In dit essay onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe schrijven een ruimte opent waarin kwetsbaarheid, verbinding en saamhorigheid zichtbaar worden. ‘Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent.’
Van het woord lotgenoten word ik kriegelig. Ik zie dan het clichébeeld voor me van een groep mensen in een kring die hun eventuele verslavingen of beperkingen bespreken en door gezapige verhalen het ene na het andere pijnpunt met elkaar delen. Dus toen de F|Fort Foundation me vroeg om samen met Elke Geurts en Gilles van der Loo schrijfles te geven aan drie groepen jonge mensen met kanker, reageerde ik niet meteen enthousiast.
De F|Fort foundation is opgericht door Floor van Liemt die op twintigjarige leeftijd uitgezaaide longkanker kreeg. Ze schreef hierover columns voor NRC. Tijdens de behandeling ontdekte ze dat ze leeftijdsgenoten miste en richtte de foundation op in 2019 met het idee om samen met andere AYA’s – adolescents & young adults – kunst te creëren en het gemeenschappelijke (de ziekte) te esthetiseren. Een van de projecten die is ontstaan heet Writing the Gap: schrijf het onuitgesprokene.
Sinds ik zelf ziek ben geweest spreek ik het woord zo weinig mogelijk uit, het lukt me nog net om kanker bij een ander te benoemen, maar bij mezelf niet. Ik vind het woord te hard en hoekig. Ik zeg ook niet dat ik een AYA ben, dat vind ik te pluizig. Hierdoor ontken ik niet dat ik ziek ben geweest, ik verwoord het liever anders. Het is ‘mijn’ of ‘de’ ziekte en mocht het gesprek goed voelen dan ‘wroette er een kwaadaardig bobbeltje in mijn borst’. Kanker ligt niet lekker in mijn mond en als ik het uitspreek en betrek op mezelf, zie ik de schrik in de ogen bij mijn gesprekspartner en ben ik degene die de boel aan het verzachten is: ‘Het viel wel mee hoor.’
Het is vijf en een half jaar geleden dat ik mijn diagnose kreeg. Ik zou willen zeggen dat ‘deze periode voorbij is’ maar dat is niet waar. Dus om twee maanden met negen jonge mensen het uitvoerig over die ellendige ziekte te moeten hebben? Ik zou niet weten wat ik eruit zou halen. En precies dat was het punt, de reden dat ik ja zei, omdat ik het niet wist.
Al een tijdje geef ik essay-schrijflessen aan onder andere de Schrijversvakschool in Amsterdam. Tijdens het voorstellen in de eerste les vertel ik direct dat ik nooit weet hoe de tweede les eruitziet, laat staan de derde, vierde, et cetera. Ik werk vanuit mijn intuïtie. Daarnaast sta ik, als ik eerlijk ben, niet graag voor een groep. Dus in de eerste paar lessen ben ik vooral bezig met het aanschouwen van de groepsdynamiek die ontstaat, maar ook de verhouding tussen mij en de groep.
Ik dacht: dit kan ik toch helemaal niet?
Toen de eerste drie leerlingen van Writing the gap het lokaal binnenstapten, wilde ik het liefst weg. Ik dacht: dit kan ik toch helemaal niet? Toen iedereen binnen was, was er geen weg meer terug. Ik zei mijn naam en vertelde wat voor verschillende werken ik deed. Tot mijn eigen verbazing vervolgde ik in één ademteug dat ik borstkanker heb gehad. Niks geen verzachtende woorden of pogingen om het toe te dekken dat het allemaal wel meeviel. Na mij volgde de groep, een voor een vertelden ze hun naam, wat ze leuk vonden om te doen en dan toch het onvermijdelijke: waarom we daar zaten. En terwijl de eerste spanning wegebde, werd het, zonder dat ik het doorhad, een fijne, lieve, gezellige groep waarin iedereen open hun ervaringen deelde. Ik gaf ze een kleine schrijfopdracht en daarmee was de spits eraf: we zijn begonnen.
Op de fiets reed ik met een vol hoofd naar huis. Al die verhalen grepen me naar mijn keel, al dat verdriet en die oneerlijkheid. Tegelijkertijd voelde ik, hoe wrang ook, een opluchting. Omdat bij ieder verteld verhaal en bij elke emotie er bij mij tegelijkertijd herinneringen werden getriggerd uit de tijd dat ik ziek was. Al bewoog er ook een zweem van onvermogen door me heen. Degene die ik tijdens mijn behandeling zo veel aanschouwde, en ook zeker heb beoordeeld. En nu ervoer ik het zelf: je wilt iets doen maar er valt niets te doen. Niemand weet wat die kan doen als je cursist, leerling, vage kennis, collega, familielid, kind, vriend of geliefde een kankerdiagnose krijgt. Er wordt vaak gesproken over ‘er gewoon zijn’, maar wat voor de een ‘gewoon’ is – alle mogelijke stiltes volpraten – is voor de ander glazig voor zich uit staren. Dus toen ik naar de verhalen luisterde in de groep, wist ik niet goed wat en vooral niet hoe ik moest reageren. Echt tijd om hier ruimte aan te geven gaf ik mezelf ook niet, want ik zat daar als docent en wilde door met de inhoud van de les.
Iedere leerling hield iets hoog en dát mocht wat mij betreft afgebrokkeld worden
‘Een tekst mag best een beetje pijn doen, pas dan komen ook alle mooie of leuke dingen sterk naar voren,’ zei ik in een van de eerste lessen. Er werden veel ‘algemene’ verwoordingen gebruikt, zoals: ‘De grond werd onder mijn voeten vandaan geschoven.’ Of: ‘In één klap alles weg.’ Het klopt natuurlijk, maar hoe voelde dat, waar moest je aan denken? Ik herkende hun zoeken naar de juiste woorden. Maar hoe kun je je eigen pijn of verlies verwoorden zonder dat het te algemeen wordt? Iedere leerling hield iets hoog en dát mocht wat mij betreft afgebrokkeld worden.
Ik gaf de groep een korte opdracht. Want voor je een eerlijke tekst kunt schrijven, waarin je ook zuiver naar de pijnlijke dingen kunt kijken, moet je naar iets anders toe. Naar een minuscule denkbeeldige ruimte. Ieder mens heeft deze wel: ergens in je lichaam schuilt een kleine ruimte waar je onbevangen, vrij van verwachtingen en zelfopgelegde regels mag spelen. En in dit specifieke geval: spelen met alles wat niet te tillen is.
Eigenlijk verkeer ik sinds de behandeling in een intense wisselwerking tussen geest en een kapotgemaakt lijf
Voor mij is het iedere levensfase opnieuw aftasten hoe ik met mijn ziekte omga en vooral welke woorden ik eraan geef. Er zitten periodes bij waarin ik er niet veel aan denk, dat ik mijn leven leef: wel snel moe ja, wel blijvende fysieke klachten, ja, ook belachelijk snel overprikkeld, agreed. En toch zijn er momenten dat ik er licht mee om kan gaan. Al moet ik eerlijk bekennen dat er ook periodes tussen zitten dat die ziekte, dat woord, die hele periode en al dat verlies me zwaar valt. Dat de dagen stroperig aan me voorbijtrekken en ik bij iedere fysieke pijn bang ben dat het terug is. Eigenlijk verkeer ik sinds de behandeling in een intense wisselwerking tussen geest en een kapotgemaakt lijf. Maar om hier elke dag woorden aan te geven, doe ik liever niet. En daarbij moet ik ook nog maar net de juiste persoon tegenover me hebben, en dan is er nog zoiets als het goede moment. Want één ding is zeker: kanker vraagt ruimte en tijd.

Vlak na mijn diagnose schreef ik. Diezelfde nacht schreef ik, de dag erna en ook die nacht erop schreef ik door. Ik stopte niet, ik beschreef de huid van de arts, haar wenkbrauwen, het licht, mijn gedachten, de verstilling. Daarna hield ik bij hoe mijn familie, vrienden op dit nieuws reageerden, ik schreef alle afspraken met de artsen uit alsof ik een notulist was van mijn eigen bestaan. Al deze observaties heb ik gecombineerd met mijn zogenoemde ‘lacharchief’ dat ik daarvoor al bijhield – dit was een onderzoek naar waarom wij lachen, wat een lach is en hoe er over lachen wordt gedacht door filosofen. Deze bundel Dag nacht licht toch is in hetzelfde jaar als dat ik ziek werd gepubliceerd (uitgeverij De Bezige Bij).
Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent
Sindsdien geloof ik niet meer in een writer’s block of in een periode dat het schrijven (of schilderen) niet gaat. Je doet het of je doet het niet. Je bent het of je bent het niet. En alle gesprekken die daarover gaan smijt ik zo, hopsa over mijn schouder. Kennelijk bezit ik een oerdrang of gave – you name it – die zo diep in mij zit dat ik de behoefte voel om te blijven creëren. Maar wat me bij vlagen zorgen baart is dat ik die bundel het beste vind dat ik tot nog toe heb geschreven. Mijn essaybundel leeft nog steeds. Het was letterlijk nu of nooit. Ik durfde op tekstueel vlak alles. Tijdens het schrijven van mijn eerste boek (een roman) Het is maandag vandaag was ik vooral bezig met ‘wat literatuur zou moeten zijn’. Maar in Dag nacht licht toch was dat totaal niet aan de orde. En dat zelfs mijn redacteur destijds niet wist onder welke genre de bundel moest worden verkocht, beschouwde ik als een groots compliment.
Maar wat nu? Deze vraag dringt zich steeds vaker aan me op – tijdens het alledaagse leven, maar ook zeker in mijn schrijven en schilderen. Sinds ik ziek ben, voel ik bij vlagen een afgesneden gevoel van de medemens die geen kanker van binnenuit kent. Deze afstand vervaagt mij, vervaagt de drang om iets te maken: want alles kan in één seconde uit je handen donderen... Ik trek me steeds vaker terug in mijn studio, ik schilder en schrijf gestaag door, heb hier nog veel plezier in, maar ik houd het liever voor mezelf. Soms zou ik wel iets meer van dat lef willen terugkrijgen dat ik had tijdens het schrijven van Dag nacht licht toch. De moed om naar buiten te treden met mezelf en met mijn werk.
Terug naar de lessen, waar ik verschillende kleine opdrachten gaf om erachter te komen hoe de leerlingen hun taal inzetten in hun eigen tekst. Welk ritme gebruiken ze, welk vocabulaire, wat is hun natuurlijke vertelstijl en welke metaforen worden ingezet? Ik liet ze vertellen over beeld, andere kunstvormen en over hun lievelingsboeken – wat de een ziet, ziet de ander compleet anders.

Ik voel me soms als Gregor Samsa in Kafka’s Gedaanteverwisseling.
Niet dood, niet levend.
Wel aanwezig.
Maar in de weg. - Marjolein Hoornenborg
Niet alleen door de opdrachten, maar ook door de open gesprekken die loskomen van dat wat ze hebben geschreven. Communiceert de tekst wat de leerling wil? Meestal ligt er nog iets tussen die zinnen te broeien. Hoe kan dat aangescherpt worden, wat is hiervoor nodig en misschien wel vaker: wat kan er weg? Alsof we een speurtocht hebben opgezet naar wat het beste werkt voor ieder individu.
Het woord autonomie is afgeleid van het Griekse autonomía of autos, wat zelf betekent, en van nomos, dat duidt op de wet. Autonomos geeft dus aan dat je jezelf eigen wetten oplegt. Welke wetten je jezelf oplegt kan veranderlijk zijn. Soms zijn ze niet direct hoorbaar of helder. - Lisanne de Groot

Door Writing the gap werd ik me bewust van hoeveel ik mijn ziekte wegstop, terwijl ik er wekelijks aan wordt herinnerd. Is het niet door mijn eigen brein of lijf, dan wel door een reclamespotje, door een verhaal van iemand anders die weer iemand kent, et cetera. Door de verhalen van de leerlingen voelde ik steeds meer dat hoe je over je ziekte praat, hoe je erover denkt, afhangt van hoe je je voelt, en omdat een kankerbehandeling veel met een mensenlijf en brein doet, is het maar net hoe de pet die dag, of op dat moment, staat. Het ging, achteraf gezien, veel over nuance.
(…) nu waren daar opeens twijfels, vragen, onzekerheden, eenzaamheid en een gevoel van leegte. De vraag die meer en meer naar voren kwam, was: wil ik kinderen? Door de zekerheid die ik voelde om koste wat het kost mijn mogelijkheid op zwangerschap te redden, was ik uitgegaan van een ja. Nu was ik niet zo zeker meer. - Christel
Elke leerling uit Writing the gap was al een volwaardig jong persoon vóór diens diagnose, tijdens de behandeling werd diegene tot iemand gemaakt door een systeem waar niemand voor heeft gekozen en na de behandeling is de persoon óók weer iemand met verschillende lagen en met een enorme hoeveelheid aan levenservaringen erbij in een belachelijk kort tijdsbestek. Alleen lijkt het alsof we bij het stadium ‘kanker’ blijven haken. In vlagen door de blijvende bijwerkingen, maar ook door de Ander. We hoeven niet alles continu bespreekbaar te maken, maar het zou zo fijn zijn als ik diezelfde ruimte mag ervaren als bij Writing the Gap, waarin die intense wisselwerking tussen mijn geest en een kapotgemaakt lijf daar gewoon waren, zonder uitleg. En precies dat vond ik een verademing tijdens de lessen, en dat woord dekt mijn gevoel niet eens. Ik steeg in de eerste les op van verwondering en van verrukking. Omdat ik niet de enige ben die met dat niet te tillen gewicht opstaat en er weer mee naar bed gaat. En dat zorgt dan wonderbaarlijk genoeg toch voor een samenhorigheidsgevoel, tsja, dan valt er toch wat te zeggen voor dat ellendige woord ‘lotgenoten’.
Sytske van Koeveringe is afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie, in de richting Beeld en Taal, en schrijft / schildert / zeefdrukt/ werkt met kostuum in theater / doet haar best met al dat leven.
Madelief van der Peijl is een illustrator die zich graag verwondert om de wereld om haar heen. Ze kijkt rond en illustreert wat ze ziet; soms zijn het kleine dingen en soms juist grote, maar er is altijd iets wat haar opvalt.


















