Asset 14

Het model

 1

De hoofdpersoon in dit verhaal van Feico Sobel poseert op een doordeweekse avond naakt voor een schilderklasje in Spijkenisse. De sessie ontaardt in een bizarre erotische nachtmerrie waarin onze verteller zich totaal verliest.

Konijnenogen staren me glazig aan. Ik zit in mijn onderbroek op een houten kruk. Mijn kleren liggen opgevouwen op de houten vloer. Splinters prikken in mijn voetzolen. Het konijn grijnst, alsof de taxidermist niet kon kiezen tussen een knaagdier of een wezel. Naast het beest liggen sambaballen en vettige pruiken te midden van brillen en kledingstukken die alleen van heel behoeftige oude mensen geweest kunnen zijn. Het ruikt hier zoet. Naar een marinade of zoiets. Op de andere planken liggen tubes, kwasten, verfmessen, terpentine en grote stapels papier uitgestald. Ik trek mijn onderbroek uit. Ik had een badjas mee moeten nemen. Waarom heeft Mirjam me niet gewaarschuwd?

Vrouwenstemmen dringen door de houten wanden van mijn geïmproviseerde kleedkamer. Er was een Yvonne, een Margje en een Sandra (of Sandrien?), dames in driekwartbroeken, met grijze of donkerrood geverfde stekeltjes. Sommigen beginnen na hun eerste bevalling met verven, anderen doen dit al langer. Ze zeiden me dat ik me maar snel om moest kleden. Een melodieuze mannenstem informeert naar de koffiekoekjes. Twee uur staan en twintig minuten pauze voor achtentwintig en een halve euro per uur. Alleen mijn bril heb ik nog op. Wanneer ik hem afzet, wordt het konijn een vage vacht, samenklonterend met alle andere spullen, die zachtjes de kast uit sluipt. Ik zet mijn bril weer op en haal het haakje van de deur, die met een luide kraak opent.

‘Prachtig! Wat een opkomst! Duidelijk een toneelstudent. Kom verder jongen!’ De docent grijpt mijn hand en leidt me naar het podium, dat met twee bouwlampen is uitgelicht. ‘Dus jij wil je een avondje laten bekijken?’ Zijn bassende stem is volledig in overeenstemming met de zware baard boven zijn massieve buik. ‘Dames en heren,’ hij laat een pauze vallen, die de aanwezigen dwingt op te kijken, ‘ons model’. Er wordt geklapt. Iemand fluit. Ik glimlach naar het halfduister, waar de schildersezels al staan opgesteld. Mijn rechterarm wordt in een overwinningsgebaar opgetild, waarna ik (ik moet iets) een pirouette draai. ‘En danser,’ lacht de docent. De anderen joelen. ‘Paulus,’ zegt de docent introducerend, terwijl hij mij een klap op mijn schouder geeft. ‘Koffie?’

Ze hebben een paardendeken op het podium gelegd, die niet onaangenaam in mijn kontgat kriebelt. De elf cursisten staan nu verspreid door de ruimte achter hun schildersezels, zodat ze me van alle kanten kunnen bekijken. ‘Omhoog,’ zegt de docent terwijl hij een geopende hand opheft. Automatisch kom ik overeind. Hij houdt een penseel omgekeerd voor me, draait zijn hoofd naar links, kijkt rechts van het penseel. Hoewel de kwast me niet aanraakt voel ik hoe het hout mijn borst beroert. ‘Rechterarm omhoog. Hand op je achterhoofd. Elleboog iets naar buiten. Hoofd op. Meer. Blik op de balk.’ Hij wijst naar boven. ‘Zo houden.’ Hij draait zich naar de groep. Zijn uitleg is kort en zijn stem verdwijnt in een zacht mompelen van de cursisten, dat overstemd wordt door het krassen van potloden, schrapen van verfmessen en het slepen van vele kwasten.

Mijn blik rust op de balk hoog boven me. Koude vingers op mijn hoofd. Mijn vingers. Dan voel ik – of de geur was eerst, dat kan ook – een persoon, dichtbij. Koffieadem en een parfum dat me vaag aan iemand doet denken. Kriebel in mijn maagstreek. Misschien moet ze iets van dichtbij zien: kleur, of lijnen, schaduwen. Ik houd mijn ogen gericht op de balken en word vanaf die balk aangestaard door een zwarte kraai, die ook wel opgezet zal zijn. De cursiste houdt haar penseel voor mijn borst. Eerst horizontaal, dan verticaal. De kwast schittert in het lamplicht. Geen penseel, een mes. Ik kijk haar aan. Voor een verfmes zit er weinig verf aan. Koud staal. Ze glimlacht en knipoogt. Als we hier met zijn tweeën stonden, dan was dit het moment dat ze mijn geslacht had beetgepakt.

Ik draai weer naar de balk. De kraai wrijft zijn snavel door zijn veren. Stomverbaasd slaak ik geen kreet, omdat de kraai bijtijds knipoogt en ik mijn woorden inslik. ‘Wat denk je, Judith?’ Paulus staat naast haar. ‘De botstructuur is interessant,’ zegt ze. Haar stem is diep, rokerig. ‘Ik denk dat ik me richt op die botstructuur.’ Paulus wijst met de achterzijde van zijn penseel van mijn oksel naar mijn elleboog en vandaar naar mijn kruin. ‘Denk aan deze hoeken; daar moet je focus liggen.’ ‘Op die borst,’ buldert hij, terwijl het penseel tegen mijn rechtertepel tikt.

Als we hier met zijn tweeën stonden, dan was dit het moment dat ze mijn geslacht had beetgepakt

In de pauze zit ik op het podium, terwijl de cursisten kauwend en koffieslurpend door de ruimte drentelen. De paardendeken heb ik over mijn onderlijf heen geslagen. Judith staat nog achter haar ezel. Paulus reikt over haar schouder naar het doek. Zijn handgebaren en aanwijzingen gaan schuil achter het schilderslinnen. Judith steekt plots haar tong naar me uit. Ik draai snel weg. ‘Train je?’ De man van de koffiekoekjes zit naast me. ‘Mwah,’ zeg ik. ‘Het is te zien, hoor. Poseer je vaker?’ Ik schud mijn hoofd en mompel ‘eerste keer’. Judith blijft me vanachter haar schildersezel intense blikken toewerpen terwijl ze verf op het doek smeert. ‘Jasper,’ zegt de man. Ik knik. ‘Jij bent dus acteur?’ ‘Ik zit nog op de toneelschool,’ zeg ik. ‘Waar ben je mee bezig dan?’ ‘Reigen,’ zeg ik. ‘Een toneelstuk van Schnitzler.’ ‘Ken ik niet,’ zegt hij. ‘Is vast heel moeilijk.’ Na een monkelend lachje blijft zijn mond half open staan. Vlezige roze tong achter witte snijtanden. Ik probeer onder de paardendeken uit te komen, waar hij op is gaan zitten. ‘We hadden een poosje geen model. Dat is echt heel lastig.’ Weer die open mond. Misschien is het een tic. Ik knik. Een vrouw, Sandra, geloof ik, valt hem bij. ‘Zonder model werkt het niet. Stillevens zijn echt stomvervelend.’ Ze schuift aan mijn rechterzijde tegen me aan. Een ontblote schouder kleeft even tegen de mijne. ‘En die opgezette dieren natuurlijk ook,’ zeg ik. Ze glimlacht niet begrijpend mijn kant uit. ‘Ik zag een konijn in het verfhok.’ Ik knik naar de ruimte waar mijn kleren moeten liggen. ‘Oh ja?’ zegt Sandra geïnteresseerd. ‘Konijntjes, in het verfhok?’ Dan houdt ze ineens stil. ‘Jij hebt heel bijzondere ogen,’ roept ze. ‘Doe je bril eens af?’ Mijn bril gaat af, niet met mijn handen.

‘Allemaal kleine ijspegeltjes. Kom eens kijken. Zo mooi.’ Anderen drommen samen, hummen instemmend, met ‘ooh’ of ‘aah’ en steeds doemt iemand in mijn blikveld op – soms twee tegelijk, voor elk oog één. Ik kan niet zien wie van heel dichtbij in mijn ogen staart, mijn hoofd vastpakt en naar het licht draait voor een beter zicht. Een eigenaardige kleurenparade van kirrende gezichten, die schuin boven of links van het mijne bewegen. Ik kan hun wangen bijna aanraken met mijn neus. Hun stemmen zoemen. En ik moet me inhouden om niet als een kind te schateren van al dit verbale gekietel. Zacht blazen hun woorden boven mijn oogballen; hoe ze mijn wimpers aaien, mijn oogleden strelen. ‘Hoe doe je dat toch, die gekleurde ogen? Kunnen wij ze niet krijgen?’ Gelach uit vele monden. ‘Moeten we niet ook wat portretschetsen maken van dichtbij? Van héél dichtbij dan wel.’ ‘Denk dan wel om die botstructuur.’ Dat moet Judith zijn. Opnieuw gelach.

Dan zie ik tussen de gezichten en andere lichaamsdelen de hand die mijn brilmontuur vasthoudt. Ik gris het terug, terwijl ik een lompe uitval doe naar de schildersezels die in een halve cirkel om het podium staan. ‘Wat zijn jullie eigenlijk aan het maken?’ vraag ik. ‘We laten het lang niet altijd zien,’ sputtert de man van de koffiekoekjes, die hinderlijk in de weg loopt. ‘Ik ben gewoon verschrikkelijk nieuwsgierig,’ glimlach ik, terwijl ik een glimp van zijn werk probeer op te vangen. ‘Nee, alsjeblieft,’ smeekt hij, terwijl hij met gespreide armen voor me gaat staan. ‘Dit is echt heel ongemakkelijk.’ ‘Ongemakkelijk?’ lach ik. ‘Wie is hier nu naakt?’ Jasper kijkt naar de rest. Paulus stapt naar voren. Hij legt zijn handen op Jaspers schouders en begint ze subtiel te kneden. ‘Laat hem toch kijken, hij is nieuwsgierig.’ ‘Maar het werk is niet klaar,’ fluistert Jasper, die in Paulus’ handen een zachte kleine jongen wordt. ‘Dan draaien we de volgorde om,’ zegt Paulus, terwijl hij speels met zijn wijsvinger Jaspers neus aantikt. Dan richt Paulus zich weer op mij: ‘Ga maar kijken, junge Schauspielerin, wat ze van je gemaakt hebben.’

Kittig lachend, als een tweederangs actrice, huppel ik achter Jaspers schildersezel. Op het doek zijn roze lijnstukken getrokken, horizontaal en verticaal over een grote donkerrode vlek. Jasper kijkt weg. Hij steekt zijn handen in zijn broekzakken. ‘Toen iemand botstructuur zei, toen kon ik niet meer aan iets anders denken en heb ik mijn innerlijke stem gevolgd,’ zegt hij tegen Paulus, die bij wijze van antwoord een hand op zijn hoofd legt. De cursisten zwijgen. ‘Het is heel interessant,’ zeg ik, waarop iedereen opkijkt. ‘Ik bedoel, het contrast van de lichtroze lijnstukken met het donkerrood is heel… raak.’ Het blijft lang stil. De cursisten zijn dicht bij elkaar gaan staan. Iemand fluistert iets tegen Paulus, die driftig zijn hoofd schudt. Hij heft zijn rechterhand. Alle aanwezigen kijken naar de vloer. Na een korte stilte begint hij, traag en nadrukkelijk articulerend: ‘Kunst is voor ons een intuïtief proces. Wij geven geen woorden aan het werk dat we hier maken. Op het moment dat je het onnoembare in woorden probeert te vatten, maak je het klein, ongevaarlijk en onnozel. Probeer vooral te kijken. En niet te babbelen. Dan zie je meer.’ Ik slik een excuses in en knik gehoorzaam. Zonder kleding word ik me verschrikkelijk bewust van mijn handen, die ik niet in broekzakken kan steken. Ik zet een heel onhandige stap naar de volgende schildersezel, waar de cursiste, een stevige vrouw van iets in de vijftig, al uitnodigend een stap opzij zet om mij een blik op haar werkstuk te gunnen.

Gesmoord kerm ik mijn keelgeluiden in het kontgat om dan hikkend klaar te komen

In dikke klodders paarse plakkaatverf is een besneden kop op een dicht beaderd geslacht gekwast, dat weer aan een bleekwit onderlijf vastzit. Ik kijk naar de groengrijze aderen die her en der ontspringen op de lichtroze fallus en tel in gedachten tot tweehonderdeenenzestig. Dat lijkt me lang genoeg om door te gaan voor een aandachtige blik. Rechts van me staat een andere cursiste die schaterlachend opzij gaat en mij een soort anatomische studie laat zien van alle spierweefsels die schuilgaan onder de afgestroopte huid van een mannelijke torso. Ook hier tel ik zorgvuldig voordat ik doorloop naar een volgend doek waar een getrancheerd bovenbeen te zien is. Onwillekeurig bekijk ik het mijne en meen hier en daar moedervlekjes te herkennen op het doek. Paulus merkt verontschuldigend op dat het in de aard van de dilettant ligt om zonder de nodige voorbereiding, aanleg, of kunde zijn krachten te beproeven aan de laatste problemen der wetenschap en de hoogste opgaven der kunst. En terwijl ik die woorden door mijn hoofd laat spoken, loop ik door, in mijn kielzog gevolgd door de anderen, tot ik voor Judiths doek sta waar ik mijn hoofd herken, dat in een pijnlijk spasme geboren wordt in een bloederige kleurenmassa. ‘IJspegeltjes,’ krast Judiths rokerige stem. ‘Je moet diep in die ogen kijken om ze te kunnen zien.’

Ik neem mijn bril af
en nader het doek
zo dicht
dat mijn wimpers over het canvas
aaien, voorbij de irissen,
voorbij de ijspegels in
het zwart
van de pupil
tot het duister me volledig
opslokt.

Als ik mijn armen of benen wil bewegen blijken die verdwenen te zijn in de lichaamsopeningen van verscheidene cursisten. Ik ben onderdeel van één roze, zuigende, pulserende, amorfe lichaamsmassa. Alles kronkelt. Alles hapt, bijt en likt. Mijn hoofd kan ik niet bewegen; iets omklemt mijn nek. Geluiden glibberen langs mijn trommelvliezen. Alles hijgt, kwijlt en kietelt. Ieder is één. Eén in geilheid. Eén in dit samengevallen lichaam – dat ademt, en pompt: in en uit, met talloze harten tegelijk, dat duwt en trekt en duwt en trekt en waar een aanraking zoekraakt in talloze andere aanrakingen, die op hun beurt opgaan in nieuwe beroeringen van talloze lichaamsleden. Midden in deze worsteling bekruipt een ik, opgediept uit al die lichamen, plots een zacht zoemende paniek die uit zijn afwezige tenen omhoogschiet. Iets kouds en scherps glijdt zacht krassend over zijn balzak. Iets kouds schittert in het lamplicht, reflecteert op de talrijke tanden van evenzovele monden. Een ik wil gillen maar dan schuift een harige onderrug over mijn borst omhoog die het naar adem happende gezicht in zijn geheel bedekt. Gesmoord kerm ik mijn keelgeluiden in het kontgat om dan hikkend klaar te komen. Een mes schraapt over huid. Trancheert en verdeelt.

Wit licht. Mijn tong ligt los in mijn mond. Ik wil me oprichten, maar mis mijn linkerarm. ‘Blijf liggen.’ Een stem van ver en een voet die me neerdrukt en de lucht uit mijn longen perst. Spartelend duw ik mezelf op een elleboog omhoog. Mijn voeten krabbelen als insectenpoten over de houten planken van het podium. ‘Hij is zwak. Laat hem een beetje rondscharrelen.’ Het lukt me overeind te komen. Hoewel de ruimte verlicht is, kan ik zonder bril vorm noch kleur onderscheiden. Ik werp mezelf van het podium. ‘Hij valt!’ Gelach. ‘Bedankt! We zullen aandachtig kijken.’ Opnieuw gelach. Vocht op de vloer. Het plakt. Ik richt me op, maar omdat alles scheef staat, verlies ik mijn evenwicht. ‘Rustig aan, konijntje, je bent duizelig.’ Ik tast naar het geluid. Ik val. Mijn kop slaat het stof van de planken. Steeds wanhopiger tasten mijn vingers naar mijn brilmontuur. De linkerarm doet niet meer mee. Overal in mijn vel steken venijnige houtsplinters. Ik hijs me op mijn knieën en staar met halfdicht geknepen ogen in het licht. ‘Wil iemand me mijn bril teruggeven, alsjeblieft? Ik zie niks. Alsjeblieft, waar is mijn bril?’ vraag ik, smeek ik, huil ik, maar mijn lippen blazen enkel speekselbelletjes. Gelach om me heen. Ik sta op. Beheerst nu. Rustig ademend. Ik probeer terug te halen hoe ik binnengekomen ben. Tastend nader ik het einde van die kleurige muren, waar het trapgat moet zijn. Dan bots ik de treden af, sla door de deur en val plat op de stoep.

Achter me hoor ik gelach en gejoel. Een straatlantaarn verlicht mijn bleke lijf. En heel even vraag ik me af hoe dat nu dadelijk moet in de metro, nu alles – mijn kleding, mijn jas en bril – nog boven ligt en ik hier op deze stenen lig, naakt en bezeten. Het gestamp van tientallen voeten op de trap achter me verdringt die wankele gedachte om plaats te maken voor een andere – zo kraakhelder dat hij me bijna kalmeert: ze komen het karwei afmaken.
Ik struikel over straat. Achter me hoor ik roepen. Mijn voeten dwing ik te rennen. Rood en bloederig. Elke stap een stroomstoot. Misschien loop ik op mijn botstructuren. Het asfalt krast, kraakt en sopt. Mijn benen rijten de straten open. Klauwen steeds dieper de bodem in. Duistere huizen. Kale straten. Geen mens waagt zich buiten. Het geschreeuw zwelt aan, weerkaatst door het beton. Ik ploeg over de weg. De trambaan op. Vanuit mijn vleesklompen schiet plots een ijzige schok door mijn lijf die me doet opspringen. Een seconde lang hang ik in de lucht; een vederlichte prima ballerina: ik bedenk zwembewegingen die me hoger laten zweven, molenwiekend met mijn armen, tot ik met donderend geraas tussen de bielzen smak. Grind, tanden, sintels die door huid dringen; de smaak van bloed en bodem. En zo krankzinnig veel licht. Gevangen door alle straatlantaarns, zoeklampen en schijnwerpers van de wereld die me in een geelwit gaslicht opdienen aan de horde – hun schaduwen dansen voor hen uit. Huiverend verberg ik wat er van mijn gezicht rest. ‘Schauspielerin…, Schauspielerin,’ wordt er gefluisterd. Ze gaan met zachte tred nu – geen haast meer.

Mail

Feico Sobel (1977) geeft les, schrijft teksten en maakt theater. Onder KOMA-collectief schrijft hij theaterteksten samen met Bram Ieven. Het model is Feico’s eerste gepubliceerde verhaal.

Lucas Braak (die/diens) is een illustrator en vormgever die de thema's van seksualiteit, gender, menselijke relaties en de band van mensen en hun lichaam verkent. Met diens vrolijke kleuren en losse vormen hoopt die dat deze onderwerpen toegankelijker en gemakkelijker bespreekbaar worden, zowel met anderen als met jezelf.

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven
test
het laatste
Dogs that cannot touch each other

Dogs that cannot touch each other

Een theatrale vertelling van Louky van Eijkelenburg over warmte, wrangheid en het controversiële kunstwerk 'Dogs That Cannot Touch Each Other'. Lees meer

Kwetsuur

KWETSUUR

Het prinsessenbed en de koffiepauze in een hospice vormen het decor van dit gedicht van Kim Liesa Wolgast. Koffie, lametta en aquarelpapier zijn de rekwisieten van het sterftheater, waar de tijd stilstaat en zich tegelijkertijd steeds herhaalt. Lees meer

Materiaal van een lichaam 1

Materiaal van een lichaam

In dit verhaal van Merel Nijhuis en beeld van Jasmijn Vermeeren exposeert een disabled kunstenaar haar werk tussen de zoemende TL-verlichting, kunstkijkers en hun opmerkingen. Ze probeert een balans te zoeken tussen genoeg informatie geven over haar werk en het ontwijken van de daaropvolgende validistische vragen. Lees meer

We willen het ook voor jou veilig houden

We willen het ook voor jou veilig houden

Claire heeft het voor elkaar: luxe kleding, een indrukwekkend cv en een leidinggevende functie. Tot ze op het matje wordt geroepen vanwege grensoverschrijdend gedrag. Claire snapt het niet. Wat is er gebeurd? Wanneer zijn de regels veranderd? Wie heeft de nieuwe normen bedacht? Emma Stomp duikt in dit verhaal in Claires hoofd en laat het... Lees meer

De onderste sport

De onderste sport

Walde groeit op onder de kassa in de supermarkt. Daar hoort hij de verhalen van alle klanten die bij zijn moeder afrekenen. In dit verhaal van Jelt Roos wordt onze drang ambitieuze levens te leiden bekeken door de lens van klassenongelijkheid. Is het beter om te streven of in je eigen vak te blijven? Lees meer

De ogen van Jeroen

De ogen van Jeroen

‘Ik stel me voor dat ik heel groot en heel sterk ben, dat ik zijn arm pak, die zo ver naar achteren draai dat hij breekt. Krak.’ In dit verhaal neemt Mayke Calis je mee in het gezinsleven van een ogenschijnlijk alledaagse familie, maar maakt het al snel plaats voor een naar gevoel in je buik. Lees meer

Auto Draft 13

Schoolzwemmen

Koen de Vries schreef een beklemmend verhaal over zwemles en monsters die zich schuilhouden achter de putjes. 'Vanaf de kant kun je hem echt niet zien, hoor. Hij komt pas tevoorschijn als je verdrinkt.'  Lees meer

Auto Draft 12

Laat dat, zei ik

Op de binnenplaats van een muf hostel verlangt een man naar erkenning bij zijn vrouwelijke kamergenoot. In Laat dat, zei ik legt Robin van Ommen onze verwachtingen over wederkerigheid in sociale interacties bloot. Met een surreële twist. Lees meer

Neil Armstrong (they/them) 1

Daar ben je, hier zijn we

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Ayden Carlo: 'Dit hier lijkt helemaal niet over jou te gaan en dat is precies waarom ik je schrijf.' Lees meer

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Soms vraagt een kunsttentoonstelling om een andere vorm dan een standaard recensie. Dit is ook het geval bij ‘Sculpting the senses’ van Iris van Herpen in Kunsthal Rotterdam. Merel Wolfkamp ging er heen en beschrijft haar ervaring op een gevoelige, poëtische manier. Lees meer

Neil Armstrong (they/them)

Neil Armstrong (they/them)

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Trijntje van de Wouw: ‘Ze zoeken zo hard naar buitenaardse wezens dat ze niet zien hoeveel er nog te ontdekken valt recht voor hun neus.’ Lees meer

Zand erover

Zand erover

In dit verhaal van Anouk Harkmans ligt een verteller op het strand, alleen, met een steen op haar navel, en ze overdenkt een relatie die voorbij is. 'Wat als dit geen einde is? Wat als het einde al heeft plaatsgevonden – zonder zichtbare erosie – en dit niet meer is dan de onverhoopte poging om te doen alsof dat niet zo is?' Lees meer

Het kerstmaal

Het kerstmaal

Het ouderlijk huis: een kern waar velen van ons naar terugkeren met de feestdagen. Dingen horen daar te zijn zoals je ze hebt achtergelaten. Maar wat als dat niet meer zo is? Wat als dat fundament niet meer zo stevig blijkt te zijn? Thomas D'heer schrijft zacht over toenadering, weemoed en familie. Lees meer

Auto Draft 11

20240903 Fiat Punto

Met de handrem omlaag en handen aan het stuur rijdt Wim Landuyt je in dit gedicht langs zijn bloedlijn, van de pastasaus in zijn aderen tot in dit land van regels: een compilatie van zijn migratie. 'net als een geïmporteerde fiat punto / brandt mijn motor onder mijn huid' Lees meer

 1

Mijn doofheid door de jaren heen

In haar gedichten gaat Bareez Majid in gesprek met de nacht en verschillende vormen van stilte; van de stilte die volgt uit zwijgen om bestwil tot simpelweg niet kunnen spreken doordat je de taal niet kent, en van stilte uit angst van een gevlucht kind tot niet willen of kunnen luisteren naar de ander. Lees meer

Een eerste keer

Een eerste keer

In dit erotische verhaal vraagt Jochum Veenstra zich af of het opwindend kan zijn om constant expliciete consent te vragen, en of er dan ook echte consent tot stand komt. Een eerste keer is ook gepubliceerd als audioverhaal bij deBuren. 'Als onze monden elkaar raken, lijkt de vriendschap die we bij daglicht hebben weer tot leven te komen.' Lees meer

Balletles

Balletles

In een rumoerig café herinnert een groep meisjes zich heel helder: 'Meisjes zoals wij leren vroeg de kunst van de onwaarneembare volharding.' In dit korte verhaal neemt Marieke Ornelis je mee in een wereld vol witte panty's, billen op een koude vloer en honingachtig vocht, terwijl de intimiteit wegsmelt onder de toneellampen. Lees meer

Pomme d’amour 1

Pomme d’amour

In dit gedicht van Elise Vos vinden de glazen muiltjes en kikkerprinsen uit de klassieke sprookjes hun weg tussen de HR-medewerkers en stadsduiven met verminkte pootjes. Een hoofdpersoon zoekt diens plek in de wereld, terwijl mannen dwars door de ontknoping van het verhaal heen slapen. Lees meer

Ademruimte

Ademruimte

‘Hij kon toen alleen Catalaanse woorden fluisteren en zijn wijsvinger buigen om aan te geven wanneer hij naar buiten wilde om te roken.’ In Ademruimte, van Elisa Ros Villarte, keert het hoofdpersonage terug naar haar ouderlijk huis dat gevuld is met onbekend speelgoed, bevroren maaltijden en beladen vragen. Lees meer

Vrijheid

Vrijheid

Liggend onder de auto van de buren overdenkt een man de relatie tot zijn familie, de gevolgen van zijn gedrag en de reactie van omstanders. Eva Gabriela schreef een kwetsbaar verhaal waarin de dreiging en het ongemak constant voelbaar zijn, en waarin de pleger van huiselijk geweld de hoofdpersoon is. Lees meer

Lees Hard//hoofd op papier!

Hard//hoofd verschijnt vanaf nu twee keer per jaar op papier! Dankzij de hulp van onze lezers kunnen we nog vaker een podium bieden aan aanstormend talent. Schrijf je nu in voor slechts €3 per maand en ontvang in september je eerste papieren tijdschrift. Veel leesplezier!

Word trouwe lezer!