'‘Het gaat over uw kabouter,’ zegt meneer Ouka.' En dat doet het: in dit verhaal verheft Makki Aimar een niet-lachende tuinkabouter tot het glinsterende middelpunt van zijn verhaal. Waar ieder ander een tuinkabouter niet eens zou zien staan, lijkt het voor de hoofdpersoon in dit verhaal een metafoor voor zingeving te worden. Met dit verhaal won Makki Aimar de schrijfwedstrijd Door de ogen van Palomar, geïnspireerd door Italo Calvino’s Palomar en georganiseerd door uitgeverij Cossee en Hard//hoofd.
Meneer Ouka staat op het balkon met zijn handen in zijn zakken en doet alsof hij naar de wolken kijkt. In werkelijkheid kijkt hij naar de tuin van de buurvrouw, waar tussen de lavendel en een roestige gieter een tuinkabouter staat. Het is niet zijn tuin. Het is niet zijn kabouter. Dat alleen al houdt hem al dagen bezig, want waarom zou een object waarmee hij niets te maken heeft zoveel van zijn ochtenden opeisen?
Hij heeft de kabouter natuurlijk vaker gezien. Iedereen in de straat heeft hem gezien; hij staat er al jaren, zo onopvallend als een lantaarnpaal of een stoeptegel. Maar pas gisteren, toen hij zijn koffie te heet had ingeschonken en met de mok tegen zijn bovenlip op het balkon bleef staan wachten tot hij kon drinken, zag hij hem voor het eerst goed. De kabouter had geen glimlach. In plaats van de vrolijke, opgetrokken mondhoeken die je van een tuinkabouter verwacht, had hij een rechte streep, van links naar rechts, precies in het midden van het gezicht.
De rode muts was niet rood meer, maar had de kleur van opgedroogd bloed, en de baard zat vol spinnenwebben die in de ochtendzon glinsterden als iets wat per ongeluk kostbaar was geworden.
Wie let er op de gelaatsuitdrukking van een tuinkabouter?
Kabouters lachen toch altijd, denkt meneer Ouka. Ze staan in de tuin en lachen; dat is wat ze doen, dat is waarvoor ze zijn gemaakt. Wie let er tenslotte op de gelaatsuitdrukking van een tuinkabouter? Maar deze kabouter lacht niet, en het feit dat er kennelijk niemand is die zich daar iets van aantrekt, maakt de zaak voor meneer Ouka alleen maar dringender. Als je iets al zo lang aanziet zonder het te zien, wat zie je dan eigenlijk wél?
De buurvrouw heet mevrouw Koning. Ze is een jaar of zeventig, heeft een kat die Sjaak heet en een fiets met een mandje voorop. Meneer Ouka weet dit omdat hij al veertien jaar naast haar woont en in die veertien jaar niet meer dan drie zinnen met haar heeft gewisseld. Goedemorgen. Mooi weer. Ja, inderdaad. Hij vraagt zich af of zij de streep ooit heeft gezien zoals hij hem nu ziet, of dat ze er alleen maar langsloopt, op weg naar de brievenbus, met haar blik al bij iets anders.
De kabouter houdt een lantaarn vast, en dat is op zichzelf al vreemd. De meeste kabouters dragen een kruiwagen, een hengel, iets waarmee ze iets doen. Deze draagt licht. Maar de lantaarn is van plastic, dat ziet meneer Ouka aan de goedkope, vettige glans waarmee het ochtendlicht erop valt, en er zit geen lampje in. Het is een hol, donker ding dat een lantaarn voorstelt zonder er een te zijn. Wilde iemand hier ooit iets mee verlichten? Of is de lantaarn juist een bekentenis: een teken dat het hier, in deze tuin, permanent te donker is om iets zonder hulp te kunnen zien?
Maar de lantaarn is niet het eigenlijke probleem. Het eigenlijke probleem is de streep.
Meneer Ouka bedenkt, niet voor het eerst, dat het geen benijdenswaardig bestaan is, dat van een tuinkabouter. Je staat er als het te koud is, en je staat er als het te warm is. Je staat er in de regen, in de sneeuw, en wanneer de vogels je met precisie weten te vinden wanneer ze hun grote boodschap lozen. Niemand vraagt of je moe bent, want je bent van gips, en gips wordt niet moe, zegt men, alsof dat een geruststelling is en geen vonnis. Als hij zich voorstelt hoe het zou zijn om zelf jaren op één tegelpad te staan, met een lantaarn die niets verlicht, dan lijkt een vaste, neutrale streep hem eigenlijk verstandiger dan een eeuwige lach. Een glimlach die nooit mag stoppen, wordt na verloop van jaren toch ook een soort grimas. Misschien, denkt hij, is deze kabouter niet somber, maar simpelweg eerlijker dan de rest van zijn soort.
Er is geen moment aan te wijzen waarop de vrolijkheid verdween
Zijn vrouw komt naast hem staan met een broodje in haar hand. 'Wat sta je daar nou weer?' 'Ik kijk naar de kabouter van mevrouw Koning,' zegt hij. 'Hij lacht niet.' Zijn vrouw kijkt, haalt haar schouders op. 'Die heeft toch nooit gelachen?' 'Precies,' zegt meneer Ouka. Ze kijkt hem aan alsof hij een andere taal spreekt, bijt in haar broodje en gaat weer naar binnen.
Hij blijft achter met een probleem dat groter wordt naarmate het langer bestaat. De kabouter heeft nooit gelachen. Dat maakt de vraag niet kleiner, maar juist onmogelijker, want een streep die er altijd al was, is nooit ergens mee begonnen. Er is geen moment aan te wijzen waarop de vrolijkheid verdween.
Meneer Ouka haalt zijn blocnote tevoorschijn en schrijft drie observaties op. Eén: de streep is volstrekt horizontaal, terwijl een echte mond nooit helemaal recht is; die buigt mee met de wangen, de kin, de emotie van het moment. Deze streep negeert het gezicht waarop hij is aangebracht, alsof hij met een liniaal is getrokken door iemand die zich niet voor gezichten interesseerde. Twee: er is verder geen enkele uitdrukking. Geen frons, geen opgetrokken wenkbrauw. Het gezicht is leeg, op die ene lijn na, de streep is dus geen uiting van iets, maar juist de afwezigheid van elke uiting. Drie: de verf is afgebladderd op de neus, de kin, de rand van de muts, maar op de streep zelf niet. Alsof die met een andere, hardnekkiger soort verf is gezet. Of alsof iemand, ooit, precies daar iets extra heeft willen laten duren.
Hij leest de observaties terug. Ze kloppen. Ze zeggen alleen niets over wat hij werkelijk wil weten.
Sommige dingen zijn nu eenmaal logisch omdat niemand ze begrijpt
Die middag houdt hij het niet meer uit. Hij trekt zijn jas aan, telt onderweg de tegels tot aan de voordeur van mevrouw Koning. Zeventien, evenveel als de lavendelstruiken, wat hem een ogenblik ten onrechte iets laat vermoeden over de architectuur van toeval, en belt aan.
Mevrouw Koning doet open in een schort met brood erop. 'Ja?' 'Het gaat over uw kabouter,' zegt meneer Ouka. Ze kijkt hem aan alsof hij zojuist heeft verteld dat haar huis in brand staat. 'Mijn kabouter?' 'In de tuin. Hij heeft een streep in plaats van een mond. Hij lacht niet, en heeft dat nooit gedaan. Ik vroeg me af: waarom?'
Mevrouw Koning zwijgt even. Ze kijkt eerst naar de kabouter, alsof ze even toestemming moet vragen. 'Die kabouter heeft mijn man gekocht,' zegt ze vervolgens. 'Achttien jaar geleden. Op de markt in Eindhoven.' Meneer Ouka wacht op de rest. Er komt geen rest. 'En?' probeert hij voorzichtig. 'En hij is dood,' zegt ze. 'Al tien jaar. Dus de kabouter blijft staan.' Ze sluit de deur.
Meneer Ouka blijft achter op de stoep, de zeventien tegels onder zijn voeten, met een antwoord waarvan hij niet zeker weet of het een antwoord is op zijn vraag. Mevrouw Koning heeft hem verteld waar de kabouter vandaan komt. Ze heeft hem niet verteld wat de streep betekent, en misschien, bedenkt hij op de terugweg, is dat wel hetzelfde antwoord, alleen dan van de andere kant bekeken. Sommige dingen zijn nu eenmaal logisch omdat niemand ze begrijpt.
Een neutrale kabouter is alles wat je zelf wilt
Terug op het balkon kijkt hij opnieuw naar de tuin. De kabouter is niet veranderd; zijn streep is dezelfde streep, zijn spinnen zijn dezelfde spinnen. Maar nu meneer Ouka weet dat het ding ooit gekocht is door een man die inmiddels langer dood is dan hij nog geleefd heeft sinds die aankoop, lijkt de streep zwaarder te wegen. Alsof al die jaren van regen, vogelpoep en kattenpis niet zijn verdwenen, maar zijn opgeslagen in die ene rechte lijn.
Hij schrijft in zijn blocnote: de streep is geen gelaatsuitdrukking, de streep is een beslissing. Hij leest de zin terug en schrapt hem, te stellig. Hij schrijft: misschien is de streep het belangrijkste deel van de kabouter, omdat je er alles bij kunt denken; een lachende kabouter is maar één ding, een neutrale kabouter is alles wat je zelf wilt. Ook die zin schrapt hij.
Uiteindelijk schrijft hij: meneer Ouka begrijpt de streep niet. Hij begrijpt alleen dat hij ernaar blijft kijken. Dat is misschien precies de bedoeling van de streep, en misschien ook van hemzelf.
Hij sluit zijn blocnote. De zon zakt weg achter de daken, de lavendel wordt paars in het schemerlicht, en de kat Sjaak wordt wakker, snuffelt kort aan de dode lantaarn en loopt onverschillig verder. Meneer Ouka blijft zitten tot het donker is. Dan gaat hij naar binnen en eet zijn avondeten zonder iets te zeggen. Zijn vrouw vraagt niets. Ze weet inmiddels hoe het gaat met de dingen die meneer Ouka ziet: ze verdwijnen niet meer, ze blijven, net als hij, een beetje langer staan dan nodig is.
Makki Aimar (1990) is een schrijver uit Eindhoven. In 2025 won hij de El Hizjra Literatuurprijs in de categorie Proza. Hij schrijft absurdistische en filosofische verhalen over identiteit, mens-zijn en de vreemde logica van het dagelijks leven. Altijd met een vleugje existentiële humor.
Zef Oosterhof is een kunstenaar uit Eindhoven. Illustratie, animatie, muziek, film, alles! In zijn werk staat het maken en vullen van absurde werelden centraal. Daarbij mixt Zeb al deze uiteenlopende manieren van werken en dompelt hij zichzelf onder in nieuwsgierigheid en speelsheid. Hij vertrekt niet vanuit het startpunt 'Wat heb ik nodig? Wat mis ik?', maar juist vanuit 'Wat heb ik? Wat weet ik?'. Alle materialen die voorhanden zijn gebruikt hij graag om, zonder verwachtingen of hokjes, de verhalen te vertellen die hij wil delen.


















