Asset 14

Igor

Joyce schreef een kort verhaal over een man die voor de deur ligt.

Er ligt een man te niezen voor de deur. Voordat hij ging liggen, zat hij rechtop, wijdbeens, een appel te eten in het portiek. Ik zat op driehoog en had voor de negentiende keer de titel "De grenzen van telepathie" getikt, telkens in een verschillend lettertype. De ramen stonden open, maar de lucht stond stil en was heet en droog zoals in een oude kapsalon. Nadat ik vrede had genomen met Copperplate gothic bold en de titel had veranderd in "Telepathie en zijn grenzen", werd ik me bewust van een repetitief geluid: een lange reeks niezen, onderbroken iets rochelends. Ik stak mijn hoofd uit het raam, heel voorzichtig, zoals ik doe wanneer de bel gaat om onopgemerkt te wachten tot mijn man – die beneden werkt en voortdurend mensen en leveringen ontvangt – komt opendoen.

Ik kijk neer op een kruin met plakkerig haar en in het midden een kale plek, als een luchtfoto van een woud waar hout werd gekapt. Tussen het niezen door neemt de man happen uit de appel. Wanneer de volgende nies hem overvalt, vliegen de halfgekauwde stukken er krachtig uit, waardoor de contouren van een halve cirkel – een mengsel van snot en fruit – bij iedere nies meer vorm krijgen. Hij kijkt naar de stukken appel die op zijn broek en mouwloos shirt hangen om ze vervolgens in de categorie eetbaar of afval in te delen. Eetbaar blijft ter plaatse liggen, misschien voor later, afval wordt er zorgvuldig afgeplukt en op de grond gelegd.
Vanuit het venster probeer ik te evalueren of deze man enig gevaar met zich meebrengt. Misschien heeft hij hulp nodig, misschien had hij gewoon zin in appel, ondanks zijn allergie ervoor. Misschien is hij moe. We zijn allemaal moe.
Het hoofd zakt steeds weer knikkebollend naar beneden, verbazingwekkend diep tussen de benen, om dan met een ruk weer naar boven te schieten. Daar balanceert het enkele tellen op de schouders, totdat een nies het hoofd weer neerwaarts katapulteert.

Het verbaast me dat er bij de overburen niemand uit het raam hangt. Bij het minste gerucht schuiven er aan de overkant steevast een paar gordijnen opzij, met daarachter bleke, oude gezichten die de straat afturen. Zoals die keer dat ik zag hoe zij keken naar een vrouw die uit haar appartement gehaald werd. Zelf kon ik maar flinters van het tafereel zien: drie fluo hesjes, bezig met iets op de grond, een vrouw, bleek later toen ze in een ambulance werd geladen. Ze was geboeid. Ze droeg een pyjama. Toen zag ik hoe een jongen van een jaar of zestien haar een weekendtas aanreikte. Ze moet zijn moeder zijn geweest. Woonden ze al lang in deze straat? Was dit routine voor hem? Stond die weekendtas - met een tandenborstel en onderbroeken, misschien een boek en wat drop - standaard klaar in de gang? Ik had het aan de overburen kunnen vragen, maar de gordijnen waren alweer dicht.
Nu niets van dat. Geen beweging te zien.
Mijn man heeft overigens geen idee van wat er zich in deze appartementen en deze straat afspeelt: zijn kantoor zit aan de achterkant van het huis. Toen ik hem ’s avonds bij het eten vertelde van de ambulance en de weekendtas, had het als een banale anekdote geklonken. Terwijl de banaliteit van die weekendtas juist hetgeen was wat mij het meest had geraakt. “Je had erbij moeten zijn,” zei ik, niet zeker of ik die woorden meende.

Na enige tijd gaat de man op de stoep liggen - eerst in foetushouding, daarna languit, voeten voor de deur van de buurvrouw, zijn hoofd voor de onze. Er stijgt een wild gesnurk op. Nog steeds onderbroken door een nies nu en dan, maar zachter, als een kleine hond die zich verslikt.

Ik telefoneer naar beneden. Mijn man neemt op. “Er ligt iemand voor de deur,” zeg ik. “Iemand die slaapt.” Stilte aan de andere kant van de lijn. Gelach op de achtergrond, gerinkel van servies. “Ik heb bezoek,” zegt mijn man.
Dan loop ik naar de achterkant van het huis, waar ik een mooie inkijk heb in de tuin van de buurvrouw voor wier deur de benen van de slapende liggen. Het grote raam staat open, de frengels van het bont gekleurde vliegengordijn hangen doodstil in de hitte. Ik wil haar roepen, de buurvrouw, maar ik weet niet hoe ze heet.

Illustratie:Erik Wallert

We wonen hier nu precies vijf maanden. Ons huis, zo’n jarenvijftigblokkendoos met een bakstenen gevel, ligt net buiten de ring, de gordel om de stad waarover tegenwoordig 154.000 auto’s per dag rijden. Er bestaat een site waarop je kunt berekenen hoeveel fijn stof je inademt aan de hand van het aantal meter dat je verwijderd bent van de ring, maar dat doe ik liever niet.
Buiten de ring gelden andere wetten dan erin: waar in de middeleeuwen uitgeslotenen bescherming van de stadsomwalling werd onthouden, zijn de consequenties van het buitenringse leven nu dat parkeren gratis is en dat plastic afval en papier slechts om de week alternerend worden opgehaald. De vuilniskar komt ook pas tegen een uur of tien opdagen. Er zijn geen hippe koffiebars, wel een kruidenierszaak, een snookercafé op de ene en een bruine kroeg op de andere hoek. “Koozi”, staat er in afgeronde letters op de gevel van die kroeg.

Het is met tegenzin dat mijn man buiten de ring is komen wonen, weg van het centrum, naar deze burgerlijke buurt, maar vastgoed is hier nu eenmaal betaalbaarder. “Een slaapwijk,” zo noemde hij het.

De eerste avond had hij gevraagd of we dan nu klaar waren voor avondjes Rad Van Fortuin, voor elven in bed en pistolets op zondag. Ik had gelachen en de volgende ochtend was ik speciaal pistolets gaan kopen. Ik had zijn sloffen klaargezet en voor de grap een schort omgetrokken. Mijn man had blij geleken en had, in plaats van meteen naar zijn kantoor te trekken, nog een pistolet gesmeerd.

Ik ben gewend geraakt aan het gesnurk, het monotone geschraap klinkt geruststellend, terwijl ik verder kijk naar mijn klavier. Af en toe steek ik mijn hoofd uit het raam om neer te kijken op de slapende, die van de zalmroze plastic zak vol appels die hij bij zich heeft een hoofdkussen heeft gemaakt. Het gesnurk wordt nu begeleid met zacht gefluit uit de neus.

Gek is dat, dat het harde ademen van mijn man mij tot waanzin drijft, terwijl dit gesnurk, knetterend als een kapotte brommer, mij hypnotiseert. Heeft het met onrechtvaardigheid te maken? Het onrecht dat mijn man zijn hoofd maar moet neerleggen om, binnen de drie minuten, in slaap te vallen en mij achter te laten met zijn harde adem.

Als de brommer even sputtert, krijg ik klamme handen. Ik haast ik me naar het raam, maar hij is er nog. Het zalmroze kussen knispert zachtjes bij iedere uitademing. Ik heb eens een documentaire gezien over Oekraïne, waar men voortdurend appels at, of appels kweekte, of plukte of inmaakte of in- of uitvoerde. Het was iets met Oekraïne en appels. Er was toen nog geen vliegtuig uit de lucht geschoten, geen steden die er in brand stonden. Niemand op de vlucht, geen sprake van pro of contra, of het kwam alleszins niet in het nieuws.

“Alesky,” fluister ik. “Aleksy.”

Geen reactie. Op Google zoek ik Slavische namen.

“Goran,” zeg ik nu. “Goran, hier ben ik.”

Ik zoek de routes op die gevluchte Oekraïeners dezer dagen afleggen, maar niemand lijkt het te weten. "Ontheemd", worden ze genoemd door journalisten. Eén nieuwssite vraagt zich af : "Waar kunnen de Oekraïense vluchtelingen nog heen?".

Hier, voor mijn deur. Hier ben je veilig, Igor.
Igor. Ik fluister het luid en hij trekt zijn benen verder op, vouwt de handen samen voor zijn borst. Ik haal zijn naam door de zoekmachine: Igor. Igor, Igor, Igor. Het resultaat bij afbeeldingen geeft enkel een lelijk cartoonfiguurtje van een of andere animatiefilm. Igor de gebochelde of zoiets. En natuurlijk die stomme ezel van Winnie de Pooh. Onder mijn titel schrijf ik: telepathie heeft grenzen, maar ik weet niet welke.

“Google translate” enter. Nederlands -> Oekraïens.
Ik adem: “Tut vy v bezpetsi.”
Hier ben je veilig.
“Igor, Tut vy v bezpetsi.”
Het snurken stopt.

Strikt gezien is mijn man niet mijn man omdat we niet getrouwd zijn. “Mijn man is niet thuis,” had ik er een keer uitgeflapt toen iemand kwam aanbellen met pamfletten onder de arm. Het ging per ongeluk en het klonk goed. Standvastig, duldde geen tegenspraak.
Op mijn tiende probeerde ik tampons uit en liep rond met maandverband. Ik schraapte met een scheermes onder mijn kale oksels. Nu koop ik zwangerschapstesten, telkens bij een andere apotheek. Dan vraag ik hoe zo’n test ook alweer werkt. Het fijnst vind ik het als de apotheker een vrouw is, en wat ouder, zodat zij moederlijk en samenzweerderig de bijsluiter met me doorloopt, me een kneep in de wang geeft en ‘succes’ knipoogt. Ik weet inmiddels hoe elke apotheek in Antwerpen eruit ziet, welke bevolkt zijn door joods personeel, welke door Marokkaans of Afrikaans. Ik weet waar de chicste collageenhoudende serums worden verkocht, en waar visoliepillen het goedkoopst zijn. Na de straatnamen met een “z” begin ik weer van voor af aan.

De straatlantarens springen aan, vanachter mijn bureau kijk ik met de overburen naar Rad Van Fortuin. De man zit op de bank, de vrouw schuifelt soms naar de keuken, waar ze iets eet. Er brandt een schemerlamp, stond die er gisteren ook? Igor is weg. Toen het snurken was gestopt, waren de stilte en de tijd samen geniepig te werk gegaan.
Igor is weg. Zonder een woord van afscheid nam hij zelfs de restjes appels mee.

De nachten zijn te plakkerig om een bed te delen. Sinds de hitte begon, slaapt mijn man in mijn werkkamer, er ligt een oud matras.
De zon komt op en ik sluip de kamer binnen. Hij ligt naakt op het smalle bed aan het raam, hij heeft de gordijnen niet dichtgedaan. De radio speelt nog. Aan de overkant zie ik een gordijn bewegen. Mijn man ligt in de ochtendzon, ik leg me naast hem op de koele vloer. Het wordt vandaag 31 graden, zegt de nieuwslezer.

 

Mail

Joyce de Badts is Hard//hoofd-redactielid.

Erik Wallert gaf zijn baan als journalist eraan om aan de Koninklijke Academie te Antwerpen schilderkunst te studeren. Op die academie worden nog technische vaardigheden geleerd, vaardigheden die Erik nu inzet in autonome tekeningen en illustraties. Hij put inspiratie uit oude grafiek, zoals krantenillustraties en strips uit het fin-de-siècle waarvan hij de sfeer en gratie toepast in tekeningen die evenwel over hedendaagse onderwerpen handelen.

Verzamel kunst en steun ons
of word magazine abonnee

Sluit je aan

Wil je meer Hard//hoofd?
Meld je aan voor een nieuwsbrief!

Schrijf je in
test
het laatste
Lucifers

Lucifers

‘Het begon met een gat, een gat in de zon.’ Terwijl de opa van Jung-hoo blind wordt, verdwijnt de zon langzaamaan uit de lucht. Met deze alternatieve geschiedenis duikt Siep Hendriks in de commercialisatie van het leven, de mens en diens karakter. Lees meer

Auto Draft 24

Een caleidoscoop van verlangen

‘De zoektocht naar een gemeenschap gaat door. Een gemeenschap die mijn caleidoscopische zijn kan accepteren, waarin ik niet hoef te kiezen tussen delen van mezelf, waarin ik niet exotisch, verdund of onverenigbaar ben.’ In dit essay beschrijft Rocher Koendjbiharie welke moeilijkheden hij ondervindt in zijn levenslange zoektocht naar een gemeenschap waarvan hij zich volwaardig onderdeel kan voelen. Lees meer

Eat the rich! Or get eaten?

Eat the rich! Or get eaten?

‘Munch Musk’, ‘bite Bezos’ of ‘suck Zuck’? Stijn Voogt onderzoekt hoe ook aan kapitaalkritiek flink geld verdiend kan worden. ‘Eat-the-rich-films wakkeren geen honger naar verandering aan, maar lijken deze vooral te stillen.’ Lees meer

Bubbel

Bubbel

‘Ik probeer te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.’ Tijdens een schrijfresidentie in Parijs verkent Leonore Spee de spanning tussen identiteit, verlangen en lichamelijkheid. Het wordt een zoektocht naar het overbruggen van afstand – tussen mensen en steden, liefdes en labels, gedachten en ervaringen, en hoofd en lijf. Lees meer

Vlindereffect

Vlindereffect

Een wapenfabriek is van nature een harde, troosteloze plek, maar zo kleurrijk als in dit verhaal, heb je het nog nooit gezien. Drie dystopische levens komen samen rondom een fabriek, waardoor de donkerte van de oorlogsindustrie feilloos bloot komt te liggen. Fester Vogels geeft ons drie perspectieven op een vlijmscherpe ontwikkeling, kritisch en tegelijkertijd zó beeldend dat het aan je scherm wil ontsnappen. Lees meer

De stilte (is niet het antwoord)

De stilte (is niet het antwoord)

Stilte. Sinds Marthe van Bronkhorst die zelf niet meer kan horen, luistert ze er heel anders naar. Echte stilte is zeldzaam in ons leven, of lijkt dat maar zo? In delen van mijn oor is het stil. Na een ongelukje deze zomer zijn de trilhaartjes beschadigd. Dat hoor ik niet, want het lichaam overcompenseert daarvoor... Lees meer

Meehuilen met ijskruid

Meehuilen met ijskruid

‘We zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken.’ Lisanne Brouwer laaft zich aan (theater)kunst met voedsel in de hoofdrol en neemt je mee in de manieren waarop kunstenaars ecologisch bewustzijn aan de eettafel creëren. Het blijkt een ontdekking van zowel verlangen als walging. Lees meer

De gisting

De gisting

Mara van Herpen vertelt het poëtische en surrealistische verhaal van Toni. Hen werkt in een broodfabriek en begint daardoor te gisten en te schimmelen en verandert in… Ja, in wat eigenlijk? Lees meer

We moeten vaker synchroon dansen

We moeten vaker synchroon dansen

‘Ik betrap mezelf erop dat het moeilijk is hoopvol te zijn in deze tijden, soms voelt het zelfs verkeerd.’ Toch vindt Loïs in haar column ruimte voor hoop. Niet door ons terug te trekken, maar door ons uit te spreken én elkaar te vinden. Minder polarisatie, meer synchronisatie. Lees meer

Soms mis ik mijn handen

Soms mis ik mijn handen

‘Soms mis ik de magnetron / soep uit blik / ingevroren aardappels in partjes.’ Middels essay en poëzie illustreert Martijn van Bruggen met stekende precisie het verband tussen voedsel en klasse en wat het betekent je aan te moeten passen naar hiërarchisch geladen verwachtingen. Lees meer

Moeder van een mislukt idee

Moeder van een mislukt idee

‘Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt?’ Roosje van der Kamp voelt een grote noodzaak om iets blijvends te creëren, maar komt niet verder dan vluchtig neergepende fragmenten in haar notities. In dit essay onderzoekt ze – naast de vraag of ouderschap eventueel een valide, tweede optie is – haar worsteling met het professionele schrijverschap. Lees meer

Auto Draft 23

we verbleven in ledikanten / in het huis met zeventig kinderen

'Dat ik gil in een vreemde taal / elke moedertaal breekt zonder bekenden.' Wat voor sporen laat het na als je je moedertaal verliest? Waar blijft de taal en hoe verhoudt je je tot je eigen identiteit na gedwongen migratie? In dit gedicht vangt Bożena Kacica de rouw en de vervreemding die volgden. Lees meer

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

Als taal de werkelijkheid schept, wat doet oorlogstaal dan?

In de media wemelt het van oorlogstaal. Marthe van Bronkhorst laat zien hoe je de frames kan herkennen: 'Sterf je liever terwijl je je verdedigt of passief?' Lees meer

Denkbeeldige ruimte

Denkbeeldige ruimte

In dit essay onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe schrijven een ruimte opent waarin kwetsbaarheid, verbinding en saamhorigheid zichtbaar worden. ‘Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent.’ Lees meer

Meneer Ouka en de streep

Meneer Ouka en de streep

'‘Het gaat over uw kabouter,’ zegt meneer Ouka.' En dat doet het: in dit verhaal verheft Makki Aimar een niet-lachende tuinkabouter tot het glinsterende middelpunt van zijn verhaal. Waar ieder ander een tuinkabouter niet eens zou zien staan, lijkt het voor de hoofdpersoon in dit verhaal een metafoor voor zingeving te worden. Met dit verhaal won Makki Aimar de schrijfwedstrijd 'Door de ogen van Palomar', georganiseerd door uitgeverij Cossee en Hard//hoofd. Lees meer

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

No Spend September, maar zou het leven niet meer moeten zijn dan vaste lasten?

Brengt tijdelijke onthouding van kleding, koffie en verjaardagscadeaus ons dichter bij een koopwoning? Of is het enkel in onze dromen dat een financiële detox grote, blijvende veranderingen weet te bewerkstelligen? Loïs Blank vraagt zich af wat er buiten beeld raakt wanneer we ons verliezen in de survival van No Spend September. Lees meer

:Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen 2

Verdreven naar de zee: Een zoektocht naar de onvertelde verhalen van Vietnamese bootvluchtelingen

Lam Ngo was vierentwintig toen hij vluchtte uit een ideologisch verscheurd Vietnam. In dit essay vertelt hij hoe hij weer leerde luisteren naar de pijnlijke en lang verzwegen herinneringen, hoe het was om in Nederland opnieuw te moeten beginnen en over de blijvende band met zijn geboortestad Saigon. ‘Want pas als we zien wat er verzwegen is, kunnen we echt luisteren.’ Lees meer

 1

pantser / piertotum locomotor

In deze twee gedichten van Roan Kasanmonadi kijken we naar een aflevering van Kamp Van Koningsbrugge, leren we onszelf op te rollen als pissebedden, en vliegen de zwaarden, harnassen en kikkers je om de oren. Lees meer

Het weefsel van geheugen

Het weefsel van geheugen

Vanaf de jaren zestig strijdden avant-garde kunstenaars Ana Lupas en Magdalena Abakanowicz tegen het vooroordeel dat textiel alleen decoratief kan zijn. Sander Bortier laat zien dat hun verwantschap verder gaat dan het innovatieve gebruik van het materiaal dat mede door hen van betekenis verschoof, van traditioneel naar subversief. Vezels werden drager van een stille taal: een vertaling van menselijke kwetsbaarheid binnen een collectieve orde. Lees meer

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Westerse schoonheidsidealen onder een hoofddoek

Tessy Ouwens kreeg op jonge leeftijd te maken met onrealistische schoonheidsidealen en dit leidde tot een strijd met haar eigen lichaam en zelfbeeld. Onverwachts was het de islam en het bedekken van haar lichaam, dat haar uit deze strijd hielp. ‘Met mijn hoofddoek op, voelde mijn lichaam voor het eerst weer als de mijne.’ Lees meer