De relatie tussen mens, dier en internet staat centraal in dit verhaal van Leonie Moreels. De hoofdpersoon balanceert een zieke teckel en een afstandelijke partner die diens identiteit via het internet probeert te achterhalen. Dit alles leidt tot een reflectie over wat echt is en wat niet, en vooral over wat ‘leven’ in verhouding tot het internet betekent.
Ik heb een teckel met de naam Patty. Er lopen vast nog Patty’s op de wereld rond, maar de mijne heeft een uitzonderlijk ernstige glutenallergie, een soort coeliakie voor viervoeters. Dat maakt haar bijzonder, en duur. Het verplicht me om steriele eetbakken en decadente brokken voor Patty te kopen. De brokken zijn zo duur dat ik me inbeeld dat Patty kristallen stukbijt terwijl de voeding tussen haar tanden kraakt. Haar mond vol gruis van diamantjes en schitterende kiezen.
De website voor glutenvrije dierenvoeding is een kluis met meerdere sloten. Ik moet door drie digitale muren heen vooraleer ik op de website terechtkom. Eerst stem ik in met cookies, vervolgens activeer ik de applicatie die advertenties voor vrouwen met cupmaat G en afgeprijsde sporttoestellen blokkeert. Uiteindelijk stoot ik op de Completely Automated Public Turing test to tell Computers and Humans Apart.
Ik klik achtereenvolgens alle plaatjes met verkeerslichten en alle plaatjes met vogels aan. Uit een raster van negen vakjes omrand ik er vier met mijn cursor. Dat doe ik om te bevestigen dat ik een mens ben. Robots herkennen, zo vertelt de privacyverklaring van de website me, op foto’s helemaal niets. Ze zien geen mussen die graan van een geglazuurd schaaltje pikken, geen gevederde V-formaties tegen een staalblauwe hemel, geen door snelheidsduivels platgereden merels. Robots denken enkel in pixels met tinten. Ze kennen de exacte kleurcode van curryketchup (#B23A27) of de hemel in september (#87AFC7) wel, maar ze hebben geen papillen om de saus mee te proeven of oren die de wind horen gieren. Daarom klikken ze in het wilde weg plaatjes aan.
De gegevens van mijn test worden verwerkt. Loading…please wait. Op het scherm draait een cirkeltje, een blauw wormpje dat telkens net niet in zijn eigen staart kan happen en daarom door blijft draaien. De CAPTCHA-beveiliging op de website voor huisdiervoer heeft na enkele seconden besloten dat ik wel degelijk een mens ben. Toch was het nogal nipt, ik had een ekster in de rechterbovenhoek gemist en verwarde een verkeerslicht linksonder met een dode loofboom.
In feite is het belachelijk, denk ik terwijl ik vier zakken glutenvrije hondenbrokken naar mijn winkelmandje verplaats, dat iets banaals als “klik op alle verkeersborden” of “duid alle afbeeldingen met een auto aan” mij als mens onderscheidt van algoritmen die in staat zijn triljoenen berekeningen per seconde uit te voeren. De gigantische machine achter mijn scherm kan alles, behalve pixels tot figuren verbinden. Alsof het een astronoom is, die de stand van de sterren tot op de kleinste graad kan uittekenen, maar zich geen sterrenbeelden kan inbeelden en dus geen betekenis aan de hemel kan ontleden. Het internet vindt geen patronen in haar eigen puin. De ruis van kleurcodes voor curryketchup, afbeeldingen met vogels en websites voor coeliakiepatiënten met vier pootjes en honger, blijft gewoon ruis.
Op het wereldwijde web is haar bloed niet meer dan de kleur van een glas wijn
Ik voer mijn adres in en betaal. Het tabblad biept. Transactie geslaagd. Patty jankt en krabt aan het schuifraam. Ik sta op, schuif het raam open en ga naar buiten. De terrastegels zijn koud en kleverig. Op mijn sokken met dinoprint kijk ik naar de teckel. Er loopt een spoortje van bloed uit haar aars. Ik neem een foto van het rood op de vloer. Wanneer ik de foto in mijn zoekbalk plaats, weet het internet dat de kleurcode van de vlekken #8A0303 is. Dit is bijvoorbeeld de kleur van kersen en Bordeauxwijn. Wil je dat ik nog meer voorbeelden van deze tint opzoek? Patty jankt. Ik klik het tabblad weg. Het internet weet niet eens of ze ziek is. Op het wereldwijde web is haar bloed niet meer dan de kleur van een glas wijn.
***
Je besmeert een boterham met vakjes. Op de zuurdesemsnede teken je met je mes een raster van zeven op vier vakjes. Het brood is je schaakbord: een vakje kersenconfituur, een vakje pindakaas, een vakje kersenconfituur, enzovoorts. Je neemt een hap, de vakjes lopen in elkaar over. Patty slobbert water uit haar bak. Drie kaaskroketten sissen in de diepe pan met olijfolie op het vuur. Ik draai ze van hun goudbruine buik op hun bleke rug terwijl ze spartelen in het vet, als kleuters die voor het eerst in het kniediepe zwembad mogen en met hun mollige armen in het warme water molenwieken in de hoop vooruit te zwemmen.
Je vult al de hele voormiddag persoonlijkheidstests in en komt zo tot de vaststelling dat je een hoogsensitief, gematigd ochtendmens bent. Het is aangeraden om dan tussen vijf en half zeven in de ochtend op te staan. Op je voorhoofd staat een puist op uitbarsten. De pindakaas plakt aan je kiezen. Ik haal de kaaskroketten uit het vet, dep ze droog met wat dubbelgevouwen keukenpapier. Volgens je Enneagram ben je een succes nastrevende perfectionist. Je hebt geen ADHD en bezit een doorsnee IQ, bent niet bipolair, schizofreen, depressief, hypochondrisch, autistisch, paranoïde, robotisch, dyslectisch of anorectisch. Het internet heeft het je bevestigd.
Patty stopt haar kop in een molshoop in de tuin. Ik beeld me in dat ze ondergronds naar de mollen blaft. De trillende, blinde beestjes in hun holen.
Ik bijt een hoek van de kaaskroket. De gloeiend hete brij brandt op mijn tong. Heet, heet, heet. Ik ren naar de gootsteen en spuw de kaas uit. Ik hang met mijn tong onder de kraan en beeld me in dat mijn tong, die bonst van de hitte, door de kroket voorgoed vervormd is. Het voelt alsof het lapje vlees geschroeid in mijn mond ligt, grillig als een mossel, een roze loszittende lob die ik zomaar uit mijn mond kan bijten als ik even niet oplet.
‘Wat is er met Patty?’
‘Ik weet het niet,’ probeer ik uit te brengen.
Ik vul een glas met water en wals het vocht heen en weer in mijn mond. Jij stopt het laatste korstje van de schaakbordsnede in je mond en laat me je mindmap zien. Je hebt het schema met dikke viltstiftstrepen op A3-papier getekend: groot en angstaanjagend als een spin. Wie ben ik? staat in de kop van de spin, het centrum van je schema, geschreven. De persoonlijkheidstesten zijn deel van het artistieke onderzoek voor je masterscriptie. Je probeert het me al veertig minuten uit te leggen, radeloos en met vingers verkrampt tot klauwtjes van frustratie.
‘Ik snap het niet.’
Ik zie voor me hoe je in het wit van de zoekbalk gaat liggen, het wereldwijde web je eenpersoonsbed
Je legt je mes neer. ‘Wat snap je niet? Het onderzoek start vanuit twee belangrijke vaststellingen. Eén: ik weet niet wie ik ben. Twee: het internet weet alles. Ik wil die twee met elkaar verbinden. Kan ik te weten komen wie ik ben door mijn hele identiteit aan het internet over te leveren?’
Ik probeer het me in te beelden. Dat je onder het mom van onderzoek in het internet kruipt. Ik zie voor me hoe je in het wit van de zoekbalk gaat liggen, het wereldwijde web je eenpersoonsbed. Ik zie enkel het ijzingwekkende wit dat je omringt, en hoop dat al dat wit niet besmettelijk is. Dat jij niet ook wit en ijzingwekkend zal worden.
***
Al weken ga ik met Patty dierenartsen, dierentemmers, dierenkenners en dierenhypnotiseurs af. Niets helpt. Jij laat je sporadisch aan de keukentafel zien, en als je er wel bent, oog je uitgemergeld en moe. Voor je onderzoek heb je met eten geëxperimenteerd. Je hebt weken aan een stuk suiker gemeden, maar één maaltijd per dag gehad of juist gretig fast food gegeten. Het droeg niet bij aan je zelfonderzoek. Alle sporen liepen dood.
Nu eten we opnieuw kaaskroketten en zuurdesem met smeersels voor lunch. Je kauwt op een korst, kijkt naar Patty die in de tuin ijsbeert. Tussen ons in ligt een A4’tje met je voorlopige bevindingen. Ik ga tussen het puin van de maaltijd de rasters van het afgedrukte Excel-document af, zie alle diagnoses van alle dingen die je niet bent, en kan alleen maar denken: en wie of wat ben je dan wel?
‘Ziet er goed uit,’ zeg ik.
De harde broodkruimels prikken in mijn ellenbogen op tafel. Patty geeft over op de tegels van het terras. De vlek heeft de vorm van Zuid-Amerika.
‘Geeft niets,’ sus ik haar, maar vooral mezelf.
Je steekt een kaaskroket tot tegen je huig in je mond, zonder te blazen. Het gaat goed met je onderzoek, zeg je met je mond vol kaas en korst. Je weerlegt mijn twijfels. CAPTCHA heeft vastgesteld: je bent geen robot. Persoonlijkheidstesten bevestigden: je bent geen afwijkend geval. Je weet bijna wie je bent.
Ik moet denken aan de kermis die zich elk jaar in juli in de oksel van het dorp vestigde. Er hingen varkenshammen zo breed als een doorsnee bovenbeen in de nok van de feesttent te drogen. Tijdens het feestweekend werd het vlees van de haak losgesneden en vraten we het varken in barbecuesaus gedrenkt en tussen witte broodjes op.
Ik zie de ballonnen in je leeg lopen. Je begint steeds meer op een gedroogde abrikoos te lijken
Op die dorpskermis won ik na vijfentwintig euro en heel veel gevloek een plastic stemmingsring in het lunapark. Het ding lag zwaar in mijn handpalm. Op de doorzichtige ring zat een eivormige steen gelijmd. De steen werd blauw bij verdriet, rood bij boosheid en geel bij blijdschap. Ik was vijftien en bestond voor een groot deel uit acné, onzekerheid en energiedrank. Ik groeide hard en in allerlei richtingen. Het was verwarrend, maar het had ook iets troostends een sieraad te bezitten dat me vertelde wat ik voelde. Ik raakte de ring maanden later kwijt. Ik rukte alle kasten open, tastte in alle broekzakken en keerde al mijn rugzakken, pennenzakken en jaszakken binnenstebuiten. De ring was verdwenen. Ik voelde me rood en blauw. Dat verwarde me. Het was de eerste keer dat ik zélf op zoek moest naar gevoelens, dingen die als ballonnen in mijn lijf uitzetten, uitbarsten, verslappen of krimpen.
Ook jij hebt iets externs als het internet nodig om je te vertellen wat je wel en niet voelt en wie je wel en niet bent. Ik zie de ballonnen in je leeg lopen. Je begint steeds meer op een gedroogde abrikoos te lijken: klein, gerimpeld en oranje van de schmink die je op je wangen smeert. In het zoeken naar jezelf ben je jezelf kwijtgeraakt.
Ik kijk door het raam. Jij geeft de mindmap een extra pootje. Conclusie krabbel je, maar ik zie dat je aarzelt over wat je ernaast wil schrijven. Patty likt met haar ogen dicht de kots op. Volgens de dokters gaat het slecht met de teckel. Ik geloof niet dat je ooit weet wat de ander voelt, dus ik hou haar met dure brokken en veel geaai in leven. Het miezert. Het dier is doorweekt, maar ze huppelt weer. De lucht heeft de kleur van tandpasta: bleek en blauwig. Een beetje #0077FF, een beetje #FFFFFF.
Leonie Moreels (2003) studeert Vergelijkende Moderne Letterkunde in Gent en schrijft poëzie, proza, essays, recensies, masterscripties, liefdesbrieven en mails. Ze was campusdichter van de Universiteit Antwerpen (2024-2025). Haar werk verscheen in DW B, Rekto:Verso en E-tcetera en won verschillende prijzen, waaronder de Jotie T’Hooft Poëzieprijs (2022), Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs (2023) en de Poëzieprijs van de stad Harelbeke (tweede plaats, 2025).
Eva Procee (zij/haar) is een illustrator en animator uit Utrecht. Ze studeerde in 2024 af aan de HKU. Het liefst tekent ze verhalende beelden, waarin ze kan experimenteren met verschillende materialen en technieken. Ze haalt veel inspiratie uit muziek, natuur en de wetenschap.


















