‘De zoektocht naar een gemeenschap gaat door. Een gemeenschap die mijn caleidoscopische zijn kan accepteren, waarin ik niet hoef te kiezen tussen delen van mezelf, waarin ik niet exotisch, verdund of onverenigbaar ben.’ In dit essay beschrijft Rocher Koendjbiharie welke moeilijkheden hij ondervindt in zijn levenslange zoektocht naar een gemeenschap waarvan hij zich volwaardig onderdeel kan voelen.
‘Je bent best knap voor iemand met een kleurtje,’ zegt hij tegen me. Het is de lente van 2018 en ik voel aan de lucht dat de zomer nadert. Ik ben op date met een witte man die ik was tegengekomen op een datingapp. Zijn foto’s wakkerden een verlangen in mij aan en ook in het echt valt hij zeker niet tegen. We zitten op een terras op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Volgens mij heb ik al drie biertjes op. Ik weet het niet meer zo goed, ik ben de tel kwijtgeraakt. Hij en ik praten al de hele avond over wat ons bezighoudt in het leven. Hij kijkt mij met een hongerige blik aan en ik voel eenzelfde hunkering in mijn buik. Ik weet dat zijn gespierde benen komen doordat hij rugby speelt en hij weet dat ik columns schrijf voor het lokale blad van de universiteit. We lijken echt een klik te hebben. Totdat hij dat zegt.
Ik weet niet goed hoe ik moet reageren, dus ik blijf hem aankijken. Is dit een compliment? Ja, toch? Hij noemt me knap. Maar er blijft iets aan me knagen. Ik kan mijn vinger er niet op leggen. Ik lach het weg en begin snel over een ander onderwerp. Het verlangen in mijn buik wint het van het onbehagelijke gevoel in mijn borst. Later die avond gaan we samen naar de club en nog later gaat hij met me mee naar huis. Ik heb hem na die avond nooit meer gezien.

Inmiddels ruim zestien jaar geleden kwam ik uit de kast als homoseksueel en begon er een rommelig tijdperk vol vraagtekens. Wie denkt dat uit de kast komen het einde is van een zelfontdekkingsreis heeft het goed mis – het is juist het begin. Het voorval tijdens de date was niet de eerste keer dat ik werd geconfronteerd met de minder mooie kanten van de lhbtiqa+-gemeenschap, en ook niet de laatste. Talloze keren kreeg ik op datingapps de vraag waar ik écht vandaan kwam en of ik wel volbloed Nederlands was. Het waren misplaatste vragen en reacties uit een gemeenschap waar ik toe dacht te behoren.
De honger naar een gemeenschap – een plek waar ik me thuis zou kunnen voelen – had ik al vaker in mijn ziel gevoeld. Op school kon ik rekenen op getreiter en gepest van mijn klasgenoten vanwege mijn huidskleur, mijn zachtaardigheid en later vanwege mijn bevestigde homoseksualiteit. Ik wist dat de eenzaamheid op school een gegeven was, en ik berustte me daarin. Dus ik ging me steeds alternatiever kleden: zwarte skinny jeans en mutsen op mijn hoofd met daaronder een lange lok gesteild haar, die ik zelfs een keer geblondeerd heb en eindigde als oranje pluk. Maar ook de emo-gemeenschap kon mijn honger niet stillen, want hoewel ik wel aansluiting vond met mensen die zich op dezelfde manier kleedden, was ik alsnog een van de zeer weinige gemelaneerde mensen, wat ertoe leidde dat ik me alsnog een vreemde eend in de bijt voelde.
Door de jaren heen bleek ik voor de mannen om me heen óf een exotische uitstapje, óf een bevestiging van wat een echte Nederlander níét zou zijn
Ik vestigde mijn hoop op de homogemeenschap, omdat ik dacht dat mijn seksualiteit onverenigbaar was met alle andere gemeenschappen waar ik bij hoor op basis van mijn huidskleur of mijn afkomst. Sinds het moment dat ik aan mezelf en de rest van de wereld durfde te erkennen dat ik op mannen viel, hoopte ik dat de homogemeenschap mij als vanzelfsprekend in zijn armen zou sluiten. Dat de eenzaamheid zou wegwaaien als een donkere wolk na een storm. Ik snakte naar mensen die hetzelfde voelden en begrepen hoe het voelde om verafschuwd te worden om zachtaardigheid en gevoeligheid.
Maar dat viel vies tegen. Door de jaren heen bleek ik voor de mannen om me heen óf een exotische uitstapje, óf een bevestiging van wat een echte Nederlander níét zou zijn. Gemelaneerde mannen zoals ikzelf kwam ik niet zoveel tegen, zowel op datingapps als in het echte leven – zeker niet in het oosten van het land waar ik opgroeide. Ik bleek vaak een prooi te zijn voor de witte homoman die ‘iets’ anders wilde proberen Inmiddels zijn er genoeg (online) gemeenschappen voor gemelaneerde lhbtiqa+ mensen, maar social media was nog maar een wankel concept toen ik een tiener was. Het was toen veel lastiger om de mensen te vinden die meerdere kruisingen in hun identiteiten hadden, zoals ik. Dus bleef mijn verlangen naar een gemeenschap onbeantwoord en droeg ik die honger inmiddels jaar in en jaar uit overal met me mee.

Die onstilbare honger is deels in het gezin waarin ik opgroeide ontstaan, waar ik als tiener al naarstig mijn best deed om begrepen en gezien te worden. Mijn ouders hadden bij mijn geboorte een ander beeld van hoe mijn leven eruit zou gaan zien, namelijk heteroseksueel, in een relatie met een vrouw en op den duur zou ik kinderen krijgen. Maar als een baksteen door een ruit verdween dat beeld plots toen ik uit de kast kwam. Vandaag de dag kan ik het hen niet kwalijk nemen, zij zijn immers ook producten van de heteronormatieve samenleving waar wij allen in leven. Maar toentertijd voelde ik de druk dat ik niet kon conformeren aan hun verwachtingen, en dat zorgde lange tijd voor afstand tussen iedereen in het gezin. Ik droeg ook bij aan die vergrote afstand toen ik me door mijn eerste vriendje liet overhalen om weg te lopen van huis en me te verzetten tegen het gezin waarin ik opgegroeid was. Het gezin waarin twee culturen allebei iets van mij eisten en ik het gevoel had dat ik geen van beide tevreden kon stellen.
Het verlangen naar een thuis lijkt in mijn DNA te zitten. De voorouders van mijn vaders migreerden van India naar Suriname in de hoop daar een betere toekomst te vinden, want onder het koloniale bewind van het Britse rijk in India was die toekomst er niet. Eenmaal in Suriname bleek de realiteit daar ook veel soberder dan gedacht. Onder de Nederlandse heerschappij was de slavernij dan wel afgeschaft, maar de contractarbeid, waar mijn voorouders onder moesten werken, bleek in de praktijk net zo zwaar als de slavenarbeid van de decennia ervoor. Generaties later zocht mijn opa naar een betere toekomst in de grote stad Paramaribo vanwege een honger die ook hij niet gestild kon krijgen. Hij verloor daarmee de goedkeuring van zijn familie die op het platteland wilde blijven. De honger gaf hij door aan zijn zoon, mijn vader, die op zeventienjarige leeftijd naar Nederland migreerde, ook op zoek naar een betere toekomst. In Nederland ontmoette hij mijn moeder, een etnisch Nederlandse vrouw, en kregen ze samen een dochter en een zoon.
Hoeveel witheid ook door mijn aderen stroomt, één druppel Bruin is al genoeg in de ogen van de zelfbenoemde hoeders van de Nederlandse samenleving om er niet bij te horen
De samenkomst van deze bloedlijnen leidde tot een samensmelting van Hindostaanse en Nederlandse etniciteiten – en daarmee ook identiteiten. Maar in geen van beide identiteiten vond ik de warmte die mijn verlangen naar gemeenschapszin kon stillen. Als iemand met een warme Bruine huid heb ik me nooit vereenzelvigd met de Nederlandse identiteit of gemeenschap, zeker niet binnen het politieke klimaat van de afgelopen decennia waarin extreemrechts aan de macht kwam en vreemdelingenhaat voet aan de grond kreeg. Hoewel de helft van mijn DNA al eeuwen in dit land geworteld is, ontsnap ik niet aan de één-druppel-regel. Ontstaan in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw, stelt de één-druppel-regel dat je nooit als wit beschouwd zal worden als je DNA gemengd is met niet-Europese genen. Hoeveel witheid ook door mijn aderen stroomt, één druppel Bruin is al genoeg in de ogen van de zelfbenoemde hoeders van de Nederlandse samenleving om er niet bij te horen. ‘Nederland voor de Nederlanders!’ moet ik vandaag de dag steeds vaker horen.
Binnen de Hindostaanse gemeenschap bleek mijn zoektocht eveneens onsuccesvol. Hoewel mijn initiële hoop vervlogen was, omdat ik dacht dat ik door mijn seksualiteit niet thuis te horen bij de Hindostanen gezien de verschillende religieuze invloeden, zoals het hindoeïsme, de islam en het christendom, wilde ik de wens niet helemaal opgeven. Bij witte Nederlanders vond ik geen aansluiting, maar met Hindostanen deel ik een rijkdom aan culturele tradities, misschien zou dat dan genoeg zijn? Jaren terug meldde ik me aan bij een online, Hindostaans platform waar men berichten en foto’s kon delen, gesprekken aan kon gaan en met elkaar in contact kon komen. Het was een soort Facebook. Een van de eerste berichten die ik daar las was van een man die erop aandrong dat Hindostanen geen relaties moesten aangaan met mensen van andere etniciteiten, om ‘het ras’ zuiver te houden, het niet te verdunnen. De toon was gezet en ik vertrok meteen uit de online gemeenschap. Later bleek dat een soortgelijk sentiment wel breder gedeeld wordt onder vooral conservatieve Hindostanen. Opnieuw vond ik mezelf verlangend naar een thuis, en weer sloeg er een deur voor mijn neus dicht.

De constante confrontatie tussen de hunkering naar een gemeenschap waarin ik me thuis kan voelen en de opeenvolgende teleurstelling ervan, lieten mij langzaamaan ook naar de reflectie van mijn geest kijken. Ik begon me af te vragen waar die onstilbare honger vandaan kwam en ik kreeg vragen over het bestaan van een gemeenschap. Wanneer is een gemeenschap eigenlijk een gemeenschap? Is het een duidelijke groep met hoge muren en een ophaalbrug, of is het een losser geheel, vooral bestaand uit grijstinten? Wil ik dusdanig graag bij een gemeenschap horen dat ik mijn seksualiteit verzwijg voor Hindostanen en moet accepteren dat ik vragen krijg over mijn afkomst van witte homomannen? Of mag ik die voorwaardelijkheid weigeren? Is het in een hyperindividualistische samenleving überhaupt mogelijk om een gemeenschap op te bouwen en in stand te houden, wanneer het behoud van onze eigen belangen inmiddels in onze zielen is geëtst? En zijn deze vragen oprechte vragen over onze samenleving, of zijn het slechts rationaliserende troostredeneringen om de pijn van mijn eigen honger te verzachten?
Mag ik die voorwaardelijkheid weigeren?
Wanneer ik anderen uit die gemeenschappen zag samenkomen in vreugde en vrijheid, schoof eenzaamheid haar stoel weer aan bij mijn tafel. Elke keer dat ik op mijn beeldscherm foto’s zag van in regenboog gekleurde festivalgangers of Instagram Stories van diners van vriendengroepen, schoof ze haar stoel een stukje dichterbij. Het voelde alsof zij en ik in een kamer met flets tl-licht en een muffige lucht zaten, terwijl ik door stoffige ramen naar buiten keek en al die anderen in het gras zag liggen met de zon op hun gezicht. Het diepste van mijn ziel rommelt alleen maar meer en de honger naar gemeenschap, naar gezien worden, blijft maar groeien.
Toch dwingt de honger me soms nog steeds om het weer te proberen. Om toch weer uit te leggen dat ik wél Nederlands ben, om wel weer een gesprek aan te gaan op die datingapp. De zoektocht naar een gemeenschap gaat door. Een gemeenschap die mijn caleidoscopische zijn kan accepteren, waarin ik niet hoef te kiezen tussen delen van mezelf, waarin ik niet exotisch, verdund of onverenigbaar ben. Want ik wil die muffige kamer uit. Ik wil de frisse lucht inademen en ik wil het zonlicht op mijn gezicht. Ik wil dat de honger van mijn ziel gestild wordt door de vreugde en verbinding. Niet door concessies. Niet door verdunning. Maar door gemeenschap, in al haar gelaagdheid. En misschien is de toekomst niet hopeloos, want ik weet dat er anderen met net zo’n onstilbare honger als de mijne rondlopen. Dat hun ziel ook droomt over het idee van een gemeenschap, van gezien worden. Mensen die net als ik het blijven proberen, die blijven zoeken naar dat thuis. Dat is een grond om in te kunnen planten en van te kunnen oogsten, want een collectief van mensen met dezelfde oneindige hunkering kunnen ook samen een gemeenschap vormen.
Rocher Koendjbiharie is schrijver en journalist met een focus op identiteit, mensenrechten en onze maatschappij. Hij schrijft om meer ruimte te maken, vooral voor de mensen wiens ruimte is ontnomen en gedwongen worden in de marges te leven.
GLOO / Yejin Lee is een Koreaanse illustrator in Nederland. Haar werk is gedreven door een honger en nieuwsgierigheid naar haar lichaam en de wereld. In vijf jaar hoopt ze sterk genoeg te zijn om meer dan 20km te rennen.


















