Op een warme avond in een koele loods loopt een jonge vrouw een bekende professor tegen het lijf. Met de geur van opgedroogd zweet en de aanblik van een duur kapsel neemt Faye Schumacher ons mee in een ontmoeting tussen Vanessa en Meneer de Professor. ‘Zo ging dat soms met mannen die ooit een prominente rol in mijn leven speelden: van de een op de andere dag konden ze consultant of verdwenen zijn.’
Er is een heel aantal dingen dat ik nog nooit gedaan heb. Ik heb nog nooit mijn gympen geverfd, nog nooit aan een escaperoom deelgenomen en nog nooit zonder shirt over straat gelopen op een warme dag. Ik heb nog nooit ergens tegenaan gepist in het openbaar, mijn haar nog nooit ‘gedipdyed’, nog nooit iets in de fik gezet of getongd met een man die uitzonderlijk kaal is.
Ik heb nog nooit iets gestolen dat duurder was dan zeven euro vijftig, nog nooit gepoept in een pizzarestaurant, ik heb nog nooit twee handen om iemands keel gelegd in bed, een krans van eeltig vlees, en geduwd tot ze roze zag, zonder haar eerst om consent te vragen. Ik heb nog nooit een horloge gehad, nog nooit een mug cake in de magnetron gemaakt, nog nooit de hele kliek ‘gebuutvrijd’ en ik heb geprobeerd om nooit tegen vrienden te liegen.
***
Ik had een grote fout gemaakt, dat zag ik zelf ook wel. Sterker nog, iedereen kon het zien: ik had twee enorme zweetplekken in mijn grijze shirt. Vandaag was een hitteplan actief, zo kopte het NOS-liveblog; ze postten non-stop foto’s van zielige dieren die het warm hadden. Ik had daaraan moeten denken toen ik een shirt aantrok, maar ik was in één keer opgestaan, had sterretjes gezien, was op mijn fiets gestapt en realiseerde me toen pas wat hitte echt betekende.
Vanavond presenteerde Meneer de Professor zijn audiodocumentaire in de loods waar ik werkte, er zou zeker een aantal bekende mensen zijn, was ons in de briefing verteld. Of we niet de normale glazen wilden gebruiken, maar de flûtes graag, en of we niemand wilden vragen om een foto. Achter de bar vertelde mijn collega Jenny mij dat ik twee enorme zweetplekken in mijn grijze shirt had. ‘Dat ziet er onverzorgd uit,’ zei ze. ‘Ik weet het,’ zei ik, ‘maar daar is nu niet zo veel meer aan te doen. Ik zal gaan wapperen, of de oksels onder de kraan, zou dat beter zijn?’ ‘Vanessa,’ zei mijn collega Jenny, ‘het maakt me niet uit wat je doet. Laat het niet nog een keer gebeuren.’ Ik knikte, maar het leek me een vrij onredelijke eis. Over sommige dingen heb ik gewoon weinig tot geen controle.
***
Tot zijn neusbrug verdween hij in het wit, zo diep drong het softijs zijn neusgaten in
Ik kende Meneer de Professor natuurlijk door zijn algemene bekendheid, maar voornamelijk ook uit verhalen van mijn goede vriendin Lieseke, die hem had ontmoet via een datingapp. Ook ik had hem vaker voorbij zien komen op datingapps, had dan naar zijn leeftijd gekeken en dat op z’n minst opmerkelijk gevonden. Ik vertelde hierover aan onze studievriend Eric van de Brand, die niet echt zo heette. We aten softijs, en ik sprak honderduit over Meneer de Professor, zijn online profiel, zijn interesse in Lieseke, zijn leeftijd; waarom had Meneer de Professor zijn profiel zo afgesteld dat hij vrouwen van vijftien jaar jonger zag? Eric van de Brand likte zijn ijsje en vroeg waarom het wel erg was dat Meneer de Professor vrouwen van onze leeftijd zag en niet dat wij mannen van zijn leeftijd zagen. Mijn vriendin Lieseke wilde wel een oudere man, maar een oudere man mocht haar niet willen. Hij vond het hypocriet en ook typisch en ook nog paradoxaal. Ik vroeg of hij aan mijn ijsje wilde ruiken. Toen hij dat deed, duwde ik het ijsje in zijn gezicht. Tot zijn neusbrug verdween hij in het wit, zo diep drong het softijs zijn neusgaten in. ‘Vanessa,’ zei Eric van de Brand, ‘wat doe je nou?’ ‘Niks,’ zei ik, ‘jij leunde je hoofd te ver naar voren,’ en toen zei hij niks. Het laatste wat ik van hem vernam was dat hij per ongeluk brand had gesticht in zijn studentenhuis en dat hij tegenwoordig consultant is. Zo ging dat soms met mannen die ooit een prominente rol in mijn leven speelden: van de een op de andere dag konden ze consultant of verdwenen zijn.
In het begin zag mijn vriendin Lieseke Meneer de Professor veel. Volgens haar was hij slim en volwassen, wist hij hoe je een laurierblad gebruikte bij het koken, nam hij haar mee naar restaurants waar ze gekoelde rode wijn dronken en spraken over filmhuisfilms en het patriarchaat. Hij was lief voor haar, zei ze, en ze hadden altijd interessante seks in mooie hotelkamers, omdat hij liever niet bij hem thuis afsprak en wij ooit een huisgenoot hadden gehad met schurft. Die was nu weg, zowel de schurft als de huisgenoot, maar dat maakte niet zoveel uit voor Meneer de Professor. Ik had hem dus nog nooit gezien. Ook vriendin Lieseke zag hem niet meer, tegenwoordig. Ik had overwogen om haar te vertellen dat ik hem vanavond zou tegenkomen. Misschien zou ik het later, als ik thuis kwam, zeggen.
***
Binnen in de loods was het koel. Zo koel, dat mijn zweet snel opdroogde en daardoor sterker ging ruiken. Teleurstellend, vond mijn collega Jenny, maar wat deed je eraan? Ik stond achter de bar en poleerde de flûtes. Op het podium van de loods zat Meneer de Professor in een fauteuil. Naast hem zat de interviewster en ze vroeg hem hoe hij te werk was gegaan. Belangrijker dan de werkwijze, vond Meneer de Professor, was de inhoud. Het ging over de mannelijkheidscrisis, daar moesten we het eindelijk eens over hebben. Meneer de Professor had natuurlijk een groot hart voor de vrouwenzaak, hij had een vrouw en twee dochters. Zijn negendelige audiodocumentaire dook diep in zijn eigen psyche en de psyche van alle andere mannen, er waren interviews, maar meer dan dat – vond hij belangrijk om te benadrukken – er waren gesprekken. Dat was dan ook wat hij wilde bewerkstelligen met zijn audiodocumentaire: dat we nu eindelijk, samen, eens een vruchtbaar gesprek konden hebben over het patriarchaat.
Hij had best grote en stevige handen, vooral voor een schrijver uit Amsterdam-Zuid
Voor ze echter aan het gespreksdeel van de avond konden beginnen, waren ze door de tijd heen, deelde de interviewster mee. Ze legde haar stapeltje kaartjes met vragen weg en schudde Meneer de Professor de hand. Hij glimlachte breed en maakte een bescheiden buiging. Tijdens zijn buiging kon ik, door het podiumlicht, een zweem van zijn blote hoofdhuid zien, glazig en roze, onder zijn krullen. Hij moest een hele dure kapper hebben, het was goed verborgen.
Ik zweette opeens enorm in mijn nek, ik tilde mijn haar op en het was een Tikibad-glijbaan van achter mijn oren tot mijn schouders. Ik sprak mijn collega Jenny hierover aan, die me vertelde dat ze echt niks over mijn natte nek hoefde te horen en dat ik na de eerste uitloop wel even naar buiten mocht. Ik tapte bier en dacht aan buiten, buiten, aan felle zon en een hoofdhuid die kon verbranden.
***
Toen het uitging tussen Lieseke en Meneer de Professor was iedereen daarvan op de hoogte. Het was ons niet duidelijk hoe dat gebeurd was, maar het maakte ons in één klap de populairste mensen om bij in de buurt te zijn. Een paar dagen lang stond Liesekes telefoon roodgloeiend, onze vrienden wilden alles horen over Meneer de Professor en vooral vertellen over de interacties die zij met hem hadden gehad.
Aan de keukentafel knikte Lieseke mee met de bespiegeling op zijn intellect, zwijgend, haar haar heen en weer wiegend met elke knik, golvend rond de schrale plekken op haar nek. Ze had twee lange oorbellen in, die met elke knik opnieuw tegen haar hals botsten en de schrale plekken schraler maakten, feller roze, als de huid van een biggetje in een tekenfilm. Onze vrienden hadden hem wel vaker ontmoet, één van hen had wel eens met de vrouw van Meneer de Professor gepraat, vertelde hij. ‘Hele intelligente vrouw, je kon er echt een goed gesprek mee voeren.’ ‘Zonde voor Lies,’ zei een ander, ‘ze had vast veel van hem geleerd.’
Die avond waste ik de wijnglazen heel slecht af, het afwasmiddel aangelengd met water, het afwaswater koud. Lieseke kwam achter mij staan, legde haar wang op mijn schouder, ademde diep in, ik rook vast naar de pijnboompitten die ik had laten aanbranden in een poging een volwassen gerecht te maken. Ze vroeg of we het er nu nooit meer over hoefden te hebben en ik zei ‘ja’ en toen ze zich omdraaide keek ik naar haar nek tot ze de kamer uit was.
***

Buiten de loods duwden de bakstenen heet in mijn rug. Ik was vergeten dat het buiten ook zo warm was, het koelde in de stad heel langzaam af, alsof we met z’n allen binnen in een kersenpittenkruik woonden; de hele stad aan het voeteneind van iemands bed.
Meneer de Professor kwam naast mij staan. Ook hij duwde zijn rug tegen de muur. Zijn dure kapsel, zijn hippe pak dat ik kende van de foto’s die Lieseke me had laten zien. ‘Heet, hè,’ zei hij. Hij stak zijn hand uit om zich voor te stellen. ‘Ik weet wel wie jij bent,’ zei ik, en daar moest hij om lachen. Hij vroeg me om mijn naam, dus vertelde ik hem dat ik Vanessa heette. Hij vroeg hoe ik de presentatie vond. ‘Prima,’ zei ik, ‘maar ik heb verder niet zoveel met audiodocumentaires.’ Dat vond hij opmerkelijk. De audiodocumentaire was het meest democratische medium ter wereld, volgens Meneer de Professor. Omdat letterlijk iedereen ter wereld toegang had tot een podcast-app. Dus het exclusiviteitscomponent, dat toch zo vaak aan informatieverspreiding hangt, werd in deze vorm compleet weggenomen.
Ik had dit verhaal een uur of twee geleden al gehoord, op het podium, dus keek ik naar zijn handen. Hij had best grote en stevige handen, vooral voor een schrijver uit Amsterdam-Zuid. Zijn schone nagelbedden, zijn gouden, glimmende trouwring die ik niet kende van de foto’s die Lieseke me had laten zien. ‘Hoe oud ben je,’ vroeg hij, toen zijn relaas over de democratisering van de audiowereld was afgelopen. ‘Zesentwintig,’ zei ik, ‘wat de meest nietszeggende leeftijd is, niemand heeft een herinnering aan zesentwintig zijn.’ Hij wel, vertelde hij, toen hij zevenentwintig was, was hij naar Nicaragua geweest. Ik vroeg hoe duur zijn kapsel was. Hij hield zijn hoofd schuin. ‘Jij bent grappig,’ zei hij. Dat vonden mannen altijd leuk om te zeggen, ik wilde het gewoon weten. ‘Ik ging vroeger altijd naar een vaste kapper in Amsterdam-Oost,’ zei hij. ‘Super lieve man, runde de zaak met z’n zoon, ze deden het perfect, voor minder dan twee tientjes.’ ‘En nu dan?’ vroeg ik. Hij zuchtte. Tweehonderdzesentwintig euro kostte het inmiddels om zijn haar te laten doen. Ik vroeg hem hoe vaak hij dat deed. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Eens in de zes weken.’
Op een bepaalde manier leken Meneer de Professor en ik wel op elkaar. Ook hij had een grote mond, gewoon, fysiek groot, en als ik veel geld had gehad om uit te geven, had ik dat waarschijnlijk ook aan onzinnige dingen gedaan. Ik vroeg me af of hij zich ook in mij herkende. Hij keek naar mij, mijn grijze shirt, de twee zweetplekken onder mijn oksels. ‘Hoe heet je eigenlijk,’ vroeg hij. En toen sloeg hij zijn armen om mij heen. Zijn voorhoofd op mijn schouder, misschien kreeg hij wel nooit een knuffel. Daar had hij wel iets over gezegd, in zijn audiodocumentaire over de mannelijkheidscrisis. Instinctief legde ik mijn handpalm tussen zijn krullen. Ze voelden stug van de hoeveelheid product die hij erin had gesmeerd. Ik zag hem voor me, ‘s ochtends, in zijn badkamer, zijn ogen vol slaap, zijn handen vol plakkerige gel, als een kind wiens vingers na het eten schoongeveegd moeten worden. Mijn buik trok samen, mijn hand begon over zijn rug te wrijven in grote cirkels. Toen stopte hij zijn neus in mijn oksel en ademde diep in. Het kietelde een beetje, ik voelde door mijn shirt heen hoe zijn neusvleugels bewogen bij elke ademteug, zo diep zat zijn neus. Daar liet hij hem even rusten, zijn neusvleugels op en neer, op en neer, op en neer, diepe, diepe teugen.
Op de fiets naar huis dacht ik na over dat ik nog nooit een man had laten struikelen
Hij trok zijn gezicht weg, liet zijn armen weer naast zijn lichaam hangen, wreef over zijn gezicht en keek me aan. ‘Je ruikt naar iemand die ik ken,’ zei hij. ‘Geen idee wie. Mooi, een vrouw die naar echt werk ruikt. Kom je met me mee?’ Hij draaide zich om, wilde weglopen. Zijn suède schoenen, zijn zwakke enkels. Mijn rechterbeen schoot uit, mijn voet in een scherpe hoek. De laars kwam hard tegen zijn wreef. Ik trok de schoen snel weer terug. Meneer de Professor was uit evenwicht gebracht. Hij verstapte zich, zakte door zijn enkel en kon nog net op tijd zijn handpalmen ophouden, zodat hij niet met zijn gezicht tegen de bakstenen muur knalde.
Verbaasd herpakte hij zich, hij trok zijn handpalmen van de muur af, keek ernaar. De grote, roze handen waren vuurrood aan de binnenkant. Een deel van zijn vel was wit weggescheurd en opgekruld, de huid daaronder feller roze, als de huid van een biggetje in een tekenfilm. Er bubbelde wat bloed op onder de gescheurde huid. Hij balde zijn handen, schudde ze uit, schold een paar keer, keek toen naar mij. Zijn wenkbrauwen zaten dichter op zijn ogen, nu. ‘Liet je mij nou struikelen?’ vroeg hij. Ik zei ‘nee hoor’ en draaide me om. Misschien wilde hij me wel naroepen. Hij wist toch niet hoe ik heette.
***
Op de fiets naar huis dacht ik na over dat ik nog nooit een man had laten struikelen. Ik zag voor me hoe hij zijn ene been over zijn andere had geplaatst, hoe het niks had uitgemaakt, hoe hard hij tegen de muur was geklapt, de schaafwonden in zijn handpalmen. Ik vroeg me af of het zou prikken, als hij morgen een toef zonnebrand in zijn handpalm zou knijpen om de schouders van zijn dochter mee in te smeren.
Eenmaal thuis waste ik mijn handen, hield ze langer dan noodzakelijk onder de kraan, duwde daarna mijn natte handen onder mijn oksels. Ik trok de mouw van mijn shirt omhoog om te ruiken of de geur van zijn voorhoofd op mijn schouders was blijven plakken. Maar hij was nergens te bekennen.
Ik klopte op de deur van de slaapkamer van Liesje. Ik verwachtte dat ze al lag te slapen, maar ik hoorde haar vagelijk iets mompelen en dus liet ik mezelf binnen. Ze lag in haar grote bed, haar slaapmasker omhoog geschoven, haar haren torenden als een enorme kroon boven het masker uit. Ze deed één oog open en wenkte me. Ik schopte mijn schoenen uit, mijn sokken nat van het zweet, duwde mijn broek naar beneden en stapte bij haar in bed. Ze vouwde zich om mij heen, haar arm over mijn arm en buik. Haar wang op mijn schouder, ze ademde in. ‘Je stinkt,’ zei mijn Liesje. Ik knikte. ‘Wat heb je allemaal uitgespookt?’ ‘Ik heb een man laten struikelen,’ zei ik. ‘Hmm,’ mompelde mijn liefje. Binnen de kortste keren was ze in slaap en luisterde ik naar haar ademhalen. In, uit, in, uit, in, uit, in, ik zou nooit ergens anders naar hoeven te luisteren. Morgen, als het nog een dag zo heet was, zou ik softijs voor haar kopen.
Deze tekst kwam tot stand in het kader van de schrijfresidentie van Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met stichting Biermans-Lapôtre.
Faye Schumacher (1999) is scenarist, theater- en prozaschrijver. Ze schrijft graag over rare vrouwen, vreemde relaties, mensen die slecht uit hun woorden komen en het patriarchaat.
Sterre Kranenburg (zij/haar) creëert graag de perfecte omstandigheden om in gesprek te gaan over de dingen waar we normaal gesproken pas na vijf wijn over praten. Ze verhoudt zich op een open en eerlijke manier tegenover onderwerpen waar stigma’s of taboes op rusten. Binnen deze thematiek is zij steeds weer op zoek naar manieren om haarzelf bloot te geven en voorbij schaamte te bewegen. Ze schenkt de wijn, dus laten we het gesprek beginnen.


















