Mara van Herpen vertelt het poëtische en surrealistische verhaal van Toni. Hen werkt in een broodfabriek en begint daardoor te gisten en te schimmelen en verandert in… Ja, in wat eigenlijk?
Op het eerste gezicht denk ik dat het een hond is, dus zo noem ik het in de weken die volgen.
Ik verliet de supermarkt door de schuifdeuren, een fles rode wijn onder mijn arm geklemd, in mijn hand een pakje ibuprofen en een netje mandarijnen, waarvan het plastic in de pink sneed die het gewicht droeg. Ik was net klaar met werken. De fluorescerende lampen van de industriële bakkerijvloer had ik verruild voor die van het groente- en fruitschap. Mijn hoofd bonsde nog na van het aanhoudende lawaai van de machines. Het enige wat ik wilde, was zo snel mogelijk thuis zijn, op mijn bed zitten in de stille duisternis.
Ik stap de straat op en zet mijn boodschappen naast me neer, waarna ik voorover buig om mijn fiets van het slot te halen. Het metaal van de ketting voelt koud in mijn hand. Als ik weer overeind kom, kijkt het me recht aan.
Het beest hijgt, zijn kaken iets open. Het lijkt inderdaad een hond te zijn, vastgebonden aan een lantaarnpaal, wachtend tot zijn eigenaar terugkeert met de boodschappen. Maar dit dier heeft geen riem en zijn vacht heeft een vreemde glans. Zijn omtrek is onvast. Hij trilt in de warme avondlucht. Ik kijk om me heen. Mensen haasten zich langs me met kratten bier en boodschappentassen. Als ik me weer omdraai, is het dier verdwenen. Mijn buik gromt. Mijn lunchpauze was uren geleden. Terwijl ik naar huis fiets, brandt het nabeeld van het wezen nog minutenlang op mijn netvlies.
*
Thuis blijf ik op de drempel van Merels kamer staan. Vanuit de donkere ruimte klinkt doffe muziek. Over een hoge, golvende synth-melodie zingt een vrouwenstem. Mijn huisgenoot moet vergeten zijn haar laptop uit te zetten. Ik werk dagen en zij verdwijnt in de nachten. Zo wisselen we de wacht in huis. Hoewel ik weet dat ze er niet is — haar fiets stond niet voor de deur — fluister ik zachtjes haar naam voor ik de kamer binnenloop en het licht aandoe. De blikkerige stem antwoordt vanaf haar laptop op een onopgemaakt bed:
‘They would feed the hungry fields
'Til they couldn't eat no more’
Op Merels nachtkastje ligt een halflege anticonceptiepilstrip, een slordig opgerold briefje van vijf en een bruin geworden klokhuis waar fruitvliegjes omheen dansen. Haar lange haren liggen door het hele appartement verspreid en als we een tijd niet schoongemaakt hebben, klitten ze samen tot stofnesten die over de vloer zweven. Ze draagt zilveren armbanden en zwierende jurken. Terwijl ik voor haar spiegel sta, vraag ik me af hoe lang het duurt om deze gedaante aan te nemen, beeld me haar in op deze plek, hoe ze een ijzeren haakje door het gaatje in haar oorlel duwt, met haar vingers glinsterend poeder over haar ooglid strijkt.
Ik vraag me af in welke relatie ik tot het andere leef, welke wetenschappelijke term mijn vorm van vriendschap zou omschrijven
Wanneer ze straks om 06:00 uur thuiskomt, terwijl ik met koffie aan de keukentafel zit, zal ze overgeven in de wasbak, over de vuile borden heen. Haar ribbenkast zal zichtbaar onder haar naveltruitje bewegen, ze zal eruitzien als een zwerfkat die een bak nat voedsel opschrokt. Ze zal me plotseling aankijken en zich verontschuldigen, waarop ik mijn hoofd af zal wenden, en zal mompelen dat het niet geeft.
*
Die nacht kan ik niet in slaap vallen. Ik lig op mijn rug, handen gevouwen over mijn buik. Mijn benen voelen zwaar aan en ik hoor mijn huisgenoot stommelen door het huis. Niet denken aan de schimmel in de slaapkamer, niet denken aan waterschade, aan eenzaamheid. Ik denk terug aan biologieles. Nog altijd kan ik foutloos de levenswijzen opdreunen: saprofytisch, symbiotisch, parasitair. Ik vraag me af in welke relatie ik tot het andere leef, welke wetenschappelijke term mijn vorm van vriendschap zou omschrijven. Na weken als een schim door mijn leven bewogen te hebben, lijkt er nu plots iets te zijn dat naar mij kijkt, iets waarachtigs wiens blik zich in me vast klauwt.
*
Deze zomer droom ik over graanvelden, over halmen die wuiven in de wind en hun boze zaad over het land verspreiden. In de fabriek leer ik dat het niet genoeg is om alleen het beschimmelde stuk van een brood af te snijden. De onzichtbare sporen verspreiden zich in werkelijkheid dieper, veel dieper, het hele brood door. De enige oplossing is om alles weg te gooien. Toch bewaarde ik alle plastic broodclips en plakte ze op de muur boven mijn bed: rijen houdbaarheidsdata, bewijs van het volgende: ik at, ik leefde nog een week.
De fabriek staat op een groot bedrijventerrein. Ik moet een viaduct over fietsen om in dit deel van de stad te komen. Tot de zomer waarin ik hier naartoe verhuisde, wist ik niet hoe mijn brood gemaakt werd of waar het vandaan kwam, alleen dat het steeds duurder werd. Mijn vrienden hadden me gewaarschuwd: dit was een stad van eenzaamheid en ik moest niet verwachten er een plek te vinden. De mensen waren oppervlakkig, vluchtig, en eenzaam, de gebouwen grijs en afgetakeld. Maar het werk in de bakkerij is eentonig en fysiek zwaar en tegen het einde van een dienst ben ik vaak zo uitgeput dat ik nergens meer over na kan denken. Gehuld in de witte, schone bakkersjas hoef ik niets te zijn behalve nuttig.
*
Van achter langzaam draaiende ventilatoren flikkert stoffig daglicht de ruimte binnen. Het ruikt hier naar gist en metaal, naar plastic handschoenen en zweet. Vandaag sluit ik de zakken af. Het deeg heeft warmte nodig om goed te gedijen; warmte die het menselijk lichaam al snel te veel wordt. Ze verzekeren ons ervan dat het luchtverkoelingssysteem werkt — ik heb daar zo mijn twijfels over; de temperatuur lijkt elke week te verspringen. Mijn hoofdhuid jeukt onder mijn haarnetje en ik merk dat mijn handen beven bij het inpakken van de broden.
Ik wil haar smeken om dieper bij me naar binnen te kijken, de boze anemonen die in mijn binnenste groeien met een scan te onthullen
*
Het is de warmste zomer in jaren. De muren van het appartement bollen op door de hitte, alsof het gebouw zijn adem inhoudt. Ons zweet verdampt en vormt condens op de ramen. Buiten kleurt de maan rood door verre bosbranden. Tijdens mijn diensten in de fabriek begin ik sporen tegen te komen: het uiteinde van een staart die om een hoek verdwijnt, tandafdrukken in het plastic. ‘s Avonds eet ik droog brood dat over is van de bakkerij. Ik droom over in stilte rijzend deeg, regelmatig draaiend op de banken in de bollenrijskast.
*
Een paar dagen na de verschijning van Hond vormt er zich huiduitslag op mijn armen. Ik spuug meer bloed in de gootsteen dan normaal wanneer ik mijn tanden poets en mijn hoofd zit vol watten. Die week meld ik me ziek en mijn leidinggevende vraagt: ‘Weet je zeker dat je niet kan komen?’ Ik kan de telefoon nauwelijks tegen mijn oor houden, zo hard trillen mijn handen. Als je een warmtekaart zou maken van mijn lichaam, dan zou hij volledig rood gekleurd zijn.
Ik begin het dier op meer plekken te zien. Hond is mij naar huis gevolgd en nestelt zich in mijn leven als een parasitaire aanwezigheid. Soms voel ik zijn warme adem op mijn vingertoppen en trek snel mijn hand weg. Hond bijt mij niet. Hij ligt aan het voeteneinde van mijn bed. Ik vraag Hond waar hij vandaan komt, of hij deel is van mijn koortsdroom, of vlooien, vlees, en bloed. Hond vangt de vraag en werpt hem terug aan mijn voeten: ‘Wie heeft jou gedroomd, Toni? Wat doe jij hier?’
*
In de behandelkamer hangt een schilderij van een appel. Ik maak kreukels in het hygiënepapier. Hond sloft naar een hoek van de kamer en gaat liggen met zijn kop op zijn poten. Met gehandschoende vingers trekt de dokter voorzichtig mijn kaken uit elkaar. Ik weet zeker dat, wanneer ze een oor vlak boven mijn open mond zou houden, diep vanbinnen een zwak gezoem te horen zou zijn. Ik wil haar smeken om dieper bij me naar binnen te kijken, de boze anemonen die in mijn binnenste groeien met een scan te onthullen. De dokter laat mijn hoofd los en pakt voorzichtig mijn arm. In mijn hoofd noem ik de ziekten op die ik op internet terugvond: zomergist, amylase-allergie, ringworm, kriebelziekte—
‘Ik zie geen zwelling of ontsteking. Heb je pijn?’
Het is belangrijk dat niemand doorheeft dat ik verveelvoudigd ben
Ik kijk de dokter niet aan wanneer ik antwoord geef, maak een vaag gebaar naar mijn keel. Het voelt alsof ik iets moet bewijzen. ‘Het is alsof het dicht zit hier.’
De huisarts is vriendelijk. Ze raadt me een paracetamol en rust aan. Ik wil haar zeggen dat ik gek word. Ik zwijg en knik.
Ik loop terug de duisternis van de metrotunnel in. Je moet je niet aanstellen, echoot een stem in mijn hoofd. Mijn hand is zweterig en wanneer ik de metalen paal loslaat zou ik zweren dat er een afdruk in het metaal staat, als een voetstap in nat cement.
*
Het is belangrijk dat niemand doorheeft dat ik verveelvoudigd ben, dat ik mijn blik niet van het werk weg laat glijden. Ik probeer Hond te verbergen, hem op te sluiten in mijn kamer, maar wanneer ik dat doe, krabt hij aan de deur en verscheurt mijn beddengoed of verandert in een poel groen slijm dat onder de deur doorsijpelt tot aan mijn kousenvoeten, en er een dweil aan te pas moet komen om hem terug te duwen. Hond praat tegen me, maar ik weiger te antwoorden. Hond knaagt aan het snoer van mijn oplader en glitcht lichtjes.
*
Op een dag komt Merel zonder te kloppen mijn kamer binnen. Ik zit op mijn bed met de capuchon van mijn hoodie tot aan mijn kin vastgetrokken. Het scherm van mijn laptop verlicht mijn klamme gezicht. Een internetforum, waarop de laatste reactie van twaalf jaar geleden is, legt mijn klachten uit als een symptoom van midden-twintig zijn.
‘Je weet dat we geen dieren mogen van de huisbaas, toch?’ In haar opgeheven hand bungelt een hondenriem. ‘Of is die van jou?’ voegt ze er met een knipoog aan toe. Ik doe alsof ik niet weet waar ze het over heeft en haal mijn schouders op.
Ik weet niet of Merel Hond kan zien. Ondanks haar rommeligheid heeft ze een scherpe blik. Toen ik het huurcontract tekende, leek het of ze iets over mijn naam wilde zeggen. Antonia, de naam van mijn oma en de naam waarvan mijn ouders erop stonden hem te gebruiken, ondanks mijn pogingen hem terug te beitelen tot iets wat meer wees naar wie ik was: Toni. Maar je kan je nooit volledig losrukken van wat je gegeven is, zoals ik Hond een hond blijf noemen zelfs wanneer hij hoeven heeft of een olievlek wordt.
Dit is ouder dan brood, ouder dan de huur betalen
Merel blijft in de deuropening hangen en draait aan haar armband. ‘Gaat het wel?’ Ik word me bewust van de wallen onder mijn ogen en de kruimels op mijn trui.
‘Uh, ja, ik ben gewoon moe.’
‘Wil je misschien mee, vanavond?’
Vanuit mijn ooghoek zie ik Hond zijn kop oprichten.
*
Ik knip mijn pony recht voor de spiegel. Een Jeanne d'Arc-kapsel, als in het beeld van Albert Lynch: het pagekapsel met de vastberaden blik. Hond kijkt me over mijn schouder aan en fluistert: ‘Het is tijd om dit onder ogen te zien.’
*
Onderweg staan alle stoplichten op oranje. De club staat op hetzelfde industrieterrein als de bakkerij, iets wat ik nu pas besef. Merels gezicht glinstert terwijl ze een praatje maakt met de uitsmijter. Ondertussen wordt mijn tas overhoop gehaald. Tijdens het fouilleren knijp ik onbewust mijn ogen dicht. Wanneer ik ze open, grijnst de beveiliger naar me. ‘Veel plezier.’
*
Lichamen botsen tegen het mijne aan. Ik klem mijn armen beschermend over elkaar. Merels lachende gezicht licht rood op onder de gekleurde lampen. ‘Als je niets drinkt, krijg je dorst, Toni!’ Ik zet het glas, dat plotseling in mijn hand verschenen lijkt te zijn, aan mijn lippen. Ze wrijft over mijn rug, alsof ik een ziek kind ben. Zo voel ik me ook. Hond is nergens te bekennen. Merels blik is warm en voor het eerst wil ik me er niet voor verstoppen. Ze schreeuwt in mijn oor om de muziek te overstemmen. Ik voel haar adem in mijn nek. Ik knik heftig, alsof ik er een woord van begrijp, maar er gaat een pijnscheut door mijn hoofd en mijn zicht begint te verdubbelen. Ik zie twee Merels zwaaien naar iemand aan de andere kant van de zaal, voordat ze de mist in verdwijnen.
Ik baan me een weg door de happende menigte, de veiligheid van de toiletten in. De zweetdruppels beginnen op te drogen op mijn schilferende huid en ik ril onwillekeurig. Ik houd mijn blik op de deuren gericht en hoop dat niemand een gesprek met me aanknoopt. Vrouwen bekijken zichzelf in de spiegel en smeren dikke, fonkelende substanties uit op hun lippen. Ik had dit nooit moeten doen. Ik buig me naar de spiegel en bevestig mijn angst: mijn binnenkant en mijn buitenkant komen niet overeen. Ik ren de wc’s uit voordat iemand er iets van kan zeggen en volg de uitgangborden, die zich uitsmeren tot een groene waas. Ik val een deur uit, de straat op. En daar is Hond, glinsterend en kronkelend als een zwerm krioelende insecten.
*
Het hek om de bakkerij is afgesloten met ijzeren kettingen. Het gaas zoemt onder de hoogspanning. Muggen landen op mijn blote armen. Ik sla ze niet weg. De fabriek lokt me zachtjes met de geur van versgebakken brood die een diepere broeiing maskeert: het mycelium, de zwamvlok. Gist die ons grondwater in sijpelt. Hond opent zijn kaken en hun collectieve stem klinkt vanuit de vuilniscontainers, uit de bacteriën op mijn vingertoppen, uit het netwerk van draden die tussen mijn cellen spannen. Dit is ouder dan brood, ouder dan de huur betalen. Zachte, witte draden begraven zich teder in mijn blote enkels, tot ik neerkniel op het asfalt. Honds omtrekken zijn nooit zo scherp geweest.


















