof er in haar borstkas ook een klimopslinger groeit die zich strak om haar borstbeen wikkelt. Van dichtbij lijken de borsten van de vrouw te glanzen. Twee gouden cirkels als markeringen van de plekken waar het brons door de jaren heen is gepolijst door vreemde handen.
Ze laat de sigaret in de handen van het beeld vallen. Twijfelt. De klimop is zich gaan vertakken en reikt al naar de heupen van de vrouw, alsof de plant het beeld langzaam wil opeten. De bladen van de schaar zullen niet sterk genoeg zijn voor de dikkere strengen.
Ze trekt haar jas uit en drapeert de stof om het bovenlichaam van het beeld, de mouwen strak om de nek geknoopt. Dan trekt ze de rits omhoog. Voor de zekerheid knipt ze een takje klimop af en wurmt het steeltje door de opening van de ritssluiting als extra barrière. Haar eigen lichaam zet zich schrap wanneer de wind opsteekt en kil langs haar heen stroomt.
Wanneer ze klaar is, slaat ze haar armen strak over elkaar heen in een poging om zichzelf warm te houden. Met de wind in de rug laat ze zich het bos uitvoeren. De vrouw kijkt haar glimlachend na, terwijl de klimopranken rondom haar heupen heen en weer wiegen, zich spreiden als armen die haar willen omsluiten.
Mei-yun Boswinkel (2003) zoekt verhalen in de fysieke en digitale wereld, met oog voor vorm en materialiteit, en wisselt af tussen proza en non-fictie. Ze is alumna Creative Writing en studeert momenteel als sidequest Koreastudies.
Hannah Vonk werkt vanuit een gevoel van kracht en kwetsbaarheid. In haar werk staan menselijke relaties centraal. Ze maakt kunst vanuit de drang om haar omgeving, de medemens én zichzelf beter te leren begrijpen.


















