‘Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt?’ Roosje van der Kamp voelt een grote noodzaak om iets blijvends te creëren, maar komt niet verder dan vluchtig neergepende fragmenten in haar notities. In dit essay onderzoekt ze – naast de vraag of ouderschap eventueel een valide, tweede optie is – haar worsteling met het professionele schrijverschap.
Een paar maanden geleden was ik er zeker van dat ik nooit kinderen zou krijgen. Maar nu voel ik ineens de urgentie om het toch te overwegen. Het is geen bewuste wens, noch een biologische drang, meer een knagend gevoel in mijn achterhoofd. Alsof het iets dringends is dat ik tot nu toe ben vergeten te doen, zoals een belastingformulier dat ik nog moet invullen of een e-mail die ik allang had moeten versturen.
Het is vreemd hoe alleen al het nadenken over kinderen als een verlossing voelt. Ik zal misschien nooit kinderen krijgen, maar ik ben in ieder geval bezig met het overwegen ervan, alsof het de gedachte zelf is die ik moet afvinken. Misschien komt het door alle keren dat ik ‘Weet je het zeker?’ te horen kreeg wanneer ik zei dat ik geen kinderen wil. Ik weet dat ik ze niet wil, en toch voelt dat niet-willen incompleet zonder er eerst over na te denken. Elke keer dat ik de gedachte toelaat, voel ik opluchting, alsof alleen al het erbij stilstaan me vrijwaart van daadwerkelijk iets te moeten doen.
Het doet me denken aan hoe auteur Sheila Heti in Moederschap worstelt met de vraag of ze wel of geen kinderen wil. In haar boek vraagt Heti zich af of ze een kind zou moeten krijgen voordat het te laat is en weegt ze de liefde die een kind kan brengen af tegen de vrijheid van een leven zonder kinderen. Ze vergelijkt auteurschap vaak met ouderschap: als ze besluit geen kind te krijgen, kan haar boek een manier zijn om toch moeder te worden van iets. Hoe dan ook, aan het eind van haar zoektocht zal ze iets hebben voortgebracht.
Ik ben bijna dertig, maar ik voel niets van een biologische klok. Wat ik wel herken, is het gevoel dat de tijd wegtikt. Laatst vertelde een vriendin me dat haar borsten pijn doen als ze een baby hoort huilen; ik denk dat ik een soortgelijke steek in mijn borststreek voel wanneer ik hoor over mensen van mijn leeftijd die dingen bereiken. Het is een vertrouwde pijn. Geen jaloezie, niet precies. Meer een indringend besef dat mijn tijd opraakt. Mijn verlangen om iets blijvends te creëren voelt als een holte in mijn borst, een gat dat met elke mislukte poging en ongrijpbaar idee steeds dieper wordt.
Ik denk veel na over het schrijven van iets groots. Maar in plaats van te schrijven vul ik mijn vrije tijd met zinloze klusjes, zoals het schrobben van de siliconen randjes van mijn koelkast met azijn en een oude tandenborstel of het bijknippen van losse draadjes aan het kleed in mijn kleine woonkamer met mijn favoriete nagelschaartje. Ironisch genoeg lijken mijn dagen vaak op die van een thuisblijfmoeder. En misschien ben ik dat op een vreemde manier ook geworden, alleen zorg ik niet voor een kind, maar voor een idee.
Meestal word ik wakker zonder wekker. Ik vertel mezelf dat ik wacht tot de inspiratie toeslaat, maar dat gebeurt bijna nooit. Schrijven doe ik dus alleen in flitsen, in de rij bij de supermarkt of bij een rood licht.
Hoe beter ik betaald word, hoe slechter ik me voel over mijn werk. Het is een vreemde ironie
Ik schrijf vooral voor geld. Toen ik begon met schrijven, dacht ik nooit aan geld, maar nu is het alles waar ik aan denk. Zo gaat dat, denk ik. Als geld schaars is, wordt het het enige dat telt, zelfs voor mensen die zeggen dat ze er niet om geven. Opeens zijn woorden geen woorden meer, maar cijfers. In de schrijverswereld is een woord een paar cent waard, soms een halve euro.
Hoe beter ik betaald word, hoe slechter ik me voel over mijn werk. Het is een vreemde ironie. Het moment dat je begint te tellen, is het te laat; dan ben je al verloren. Hoe meer ik tel, hoe meer mijn werk uit elkaar valt. Voor deze publicatie verdien ik tien cent per woord, wat dat voor dit stuk betekent, laat ik aan jou.
Ik heb van mijn werk een spelletje gemaakt: proberen zo min mogelijk te doen terwijl ik net genoeg verdien om rond te komen. Zes recensies dekken mijn huur. Van twee interviews doe ik mijn boodschappen. Als ik klaar ben, plof ik neer op de bank en scroll ik door mijn telefoon. Ik maak lijstjes van dingen die ik moet doen: de vloeren dweilen, de lakens wassen, de boekenplanken afstoffen. Soms, net voordat ik in slaap val, krijg ik een idee, maar ik sta nooit op om het op te schrijven. Ik blijf gewoon liggen en laat het gaan.
Er is een zin uit een Netflix-komedie die ik moest recenseren voor een filmsite: ‘Your twenties are about hope. Your thirties are about losing it.’ Ik ben nog geen dertig, maar ik voel het gewicht van die uitspraak, alsof de hoop mij wat eerder heeft verlaten.
Zodra ik kon schrijven, maakte ik boeken – handgeïllustreerde verhalen over dieren die in een bos leefden. Nog voordat ik wist hoe ik een pen moest vasthouden, schreef ik brieven aan de buren met een stempelset die ik voor Sinterklaas had gekregen. Iedereen om me heen sprak over mijn potentie. Op school zat ik in hoogbegaafdenklasjes, en mijn leraren verzekerden mijn ouders dat ik voorbestemd was voor grootsheid.
Wanneer ik nu mijn worstelingen met mijn ouders deel, stellen ze voor dat ik erover schrijf. Dat is hun standaardantwoord. ‘Waarom schrijf je geen boek?’ Ik weet dat ze het goed bedoelen, maar hun verwachtingen verstikken me. Soms betrap ik mezelf erop dat ik zou willen dat ze in plaats van een boek op een kleinkind hoopten.
Tijdens mijn studie filosofie had ik vaak het gevoel dat niets wat ik schreef echt iets toevoegde. Het leek alsof ik, door mijn werk te baseren op de gedachten van anderen, zelf uit mijn woorden verdween. Alsof mijn werk niet echt van mij was, maar nog steeds aan de oorspronkelijke denker toebehoorde. Hetzelfde gevoel overvalt me nu als ik schrijf over films van beroemde filmmakers. Het gevoel dat mijn bijdrage, als die er al is, alleen bestaat uit het begrijpelijk maken van iets dat al bestaat.
Is het niet de grootste angst van elke maker dat hun zelfvertrouwen een fictie is?
In tegenstelling tot Heti voel ik me niet belast door de keuze tussen moederschap en een carrière. In plaats daarvan worstel ik met de wetenschap dat er zonder een kind niets in de weg staat om iets briljants te creëren. Het is een vreemde soort druk, alsof er een stem is die erop aandringt dat, als ik geen moeder word, ik op z’n minst iets anders ter wereld moet brengen. De stem komt met een alomvattende droefheid die ik associeer met verlies. Het lijkt zoveel eenvoudiger om de mogelijkheid van kinderen te overdenken dan de uitdaging aan te gaan om leven te blazen in een idee. De spanning tussen het willen creëren van iets briljants en het niet aan die verwachtingen kunnen voldoen, doet me denken aan My First Film van Zia Anger. In deze film ontleedt Anger de totstandkoming van haar eerste film, die nooit werd uitgebracht. Als je haar ‘echte’ eerste film op IMDb zoekt, staat er 'abandoned’, ‘verlaten’ (dat woord zou je ook kunnen gebruiken om mijn eigen werk te beschrijven).
Recensies van My First Film omschrijven haar eerste werk steevast als ‘mislukt’ (dat is het woord waarmee ik me identificeer). En toch, in tegenstelling tot mij, maakte Anger iets van haar mislukking. Via een omweg werd haar eerste project een succesvolle film. Om dat te doen, moest Anger die mislukking onder ogen komen. Ik stel me voor dat ik een boek schrijf over mijn eigen mislukte ideeën. Als ik op mijn oude notities reflecteer, zou ik degene die ze schreef dan ook megalomaan vinden, zoals Anger haar jongere zelf als arrogant neerzet? Als ik schrijf, heb ik vaak het gevoel dat mijn oudere zelf naar me kijkt en beschaamd commentaar levert op mijn grootheidswaanzin, net zoals Anger in voice-over continu het werk van haar jongere zelf becommentarieert. Is dit niet de kern van de grootste angst van elke maker? Dat hun zelfvertrouwen een fictie is? En toch, is een bepaalde mate van illusie niet noodzakelijk om überhaupt iets te creëren?
Als ik Anger voor een artikel via Zoom spreek, vraag ik hoe ze haar eerste film zelf zou omschrijven. Er valt een lange stilte. Ik denk tranen in haar ogen te zien, maar door het gepixelde scherm weet ik het niet zeker. Dan opent ze haar mond: ‘Een mooie klomp cellen die niet levensvatbaar is buiten het menselijk lichaam.’ Ik herken de woorden. Het is hetzelfde als wat de dokter haar aan het einde van haar tweede film vertelt, vlak voor haar tweede abortus.
Het voelt veelzeggend dat My First Film eindigt met een abortus. We praten graag over het creatieve proces alsof het een geboorte is, met een ‘conceptie’, ‘groei’ en ‘bevalling’. Als die metafoor klopt, dan is de première de geboorte van de film. Maar deze film heeft die nooit gehaald. In zekere zin werd hij echt geaborteerd. Maar wie nam die beslissing? Anger koos ervoor een abortus te ondergaan, maar het opgeven van haar werk was niet haar keuze. Ze besloot geen kind te krijgen; ze besloot niet dat, van de tientallen festivals waarnaar ze haar film stuurde, geen enkele haar film wilde vertonen.
Zwangerschap lijkt zo simpel – een biologisch proces dat zich vrijwel vanzelf voltrekt. Schrijven vereist een onophoudelijke reeks keuzes
Wanneer ik Anger naar de verbinding tussen abortus en ongezien werk vraag, antwoordt ze met een onverwachte dankbaarheid. ‘Als ik mijn eerste abortus niet had gehad,’ zegt ze, ‘zou ik nu een zestienjarige hebben.’ Als ik mijn eerste idee niet had opgegeven, hoe oud zou dat boek dan nu zijn?
Over haar eerste film spreekt Anger met hetzelfde gevoel van opluchting. ‘Ik was toen niet klaar om moeder te zijn, net zoals ik niet klaar was om regisseur te zijn.’ Ben ik klaar om schrijver te zijn? Ik denk aan alle projecten die ik ben begonnen maar nooit heb afgemaakt en huiver. Waarom kan ik ze niet tot wasdom laten komen? Zijn mijn ideeën niet levensvatbaar of ontbreekt het me simpelweg aan overtuiging? Maar om een idee toe te laten, moet ik mijn angst te falen onder ogen zien, en ik denk niet dat ik sterk genoeg ben om iets te voldragen.
Ik blijf denken aan die eerste film van Anger, de film die niemand zag. Ik betrap mezelf erop dat ik hem graag zou willen zien. Anger toont soms fragmenten, maar ze zijn vluchtig, incompleet. Is dit hoe rouw voelt voor mensen die voor een abortus kiezen? Een verlangen naar iets dat had kunnen zijn, maar er niet is? Mijn gedachten dwalen af naar de opgegeven fragmenten in mijn notitie-app. Je zou er een soortgelijke montage van kunnen maken.
Een gevoel van schuld bekruipt me terwijl ik door de flarden tekst op mijn telefoon scroll. Breek ik een idee echt af zoals een zwangerschap beëindigd wordt, of ben ik gewoon tijd aan het verdoen tot ze tot rijping zijn gekomen? Zoals ingevroren eicellen, wachtend om bevrucht te worden. Misschien laat ik de fragmenten om die reden in hun mapje zitten, in plaats van ze te verwijderen. In de hoop dat ze op een dag het licht zien, net zoals Anger toch iets van haar mislukte eerste film wist te maken.
Vaak vraag ik me af wat het betekent om iets te koesteren. Soms ben ik bang dat ik niet het geduld heb om dingen te zien groeien. Zwangerschap lijkt zo simpel – een biologisch proces dat zich vrijwel vanzelf voltrekt. Schrijven vereist een onophoudelijke reeks keuzes; een idee is altijd slechts een begin, iets dat je voortdurend moet ontwikkelen. Een kind opvoeden lijkt mij bijna gemakkelijk vergeleken met het vormgeven van een verhaal. Geen wonder dat auteurs hun kinderen als hun creaties zien.
Men zegt wel dat vrouwen met elk kind dat ze krijgen een boek minder schrijven. Maar, lees ik in een artikel van Karen Bourrier en John Brosz voor Slate Magazine, als je vrouwelijke auteurs met en zonder kinderen vergelijkt, blijkt er geen verband te bestaan tussen het aantal kinderen dat ze kregen en de hoeveelheid boeken die ze schreven. Het argument van Heti, dat moederschap een vrouw minder productief maakt, lijkt dus ongegrond. Waarom dan deze hardnekkige mythe?
Misschien is mijn romantisering van moederschap slechts een manier om te vermijden dat ik de waarheid onder ogen zie: dat ik niet klaar ben om voor iets te zorgen, of dat nu een kind is of een literair werk. Misschien is zwangerschap inderdaad de juiste metafoor voor creatie, en draait alles om het afmaken van wat je bent begonnen, om het elke dag weer te dragen tot het tot wasdom komt.
Ik denk opnieuw aan alle verlaten projecten in mijn notitie-app. Zachtjes zucht ik. Dan ga ik weer op de bank liggen.
Roosje van der Kamp (zij/haar) is essayist en criticus voor Het Parool, de Filmkrant en VPRO Cinema. Ze is geïnteresseerd in de interactie tussen werkelijkheid en fictie, met name in film. Als ze niet in een filmzaal zit, praat ze graag over Kierkegaard, design lampen en reality-tv.
Suze Hoek is illustrator en grafisch ontwerper. Ze laat zich voornamelijk inspireren door architectuur, toevalligheden op straat, systemen en de 'psyche'. Het liefst met 'n sausje humor. Over 5 jaar hoopt ze op meer gemeenschapszin, wereldwijd.


















