Dealen met fysieke ongemakken, de dood, en afgelegen, kale landschappen spelen vaak een centrale rol in de boeken van Jilt Jorritsma - zelfs zijn proefschrift ging over zinkende steden. Het is daarom niet verrassend dat Jilt Jorritsma gegrepen werd door de Biesbosch en haar spookachtige arbeidshistorie toen literair productiehuis Tilt en Cultuurfonds Noord-Brabant hem vroegen het achtste Brabants Boek Present te schrijven. De verhalen die hij ontdekte en opschreef zijn des te grilliger - vandaag lichten we alvast een tipje van de sluier.
Een schrijver draagt zijn dochter over een uitgestrekte akker. Een man loopt met hen mee. Hij is van de gemeente en in zijn hand heeft hij een sleutel. En ze lopen en ze lopen. De middag is aangenaam, maar de dagen ervoor heeft het veel geregend. Het gras onder hen nat en week. En daarom tilt de schrijver zijn dochter, zodat haar roze laarzen niet wegzakken in de met mest bestrooide grond. Hun bestemming zien ze al van verre, want de strakke horizon boven de akker wordt onderbroken door een puist in het land. Een verhoging. En op die verhoging torenen twee reusachtige bomen. Kastanjes. Hun takken zijn kaal, ze hangen neerwaarts en omhullen een kleine keet van steen.
De schrijver schrijft een verhaal. En dat verhaal speelt zich af in een keet, precies als deze, want tot precies een eeuw geleden bevond dit stenen onderkomen zich op een eiland, zoals er hier in de Biesbosch zovele eilanden waren, voordat het water er omheen werd drooggelegd en in bouwland veranderde.
Zijn dochter klemt haar armen om zijn hals, ademt in zijn oor en vraagt of ze er al bijna zijn. Ze wilde weleens zien wat haar vader precies doet, als hij schrijver is, anders dan bijna onbewogen achter zijn bureau naar een laptop staren.
Op het eiland waar de keet zich vroeger bevond, teelde men wilgen en die werden in de winter geoogst door griendwerkers die veelal uit Werkendam afkomstig waren. De griendwerkers sneden en hakten de takken van de bomen. Dat was hun verdienste. Een schraal inkomen, dat veel vroeg van de arbeiders. Er moest soms urenlang geroeid worden om het eiland te bereiken. Vervolgens bivakkeerden de mannen dan vijf dagen van de week in de keet, afgesloten van het vasteland. Het was koud, nat en moerasachtig, want tijdens de vloed overstroomde het eiland. De keet diende dan als toevluchtsoord, waar men het zakken van het water afwachtte. Maar ook daar was men niet altijd veilig voor het water.
Het verhaal dat hij schrijft volgt vier griendwerkers die tijdens een stormtij gevangen zitten in een keet. En terwijl ze daar zitten vertellen ze elkaar verhalen rond het vuur. Zulke kampvuurverhalen hielpen de tijd te doden, maar leidden de aandacht ook af van de erbarmelijke omstandigheden, stuurden de gedachten weg van de dood die op het eiland nooit ver weg was. Veel van de verhalen die rond de vuren in de keet werden verteld zijn later opgetekend en bewaard. En de schrijver las ze en werd erdoor getroffen. Veelal zijn het spookverhalen over griendwerkers die de dood vonden, die door de ratten werden opgegeten. Allemaal wortelen de verhalen in een werkelijkheid die gruwelijk is, maar door die gruwelijkheden in een verhaal te gieten en ze te delen rond het vuur, veranderde er iets. De dood werd anekdote. Iets waar om gelachen werd, of iets waar gezamenlijk om kon worden gehuiverd. En zo werd de dood op afstand gehouden.
En diep van binnen weet de schrijver dat hij hier puur is voor de bühne
De schrijver, met zijn dochter op de arm, beklimt de verhoging, die met afgebroken takken ligt bezaaid. De keet staat er vervallen bij. Zijn muren zijn verweerd en donker. De man van de gemeente steekt zijn sleutel in het slot. Hij draait, zonder dat er iets gebeurt. Dan draait hij nog eens en mompelt dat het vreemd is, dat de sleutel gewoon zou moeten werken.
Nu hij oog in oog staat met een keet als die waarover hij schrijft, vraagt de schrijver zich af wat hij hier eigenlijk doet. Toen hij vertelde dat hij werkt aan een verhaal over een keet op een wilgeneiland, had iemand opgeworpen dat hij ’s nachts in zo’n keet zou moeten overnachten, om te kunnen ervaren hoe het voor zijn personages geweest moet zijn. En daarom is hij nu hier, bij een van de laatst overgebleven keten die de Biesbosch nog bezit. Als het verweerde gebouwtje er van binnen een beetje redelijk uitziet (als er geen uil woont of wespennest in zit), dan kan de schrijver er op een later moment een nacht in slapen. Met een matje op de vloer. En ergens trekt dat de schrijver aan, want hij is benieuwd of de geest van deze plek, de genius loci zoals dat zo mooi heet, hem iets te vertellen heeft, of de geest van de mensen die hier hebben gebivakkeerd en overleefd in de stenen wanden is getrokken. Door hier te zijn kan de schrijver de keet als het ware als zijn getuige nemen. Maar tegelijkertijd voelt hij zich een indringer, want het verhaal dat hij schrijft heeft hij min of meer al af. En diep van binnen weet de schrijver dat hij hier puur is voor de bühne. Dat zijn aanwezigheid hier hem tot een gimmick maakt. De overnachting zal iets zijn wat aanspreekt, een haakje voor journalisten in interviews die hij over het verhaal zal geven, omdat het publiek nu eenmaal wil dat een schrijver het geschrevene daadwerkelijk heeft doorleefd en doorvoeld, want dat is authentiek.
En terwijl de man van de gemeente worstelt met het slot, loopt de schrijver met zijn dochter in zijn armen om de keet heen. Zijn dochter vraagt waarom de sleutel niet werkt, waarom de deur niet opengaat en waarom ze niet naar binnen kunnen, want ze zijn hier om naar binnen te gaan. En de schrijver antwoordt dat hij dat niet weet. Hij zegt dat ze even moeten afwachten. En dan kijkt hij door het aangetaste glas van het enige raampje dat aan de achterkant van de keet zit. Binnen is het donker, maar toch ziet hij dat er aan een van de wanden drie schietschijven zijn opgehangen. De schrijver loopt verder. En naast het keetje, tegen de muur aan, is iets in elkaar geknutseld. Een soort opstelling van staalgaas, bedekt met een camouflagenet.
En de schrijver begrijpt wat er aan de hand is. De keet is gekraakt, toegeëigend door iemand die er zijn uitvalsbasis van heeft gemaakt. Iemand die er jaagt. De man van de gemeente is bij de schrijver komen staan. We moeten dit eerst onderzoeken, zegt hij. Voorlopig kun je er niet in. En ergens is de schrijver opgelucht.
En dan pas zien ze de dieren. Hun dode lichamen liggen verstopt tussen de takken. Aangevreten zwanen. Het karkas van een bok. En een bever die nog nat lijkt, alsof hij net uit het water komt gekropen en hier is gaan liggen om te rusten.
En hij hoort wat deze plek hem dwingt te zeggen
En de schrijver heeft spijt dat hij zijn dochter van drie heeft meegenomen. Ze vraagt weer waarom ze niet naar binnen kunnen. Ze vraagt waarom de bever daar ligt. Ze vraagt waarom hij niet beweegt. En de schrijver zegt dat het dier dood is. En ze vraagt dan wat is dood? En hij zegt dat de bever niet meer kan bewegen en dat hij niet meer kan praten en niet meer kan ademen. En ze vraagt waarom hij dood is. En de schrijver zegt dat hij oud is geworden en dat hij toen is doodgegaan. En ze kijkt een tijdje naar de bever en vraagt of ze op hem mag staan. En hij zegt dat dat hem geen goed idee lijkt, omdat het niet zo netjes is om op dode dieren te staan. En ze vraagt waarom de bever hier dan ligt, waarom iemand hem hier heeft neergelegd. En de schrijver zegt dat iemand de bever heeft gevonden en dat diegene dit een mooie plek vond voor de bever, zo onder die twee mooie grote kastanjebomen.
En hij hoort wat deze plek hem dwingt te zeggen. Hoe zijn geruststellende woorden de werkelijkheid bedekken. Hoe ze het gebeurde op afstand houden. Zijn verhalen zullen haar beschermen.
En de dood is anekdote geworden.
Van 12 t/m 27 september krijg je de novelle Zinkstukken cadeau in je favoriete Brabantse boekhandel bij besteding van € 15,-.
Jilt Jorritsma (1991) is schrijver en historicus. Zijn debuutroman Was stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs en op de shortlist van de Anton Wachterprijs. Door NRC werd Jorritsma uitgeroepen tot Rijzende Ster in de Literatuur. Hij won de Joost Zwagerman Essayprijs, de Nexus Connect-essaywedstrijd en een Rely Jorritsmaprijs. Zijn tweede roman Autopsie verscheen in 2025 bij Das Mag.
Janine Hendriks (1978) aka Kaftwerk is grafisch ontwerper en illustrator. Vanuit haar studio in Tilburg bouwt zij aan een beeldend universum waarin vormen lijken te zweven, kleuren in elkaar overlopen en alles nog mogelijk is. Haar werk verschijnt op boekomslagen, tijdschriften, albumhoezen en in gelimiteerde oplages.


















