‘We zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken.’ Lisanne Brouwer laaft zich aan (theater)kunst met voedsel in de hoofdrol en neemt je mee in de manieren waarop kunstenaars ecologisch bewustzijn aan de eettafel creëren. Het blijkt een ontdekking van zowel verlangen als walging.
Ik loop binnen in een zaal vol hongerige toeschouwers. De tafels zijn gedekt voor het diner, met hagelwitte tafelkleden, wijnglazen en kaarsen. Borden en bestek ontbreken. Ik neem plaats in de kring die zich voor de tafels gevormd heeft. We sluiten onze ogen. We ademen gezamenlijk in en uit. Dan mogen we onze hand uitsteken. Die wordt gevuld met iets ronds, warms, zachts. Even later voel ik kleine druppeltjes en hagelsteentjes over mijn hand kietelen. Zonder onze ogen te openen mogen we ruiken, likken en uiteindelijk een hap nemen van wat een aardappel blijkt te zijn, besprenkeld met olijfolie en zeezoutkristallen. Een rilling over mijn rug laat de angst los die ik voelde bij het proeven van iets dat ik niet kon zien, en verruilt die voor een gevoel van opwinding. En dit was nog maar het voorgerecht van dit zintuiglijke zesgangendiner van scenograaf Katrijn Westland en food designer Tessa Straver. Het is de openingssessie van Het Jaar van Verlangen (2023), een serie theatrale sessies van theatermaker Marte Boneschansker. Mijn relatie met verlangen is vanavond voor altijd veranderd: in de smaken en de aanraking van het voedsel op mijn huid vond ik nieuwe wegen die verlangen in me aanwakkeren.
De versmelting van honger en verlangen blijft me als een zoete nasmaak achtervolgen. Als het gebruik van eten in kunst zo’n sterke nieuwe emotie aan kan wakkeren, wat kan het dan betekenen voor doelen die groter zijn dan het bevredigen van persoonlijke behoeftes? Wat als niet een menselijke ervaring, maar een dreigende maatschappelijke realiteit op het spel staat in het kunstwerk – zoals de steeds immensere ecologische crisis? Klimaatverandering is een hyperobject, schrijft filosoof Timothy Morton, een gebeurtenis waarvan de dimensies in ruimte en tijd zo groot zijn in relatie tot menselijk leven, dat we de omvang ervan niet kunnen bevatten. Hoe gebruiken kunstenaars voedsel om dit hyperobject terug te brengen tot menselijke proporties?
Het antwoord is te vinden bij een zintuiglijk theatermaker als Sien Vanmaele. In Zeemaal (2022) experimenteert ze met voedsel, kunst en klimaat. Ze worstelt met existentiële klimaatangst, en op doktersadvies (‘doe iets ontspannends!’) besluit ze te gaan koken, maar wel ter voorbereiding op het einde van de wereld. Ze vertelt haar verhaal aan een publiek dat in een ovale stellage om haar podium heen zit, achter tafels. Het geheel heeft iets weg van een restaurant, maar we moeten zelf aan de slag. Tijdens het poëtische narratief van de voorstelling krijgen we kookinstructies. Alles wat we eten komt uit de zee, want daar ligt onze oorsprong en daar moeten we naar terug, aldus Vanmaele. We beginnen op bekend terrein, met zeeravioli. Gaandeweg wordt het eten steeds vervreemdender, totdat we met een pincet rauw zeewier uit zout water vissen en zoute zeethee drinken. Het valt lang niet bij iedereen in de smaak.
Een diep ontzag voor dit kleine takje overvalt me
Meteen na de amuse – we knabbelen nog na op chips van zee-eik – introduceert Vanmaele zilte planten die ‘hebben leren leven’ in zoute omstandigheden. Ritmisch somt ze planten op die zout verdragen – ‘Als ik zeg verdragen, dan bedoel ik dat ze er niet van houden. Ik denk zelfs dat het pijn doet.’ Ze vraagt ons te kijken naar de zilte planten op ons bord. ‘De middelste plant is ijskruid. Kijk er eens goed naar. Zie je de zoutkristallen? Dat is het teveel aan zout dat ze uithuilt. Voel eraan. Proef ervan.’ Een diep ontzag voor dit kleine takje overvalt me. Het is prachtig: het overleeft door zoutkristallen aan de buitenkant van de bladeren te vormen, als perfecte glazen druppels. Door deze tak zo te bekijken, geïsoleerd in een esthetische context, blijkt het een eigen kracht te bezitten die ik nooit gevoeld zou hebben als ik het takje in zijn natuurlijke omgeving tussen de andere wieren had gezien. Net als de aardappel in mijn hand tijdens het Jaar van Verlangen-diner, heb ik juist door de kunstmatige performance-setting het gevoel dat ik deze plant echt zie, niet alleen als potentiële brandstof voor mijn eigen lichaam, maar als iets met een autonome waarde. Ik kon zo met hem mee huilen.
Als tweede deel in haar trilogie over koken ter voorbereiding op het einde van de wereld, maakte Vanmaele Landmaal (2023). In dit theatrale ritueel aanbidden we het ‘altaar der verstoten voedselwaren’. De servicemail vooraf vraagt het publiek om een stuk oud brood mee te nemen, dat de kok gedurende het ritueel vermaakt tot een zwarte brei pizzadeeg. In Landmaal staan microben, bacteriën en fermenten in de spotlight – en niet proeven is geen optie. We horen het evangelie van microbe-evangeliste Kathryn Lukas aan. We proeven een soort oliebol van verlepte bananenschil, Kvass (brooddrank die een gistingsproces doormaakt) en pijnboompitten en paprika’s die door de supermarkt zijn afgedankt. Voor iemand zoals ik, die licht paniekerig wordt van yoghurt van een dagje over de datum, moet er flink wat overwonnen worden. Maar de theatrale setting zorgt ervoor dat ik het, ondanks het gevoel van afkeer van iets eten dat je brein niet vertrouwt, van walging, tóch in mijn mond stop.
We zijn zo gewend geraakt aan de abstracte afstand tot hoe ons voedsel geproduceerd wordt, dat het natuurlijke productieproces ons blijkbaar tegenstaat
Het oproepen van walging is een vaker gebruikte artistieke strategie in ecologische voedselkunst. Waar Vanmaele ons laat proeven hoe we walgen van voedsel waar niets mis mee is, gaat beeldend kunstenaar Amanda White een stap verder. In Frugivore (2011) ontwikkelt ze een gesloten kringloopsysteem voor het kweken van haar eigen tomaten: ze koopt cherrytomaatjes in de supermarkt, eet ze op en oogst dan de zaadjes uit haar ontlasting. Vervolgens plant ze ze en groeien ze uit tot vruchtdragende planten, waarvan ze de tomaten vervolgens weer opeet en de cyclus zich herhaalt. Zijzelf raakt zo op een haast symbiotische manier verbonden met ‘haar’ tomaten: de relatie tussen de twee wordt vloeibaarder, de grenzen tussen White’s lichaam en dat van de tomaten vervagen.
Ik weet natuurlijk van het gebruik van mest in de landbouw, maar waar White het menselijk lichaam in verband brengt met voedselproductie kan ik niet anders dan walgen – het gaat dus over poep. We zijn zo gewend geraakt aan de abstracte afstand tot hoe ons voedsel geproduceerd wordt, dat het natuurlijke productieproces ons blijkbaar tegenstaat. Ik heb een schok als die van Frugivore nodig om weer te voelen hoe ik met mijn eten verbonden ben. We zijn geen buitenstaanders die alleen maar consumeren, maar maken deel uit van hetzelfde ecosysteem als ons voedsel. We zijn van elkaar afhankelijk om te overleven.
In A Tomato Tragedy (2023) van Kiriko Mechanicus staat opnieuw de tomaat centraal – blijkbaar is de rode alleskunner een bij uitstek tot de verbeelding sprekend stuk voedsel. Ik zag de documentaire voorafgaand aan een theatraal diner van culinair kunstenaar Maureen de Jong, dat onderdeel was van Marte Boneschanksers Het Jaar van Schaduw (2024). De dinertafels waren nog afgeschermd met hangende doeken waarop de film geprojecteerd werd. A Tomato Tragedy toont de erbarmelijke omstandigheden van arbeidsmigranten in Zuid-Italië, die de tomaten plukken die wij ingeblikt in de supermarkt kopen. Interviews en beelden van hun mensonterende leefomstandigheden worden afgewisseld met gestileerde scènes van een Italiaanse priester die een lofzang houdt op de tomaat, wat ook hier resulteert in de ultieme vervreemding.
Na het zien van deze pijnlijk confronterende film werden de doeken weggehaald. Ze onthulden een lange tafel vol – jawel – tomaten. We werden geacht ze te proeven en ermee te koken. Nu we de verhalen van hun plukkers kenden, kreeg de normaal zo zoete vrucht vooral een bittere nasmaak.
Voedsel is een ecosysteem dat ons lichaam binnengaat. Het verbindt grote hyperobjecten – de klimaatcrisis, maar ook sociale ongelijkheid – met onze persoonlijke leefwereld, onze eigen keuken. Maar we zijn zo ver verwijderd van ons eigen eten dat we kunst nodig hebben om die verbinding zichtbaar te maken. De voedselkunstenaar speelt met onze zintuigen en prikkelt onze smaakpapillen tot we weer voelen hoe afhankelijk we – onder andere voor ons voedsel – zijn van een leefbaar klimaat. Een aardappel met kietelende hagelstenen van zeezout wordt een kunstobject dat ons wakker schudt. Zo creëert de kunstenaar ecologisch bewustzijn aan de eettafel.
Lisanne Brouwer (zij/haar, 1995)was tot zomer 2026 uitgever bij Hard//Hoofd. Ze studeerde Kunstmanagement en Cultuurbeleid aan Goldsmiths in Londen en Dramaturgie in Utrecht. Theater is haar eerste liefde, taal de tweede en ze houdt ook erg van onderweg zijn, het liefst in een trein. Eerder hielp ze bij voordekunst makers en organisaties om hun projecten te realiseren.
Davide Comai tekent dingen die hem aan het lachen maken en hoopt dat te blijven doen later, op een zonnige plek, dichtbij de bergen, met zijn fiets en mensen waarvan hij houdt.


















