Foto: Berend Jan Bockting

De vriendinnen van Maaike waren te gewillig voor ons, ze boden zich te graag aan, ze waren te koket, te geil op iedereen." />

Foto: Berend Jan Bockting

De vriendinnen van Maaike waren te gewillig voor ons, ze boden zich te graag aan, ze waren te koket, te geil op iedereen." />
Asset 14

Jeroen van Rooij

Jeroen van Rooij (1979) debuteerde in 2010 met 'De eerste hond in de ruimte' (getipt op deze site) en is redacteur van De Reactor. Hij is tevens redactielid van hard//hoofd, maar komt zelden naar vergaderingen. Deze week is zijn tweede roman 'Het Licht' verschenen bij De Bezige Bij Antwerpen. Hij maakte ook een citybook over de stad Chartres met DeBuren, dat hier te beluisteren valt. deBuren organiseert donderdag aanstaande ook de boekpresentatie in Antwerpen.

Wij

Teken de cirkels uit waarin we ons vóór die zomer bewogen. Zet in iedere cirkel een puntje voor een van ons. Maak een omtrek om die puntjes heen en je zult zien dat de cirkel veel te groot is voor ons. Tegen de tijd dat we weer naar school moesten, waren we zes puntjes vlak op elkaar, omgeven door een piepklein rondje. Het was nooit de bedoeling om al onze andere vrienden kwijt te raken, maar toen we eenmaal bij elkaar waren, bleek binnen een paar weken dat dit de enige verzameling was waarin we gezessen voor konden komen. Ieder ander was te veel.

De vriendinnen van Maaike waren te gewillig voor ons, ze boden zich te graag aan, ze waren te koket, te geil op iedereen. Als ze hun rode of roze nagellak bijgewerkt hadden, bliezen ze er slechts overheen om blikken te vangen. Kijken. Blazen. Blik vasthouden, blazen, blik vasthouden, vingers schudden, lachen, wegkijken, giechelen met de meiden.

Christofs vrienden waren te lomp en te dom. Ze droegen sportschoenen die er uitzagen alsof ze twee maten te groot waren voor hun voeten en hun nekken waren te opgeschoren, te bruin en te dik voor ons. Ze hingen tegen het hek en legden hun ballen goed, zonder hun blik af te wenden van het meisje dat voorbijkwam. Als teken van waardering spuugden ze op de grond.

Lucy’s vriendinnen waren te preuts en te netjes voor ons, met hun pofmouwtjes en hun lakschoentjes. Haar vrienden waren te bleek en te saai, en we hadden er niets op tegen dat ze op jongens vielen, maar het zou ze sieren als ze het gewoon toegaven. Nu lieten ze zich de aandacht en bewondering van de meisjes ten deel vallen, zonder van plan te zijn er ooit iets voor terug te doen. Of speelden de meisjes het spelletje mee en vonden ze het wel lekker veilig om zulke jongens om zich heen te hebben? Te verlegen om actie te ondernemen, te zacht om te dwingen, maar net mans genoeg om de echte jongens op afstand te houden.

De vriendinnen van Ann leken te veel op haar moeder. En op hun eigen moeders trouwens. Ze benauwden ons, het was net alsof er geen enkele andere mogelijkheid was dan op je moeder te lijken, haar zorgen te delen, haar gerust te stellen, je best te doen om haar niet teleur te stellen. De vriendjes van Anns vriendinnen leken sprekend op hun vaders. We zweren het je. Hand in hand liepen ze over het schoolplein, omdat hun moeder het ook zo gedaan zou hebben.

De jongens met wie Luuk omging, vielen deels samen met de vrienden van Lucy. Als ze naar school gingen, staken ze een pocketuitgave van On the Road, The Catcher in the Rye of Fight Club in hun jaszak. Ze schreven afgrijselijk slechte liedjes op hun akoestische gitaar en speelden die voor elkaar op hun zolderkamers, terwijl hun ouders beneden in de woonkamer naar de zoveelste spin off van CSI zaten te kijken.

Clichés, dat waren we, mensen die zich over grondig uitgesleten paden door het leven bewogen en klaagden over het uitzicht.

En Steven dan? Steven had geen vrienden. Iedereen kende hem, niemand had een hekel aan hem, maar hij bond zich aan niemand. Tot hij ons vond, met ons was alles anders.

Alles was anders, voor ons allemaal. De verschillen waren subtiel, maar onmiskenbaar. De belangrijkste verandering was dat de wereld niet meer vanzelfsprekend was, zoals voorheen. Waarom stonden de platanen waar de platanen stonden en niet op de plaats van de beuken of de eiken? We woonden hier ons hele leven en alles was klaar toen wij onze intrede deden: dit bedje was voor ons gespreid. Bruggend – zoals wij het altijd gekend hadden – beantwoordde tot in het kleinste detail aan zijn eigen wetten. Het industrieterrein was waar het industrieterrein hoorde te zijn, de straatstenen in het centrum waren de kleur rood van de straatstenen van het centrum van Bruggend en wanneer de bladeren op straat vielen dan was dat op tijd, hadden ze precies de juiste kleur en dwarrelden ze vrij en onbekommerd naar beneden, om op het laatst alsnog van baan te veranderen en zo precies hun kleine plaats in het grote geheel in te nemen. Als het donker werd, gingen alle lantaarnpalen aan, op die ene na, in een zijstraat bij de openbare bibliotheek, die kapot hoorde te zijn. De Latijnse spreuk op de gevel van het gemeentehuis was verweerd en betekenisloos geworden en de eeuwige strijd van de plantsoenendienst tegen het onkruid was telkens bijna in het voordeel van die eerste beslist, zoals de roodborstjes altijd aan de winnende hand zijn ten opzichte van de insecten die obsceen onder het gazon wroeten. Je had het gevoel dat er ieder moment iemand achter een gevel vandaan kom komen om met een hagelwitte glimlach een nieuw en verbeterd wasmiddel aan te bevelen, waarna huisvrouwen en kantoormannen de deuren uit gerend zouden komen om zingend de lof van een schone was te prijzen. Daarna ging de uitzending van de Postcodeloterij weer verder.

Was dit een decor dat voor ons aangelegd was? Of was het juist onze bestemming om deze façade in stand te houden voor onze kinderen en hun kinderen na hen?

Van wie was dit leven? Van ons?

Het was in de eerste week van het nieuwe schooljaar dat we na schooltijd een uurtje op het grasveld zaten. We hadden onze uren en onze klassen vergeleken en net als het vorige jaar zaten we nooit allemaal bij elkaar in één klas. Alleen op donderdag hadden we alle zes het vierde uur vrij. Maaike en Christof hadden er nog een vrij vijfde uur achteraan – genoeg tijd om elkaar te bevredigen in een toilet op de bovenste verdieping.

Foto: Berend Jan Bockting

In het laatste jaar veranderde er feitelijk niets. Dezelfde vakken, dezelfde leraren en veel van de stof zou ook een herhaling zijn van wat we vorig jaar al geleerd hadden – of nagelaten hadden te leren. We hadden boekenlijsten gekregen en opdrachten, ernstige blikken, waarschuwende vingers, uit- gekauwde grappen en een schema met de data van de school- onderzoeken. Het zou grappig zijn, vond Ann, als het niet zo droevig was. Haar leraar Latijn kwam met wapperende broekspijpen voorbij gefietst. Hardop stelde Steven de vraag die in de vakantie steeds meer naar boven was gekomen: of het toneel dat hier opgevoerd werd voor ons werd gespeeld, of dat wij er waren omdat het spel anders betekenisloos was.

Niemand had het antwoord. Lucy vertelde over gijzelaars die zich aan hun gijzelnemers gingen hechten, hun opvattingen gingen delen en op den duur gingen geloven dat ze terecht en voor een goede zaak gevangengenomen waren. Ann kwam met het verhaal van Patty Hearst en de Symbionese Liberation Army.

‘Maar wat nu,’ vroeg Lucy, ‘als dat stockholmsyndroom niet alleen werkt als je vastgehouden wordt door criminelen of terroristen, maar ook in je gewone leven? Daarin zijn genoeg situaties waarin je feitelijk opgesloten zit.’

‘Je bedoelt dat we altijd gegijzeld zijn?’ vroeg Steven. Lucy haalde haar schouders op. ‘Misschien. Ben je daar niet bang voor? Dat je betrokkenheid bij de wereld om je heen niet je keus is, maar de manier waarop je in elkaar zit? Dat je in andere omstandigheden net zo voor of tegen iets heel anders was geweest?’ Niemand zei iets. Lucy vroeg aan Luuk of ze zijn sigaretten mocht.

‘Ik heb alleen kauwgom.’

‘Christof? Ann? Steven?’ Even later lagen er drie pakjes sigaretten opgestapeld in haar open hand. Ze zette ze rechtop in het gras, samen met haar eigen pakje. Twee Lucky Strikes, een Camel Light en een blauwe Gauloises. Lucy opende de pakjes.

‘Hoe vrij zijn deze sigaretjes?’
‘Ze kunnen eruit...’
Christof pakte een Gauloise uit zijn pakje en stak hem op.
‘Niet zo vrij.’
Lucy deed het klepje van de Gauloises dicht. ‘Zijn ze nu minder vrij?’
Ann haalde haar schouders op.
‘Nee?’
Lucy wees op de open pakjes.
‘En wat denken deze sigaretjes nu?’
‘Dat de Gauloises opgesloten zitten.’
‘Juist.’ Lucy haalde een Gauloise uit het pakje en sloot het weer. Ze stak de sigaret in een pakje Luckies. Christof protesteerde komisch, maar Lucy wees hem met één vinger terecht en bewoog diezelfde vinger daarna in de richting van de ontsnapte Gauloise. ‘Wat denkt die Gauloise nu?’
‘Hij is vrij.’
‘Ja, precies. Maar wat weten wij?’
‘Dat jij een slimme manier hebt gevonden om peukjes te bietsen?’
Lucy legde haar hand op Christofs knie. ‘Kleine prijs voor zo’n wijze levensles.’ Ze lachte er een beetje bij, maar erg vrolijk keek ze niet. Haar hand bleef even liggen, de lange, smalle vingers, de gewrichtjes breder dan de kootjes, als de knieën van een veulen, de afgekloven nagels, de rode randjes.

(Misschien was dit het verhaal van onze handen. Hoe we elkaar met onze handen ontdekten, elkaar stukje bij beetje aftastten, steeds dieper in ons vlees groeven, hoe we in elkaar klauwden tot op het bot. En dan nog wat.)

Lucy haalde haar hand van Christofs been en legde hem in haar schoot. Luuk dacht lang na en vertelde toen dat hij een paar jaar geleden met zijn ouders in Berlijn geweest was en dat ze daar in gesprek waren geraakt met een oude man. Van die man hadden ze een mop gehoord uit de tijd van de DDR, die Luuk sindsdien niet meer vergeten kon.

‘Een man werd van Oost-Duitsland naar een strafkamp in Siberië gestuurd. Hij wist dat zijn post door de geheime dienst gelezen zou worden. Dus hij zei tegen zijn vrienden: “Laten we een code afspreken. Als de brief die je van me krijgt in blauwe inkt geschreven is, is het waar wat ik schrijf. Als de brief in rode inkt geschreven is, is het niet waar.” Na een maand krijgen zijn vrienden een eerste brief. Alles is in het blauw geschreven. In de brief staat: “Alles is prachtig hier. De winkels liggen vol met goed voedsel. Bioscopen vertonen goede films uit het Westen. Woningen zijn groot en luxueus. Het enige wat je hier niet kan kopen, is rode inkt.”’

Maaike stond op. ‘Kom. We rijden het dorp uit.’ Maar we kwamen niet verder dan de supermarkt en het park, waar we onder een boom alle sigaretten uit alle pakjes oprookten en een zak chocoladetoffees leeg aten. Steven en Luuk graaiden tegelijk in het pak snoep en de een wilde zijn hand niet voor de ander terugtrekken, tot het plastic openscheurde en de toffees in het gras verspreid lagen. Maaike wilde haar hoofd op het dijbeen van Christof leggen. Eerst streek ze met haar hand over zijn spijkerbroek, om te voelen of er geen vervelende kreukels in zaten en of er niets hards in zijn broekzak zat. Ze friemelde zijn sleutels uit zijn broekzak en legde ze in het gras naast zich. Pas daarna vlijde ze haar hoofd op zijn been en legde hij zijn hand in haar nek, half onder haar haren. We zagen niet precies wat hij daar deed, maar hij bewoog en zij glimlachte.

De regels waren anders voor ons zessen. Wij mochten met een balpen op elkaars enkels schrijven, we leenden elkaars fietsen zonder het te vragen en het gaf niet als je een klote- dag had, je hoefde de schijn niet op te houden. Als we iemand van buiten onze cirkel een hand gaven, was dat een gere- serveerde aanraking, bedoeld om iemand op een armlengte afstand te houden. Een vredesverklaring vol wederzijds wantrouwen: je nadert elkaar, maar tast eerst elkaars hand af om te voelen of de ander ongewapend is. Jouw hand schakelt de hand van de ander uit, en wordt zelf ongevaarlijk gemaakt. Zelfs de vriendelijkste handdruk is een daad van nauwelijks bedwongen geweld.

Onze eigen handen waren altijd geopend voor elkaar en onze lichamen bereid om betast te worden. Later, toen we samen gingen dansen, knepen we elkaar soms in de hand om te vragen of we elkaars werkelijkheid nog deelden. Voel jij je ook zo bizar lekker? Eén kneepje terug volstond om ja te antwoorden, twee kneepjes waren een vraag terug: If this ain’t love, why does it feel, why does it feel so good? Het antwoord op die vraag is ons altijd net te vlug af geweest.

In het park werd het donker. We stonden op om naar huis te gaan, maar voor we weggingen, vormden we een cirkel. We pakten elkaars handen stevig beet en begonnen rond te lopen. Het was een spelletje dat Maaike en Ann op de kleuterschool voor het laatst gedaan hadden. We draaiden rond en rond en rond en als vanzelf trokken we steeds harder aan elkaars handen, moesten we elkaar steeds steviger vasthouden terwijl de bomen en het gras en heel Bruggend om ons heen tolden en we een spiraal veroorzaakten, omhoog en omhoog ging onze denkbeeldige spiraal en de druk op onze handen nam toe tot we elkaar pijn moesten doen om vast te houden. Luuk – met zijn zweethanden – begon los te glijden. Maaike zette haar nagels in de palm van zijn hand, maar zijn grip aan de andere kant, op de bouwvakkerspoot van Christof, werd snel minder tot hij ineens los gleed en naar achteren vloog, Maaike met zich meenam en zo de keten brak, die uiteen stoof in alle richtingen en achterover in het gras viel, op Ann na, die tegen een boom wankelde en met haar achterhoofd tegen de stam sloeg, maar staan bleef.

Onze harten sloegen wild en snel, onze ademhaling was gehaast en oppervlakkig en we lagen als verlamd in het gras te tollen. Ann hing voorover tegen de boom waar ze tegen- aan gevallen was en braakte tussen haar voeten.

Toch zijn we zulke cirkels blijven vormen. Niet zoals die keer in het park. Maar als je al onze aanrakingen optelt, zal je zien dat we telkens iets doorgaven, dat Maaike Christof aanraakte, Christof Luuk, Luuk Lucy, Lucy Ann, Ann Steven en Steven Maaike weer, zodat we rond waren en opnieuw konden beginnen, andere volgorde, andere vorm misschien, maar iedere keer uiteindelijk compleet.

Vluchtige cirkels maakten we, met vervliegende aanrakingen. Zo schermden we onszelf af, waren we onze eigen grensposten. Binnen golden andere wetten dan buiten en daarom was buiten absurd, met zijn straatnaamborden, zijn bladkorven, zijn digitale wekkers, zijn tv-reclames en zijn lesroosters. Lucy had gelijk over het stockholmsyndroom, maar dat was pas het begin. Het was die andere vraag die er het meest toe deed, een vraag die niemand van ons ooit gesteld heeft: of we nu de gijzelaars waren, of elkaars gijzelnemers.

Jeroen van Rooij, Het Licht
Bezige Bij Antwerpen
224 pagina's

Mail

Redactie

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven
test
het laatste
Tmettigh x tseghnas 8

Tmettigh x tseghnas

'Ontvreemd en onthéémd,' schrijft Imane Karroumi El Bouchtati over Riffijnse sieraden. Wat betekent dit zilver voor haar en haar identiteit? Lees meer

Hard//hoofd zoekt een nieuwe chef Kunst

Hard//hoofd zoekt een nieuwe chef Kunst

We zoeken een nieuwe chef Kunst! Reageren kan tot zondag 22 februari 2026. Lees meer

Auto Draft 12

Laat dat, zei ik

Op de binnenplaats van een muf hostel verlangt een man naar erkenning bij zijn vrouwelijke kamergenoot. In Laat dat, zei ik legt Robin van Ommen onze verwachtingen over wederkerigheid in sociale interacties bloot. Met een surreële twist. Lees meer

Mijn AI-persona staat alles beeldig, maar waarom vertelt ze me niet dat die trui kriebelt? 2

Mijn AI-persona staat alles beeldig, maar waarom vertelt ze me niet dat die trui kriebelt?

Het is de AI-era. Terwijl modemerken paraderen met virtuele modellen en digitale pasvormen, wordt het lichaam steeds minder relevant in hoe kleding wordt verkocht. Loïs Blank vraagt zich af wat er van mode overblijft als het lichaam niet langer nodig is. Lees meer

Vrijheid is geen taart

Vrijheid is geen taart

Wat te doen wanneer het je allemaal even te veel wordt in dit leven? Sharvin Ramjan bezocht in 2023 maar liefst tweemaal Isaac Juliens tentoonstelling What Freedom Is To Me. Ook Juliens oudere werk lijkt weinig aan relevantie te verliezen. ‘Hoe mooi zou het zijn als we de fantasierijke wereld en visie van Isaac Julien met beide handen uit het scherm trekken en met ons meedragen in de dagelijkse sleur van het leven?’ Lees meer

Neil Armstrong (they/them) 1

Daar ben je, hier zijn we

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Ayden Carlo: 'Dit hier lijkt helemaal niet over jou te gaan en dat is precies waarom ik je schrijf.' Lees meer

We herkennen vroege signalen van partnergeweld, maar als een bevriende staat geweld pleegt zijn we ineens stekeblind

We herkennen vroege signalen van partnergeweld, maar als een bevriende staat geweld pleegt zijn we ineens stekeblind

Wat als je ogen werken, maar je de patronen niet herkent? Marthe van Bronkhorst kijkt terug op een week van sneeuw en ICE. Lees meer

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Dwalend door dromen en sluierende schaduwen

Soms vraagt een kunsttentoonstelling om een andere vorm dan een standaard recensie. Dit is ook het geval bij ‘Sculpting the senses’ van Iris van Herpen in Kunsthal Rotterdam. Merel Wolfkamp ging er heen en beschrijft haar ervaring op een gevoelige, poëtische manier. Lees meer

Neil Armstrong (they/them)

Neil Armstrong (they/them)

BredaPhoto, Pride Photo en Tilt organiseerden de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’ en vroegen vier queer auteurs een brief te schrijven aan een geportretteerde. Vandaag lees je de brief van Trijntje van de Wouw: ‘Ze zoeken zo hard naar buitenaardse wezens dat ze niet zien hoeveel er nog te ontdekken valt recht voor hun neus.’ Lees meer

 1

Beste Dimitri

In november 2025 organiseerden fotofestivals BredaPhoto en Pride Photo samen met Tilt de tentoonstelling ‘Levenslijnen – queer verhalen in beeld’. Daarin onderstreepten en vierden we het belang om in alle vrijheid te kunnen zijn wie je wilt zijn. Vier queer auteurs schreven een brief aan een van de geportretteerden. Lees meer

Taal als brug tussen AI en de menselijke creatie

Taal als brug tussen AI en de menselijke creatie

In een wereld waarin talen verdwijnen en technologie oprukt, stelt Axel Van den Eynden de vraag: kan AI een dode taal weer tot leven wekken? In een reflectieve zoektocht onderzoekt hij de (on)macht van digitale vooruitgang, en de verbindende kracht van taal, verhalen en woorden. Lees meer

Zand erover

Zand erover

In dit verhaal van Anouk Harkmans ligt een verteller op het strand, alleen, met een steen op haar navel, en ze overdenkt een relatie die voorbij is. 'Wat als dit geen einde is? Wat als het einde al heeft plaatsgevonden – zonder zichtbare erosie – en dit niet meer is dan de onverhoopte poging om te doen alsof dat niet zo is?' Lees meer

Het is tijd om op een totaal andere manier naar de wereld te kijken

Het is tijd om op een totaal andere manier naar de wereld te kijken

Wat is magie? Een mysterieuze familiering gaf Marthe van Bronkhorst een ander perspectief. Lees meer

Het kerstmaal

Het kerstmaal

Het ouderlijk huis: een kern waar velen van ons naar terugkeren met de feestdagen. Dingen horen daar te zijn zoals je ze hebt achtergelaten. Maar wat als dat niet meer zo is? Wat als dat fundament niet meer zo stevig blijkt te zijn? Thomas D'heer schrijft zacht over toenadering, weemoed en familie. Lees meer

De dubbele bodems van Blommers & Schumm

De dubbele bodems van Blommers & Schumm

In fotografiemuseum Foam bezoekt Caecilia Rasch de tentoonstelling Mid-Air, en deze roept vragen op over contrasten: kunst en commercie, ironie en eerlijkheid. Lees meer

Een klein manifest voor tierelantijntjes

Een klein manifest voor tierelantijntjes

Pantone stelt dat de wereld gebaat is bij meer visuele zuiverheid, een esthetische keuze die midden in deze tijd allesbehalve apolitiek is. In reactie op de nieuwe kleur van het jaar laat Loïs Blank zien hoe kleur, macht en uitsluiting met elkaar verweven zijn. Haar column is een oproep voor meer kleur, meer geluid en meer weerstand. Lees meer

Schrijvers en beeldmakers gezocht voor ‘Sporen’, het negende Hard//hoofd Magazine!

Schrijvers en beeldmakers gezocht voor ‘Sporen’, het negende Hard//hoofd Magazine!

Maak jij een bijdrage die een nieuwe weg inslaat? Stuur vóór 1 februari je pitch in en draag met een (beeld)verhaal, essay, poëzie of kunstkritiek bij aan het magazine ‘Sporen’. Lees meer

Auto Draft 11

20240903 Fiat Punto

Met de handrem omlaag en handen aan het stuur rijdt Wim Landuyt je in dit gedicht langs zijn bloedlijn, van de pastasaus in zijn aderen tot in dit land van regels: een compilatie van zijn migratie. 'net als een geïmporteerde fiat punto / brandt mijn motor onder mijn huid' Lees meer

Lees dit boek vooral niet

Lees dit boek vooral niet

Wat doe je als je een boek leest dat totaal schuurt met je wereldbeeld, maar wel goed geschreven is? Dit overkwam boekenblogger Maartje van Tessel, toen ze een berichtje kreeg van een debutant met de vraag of ze zijn boek wilde lezen. Het zet haar aan het denken over wat literatuur kan en mag zijn. Lees meer

César Rogers 4

César Rogers maakt een print voor onze kunstverzamelaars: ‘De spanning tussen mechanisering en het lichaam vind ik belangrijk’

Word vóór 1 januari kunstverzamelaar bij Hard//hoofd en ontvang een unieke print van César Rogers! In gesprek met chef Kunst Jorne Vriens licht hij een tipje van de sluier op. Lees meer

Lees Hard//hoofd op papier!

Hard//hoofd verschijnt vanaf nu twee keer per jaar op papier! Dankzij de hulp van onze lezers kunnen we nog vaker een podium bieden aan aanstormend talent. Schrijf je nu in voor slechts €3 per maand en ontvang in maart je eerste papieren tijdschrift. Veel leesplezier!

Word trouwe lezer!