In dit verhaal van Anouk Harkmans ligt een verteller op het strand, alleen, met een steen op haar navel, en ze overdenkt een relatie die voorbij is. 'Wat als dit geen einde is? Wat als het einde al heeft plaatsgevonden – zonder zichtbare erosie – en dit niet meer is dan de onverhoopte poging om te doen alsof dat niet zo is?'
Ik lig plat op mijn rug. Ik ben alleen, afgezien van de steen die ik op mijn navel heb gelegd en het holle gevoel dat daar ergens onder huist. De steen is plat zoals ik plat ben. Antracietgrijs met kriebelige, krijtwitte strepen. Ik heb lang naar dit moment uitgekeken en nu het zover is weet ik niet wat ik moet met de zee van ruimte die voor me ligt. Mijn hoofdeind heb ik honderdtachtig graden gedraaid, zoals ik als kind ook om de dag mijn kussen van het ene naar het andere einde van het bed verplaatste. Het zette mijn hele wereld op zijn kop.
Ik probeer me voor te stellen dat we hier samen liggen. Hij links, ik altijd rechts. Onweerstaanbaar is hij op dinsdagochtend. Totaal belachelijk, wanneer ik mijn hoofd een kwartslag naar links draai en dat van hem vind, uitstekend boven de zachte perzikoranje deken. Alsof hij tot zijn kin ligt ingegraven, geen lichaam heeft, enkel dit gezicht, dit zachte voorhoofd, zoals je het van vakantiefoto’s van andere mensen kent.
Soms deed ik een poging om zo’n moment vast te houden en het punt te beschrijven waarop ik midden in het raadsel zat, of in het on-raadsel, liever gezegd. Op zo’n ochtend waren mijn gevoelens logisch en tijdloos en leek het alsof ik de logica van mijn gevoel als een dunne draad uit mijn navel zou kunnen trekken en zo het verhaal van vele generaties voor mij zou kunnen weven. Uit mij zou een verhaal opstaan en dat verhaal zou ik kunnen leven, maar voor het zover was moest ik eerst nog heel vaak zelf opstaan en mezelf wassen en mezelf koffie inschenken en vragen of jij nog koffie wilt en mijn tanden poetsen en haren kammen en mijn ideeën als te wijde kleding aan mijn naakte, platte lijf hangen.
Op zo’n ochtend waren mijn gevoelens logisch en tijdloos en leek het alsof ik de logica van mijn gevoel als een dunne draad uit mijn navel zou kunnen trekken
Ik leg mijn hoofd in het zand en knijp mijn linkeroog dicht. Een spelletje dat ik van mijn vader heb geleerd, op onze eerste zomervakantie, of de eerste die ik me kan herinneren:
'Pap, het is hier echt heel saai.'
'Hoe bedoel je saai?'
'Gewoon saai. Er is hier niks, alleen maar stenen.'
'Er zijn hier inderdaad heel erg veel stenen.'
Wanneer je één oog dicht doet, om het even welke, dan verliest de zee haar dimensie. De zee wordt een wand, een vibrerend loodrecht oppervlak, een kloppend hart waar je opgewonden op af zou kunnen rennen. Wanneer ik mijn platte lijf er tegenaan zou drukken, lang en uitgestrekt, van hoofd tot voeten, dan zou ik een antwoord kunnen voelen.
Wanneer ik mijn beide ogen weer geopend heb, keert het geluid terug: een traag rollende golfslag, dat heel lichte, eentonige in- en uitademen:
'Slaap je al?'
'Ja.'
'Hoor je me?'
'Nee.'
'Is er iets?'
'Ik slaap.'
Tegenwoordig kan ik alleen nog liggend stilstaan bij onze momenten. Ik beeld me in dat het iets met de zuurstoftoevoer in mijn lichaam te maken heeft. Sinds kort droom ik ook iedere nacht dezelfde zuurstofdroom: jij leeft niet meer en kort na je uitvaart loop ik onze zolderverdieping binnen. Temidden van de kamer ligt een luchtbed gevuld met jouw adem. Radeloos blijf ik in de deuropening staan. Misschien gaat er heel veel tijd voorbij of misschien niet zoveel. Het volgende moment maak ik een telefonische afspraak met een makelaar die het huis direct heeft verkocht – luchtbed en al.
Na al die tijd ben ik nog even groot in vertrouwen
Met mijn tenen begin ik eindeloos kleine kuiltjes in het zand te graven. Wat als dit geen einde is? Wat als het einde al heeft plaatsgevonden – zonder zichtbare erosie – en dit niet meer is dan de onverhoopte poging om te doen alsof dat niet zo is? Ik laat de fijne korrels als een deken over mijn onderbenen komen:
Zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover zand erover tot het zoute water opnieuw aanzwelt (Kan je een beetje jouw kant op schuiven?).
Ik pak de steen van mijn navel. Ik was vergeten hoe heet de grond onder mijn voeten 's zomers kon worden en hoe ik de ergste hitte dan bluste met zeeschuim omdat jij zei dat het opgeklopte melk was. Na al die tijd ben ik nog even groot in vertrouwen. Vergeefs stop ik de steen in mijn mond:
'Waarom zeg je niets?'
'Ik heb geen woorden.'
'Wil je het niet proberen?'
'Ik heb ook geen mond.'
'Maar je praat nu toch?'
'Niet echt.'
'Wat doe je dan wel?'
'Ik lig op het puntje van je tong.'
Anouk Harkmans (2000) brengt boeken aan de mens bij o.a. uitgeverij Cossee. Ze treedt naar voren als host, moderator en programmeur voor literaire programma’s en evenementen. Ze studeerde Nederlandse Letterkunde (MA) en ontwikkelde haar schrijven eerder als lid van Poetry Circle 023, bij de schrijfworkshops van Perdu, aan De Schrijfacademie (Vrije Universiteit) en als deelnemer aan verschillende residenties. Haar teksten verschenen o.a. bij Mister Motley, als Mammoetje (HetMoet) en in de Seizoenszine.
Moos Boeke (2003) is tekenaar en schrijver. In 2025 studeerde hij af aan ArtEZ Zwolle en won in datzelfde jaar de Small Press Award en de Fiep Westendorp stimuleringsprijs. Nu woont hij in Gent en werkt hij met twee vrienden aan een nieuw boek over de Ilias: een moderne hervertelling, vol humor en poëzie en ranzige liefde.


















