Wat gebeurt er als je grootste angst werkelijkheid wordt? Vorig jaar verloor Ivana Kalaš haar vader. In dit essay onderzoekt ze rouw en angst. Wat als juist het verlies je dichter bij het leven brengt? ‘Zoals je vroeger naar een eclips zou kijken via een cd, kom ik in contact met rouw: via haar contouren.’
Het is ten tijde van schrijven ongeveer vier maanden geleden dat mijn vader is gestorven. Een welbekend verhaal: in augustus kreeg hij te horen dat hij longkanker had, met uitzaaiingen, en in oktober was hij dood. Veel tijd om te wennen aan zijn ziekte kregen we dus niet.
Ik ben altijd bang geweest voor de dood. Die van mezelf, die van mijn geliefden, en bovenal: die van mijn ouders. Het idee dat ik mijn ouders zou kwijtraken zorgde er in mijn vroege tienerjaren voor dat ik zelfmoordbriefjes klaar had liggen voor het moment dat mijn ouders dood zouden gaan, en ik mezelf van kant zou moeten maken. Een excuusbrief aan de conducteur van de trein waar ik voor zou springen is de laatste brief die ik geschreven heb. Ik moet een jaar of vijftien zijn geweest. Daarna ontdekte ik alcohol en ging het beter. Maar die angst? Die heeft me nooit verlaten. Dat wil zeggen; niet totdat mijn vader stierf.
Mijn vader stierf. De woorden wakkeren enige humor bij me aan. Niet omdat ik het nou bijzonder grappig vind dat mijn lieve vader dood is, maar omdat ik nooit had verwacht dat ik deze woorden zou kunnen schrijven. Dat is de invloed van angst. De woorden opschrijven zou zomaar eens kunnen betekenen dat ik magische krachten had die van geschreven taal werkelijkheid konden maken. De kracht van woorden, nietwaar?
Niet waar. Ik was simpelweg verlamd van angst.
De aanloop
De allereerste droom die ik me kan herinneren stamt uit de tijd nadat we Sarajevo al ontvlucht waren en in Nederland woonden. Ik was eindelijk herenigd met mijn vader en we woonden met zijn allen in de Betuwe. Ik moest een jaar of vijf zijn geweest. In de droom begeef ik me op een slagveld, een enorme dorre vlakte met overal dode lichamen om me heen. De bleke zanderige ondergrond kleurt rood van het verspilde bloed. De mensen vechten nog steeds. Rook stijgt op van geweren die op elkaar worden afgevuurd en ergens midden in die mist bevind ik mij, zittend op een rieten kist. Vanuit de kist wordt er met een vuist op de deksel geslagen. Ik probeer steviger te gaan zitten, me zwaarder te maken, zodat de kist niet open kan vliegen. Er wordt gebonkt, mijn naam geroepen. Het is mijn vader. Maar ik laat hem er niet uit.
Dan word ik wakker. Het is de volgende ochtend en ik wil de droom aan mijn ouders vertellen. Welke dag het precies was weet ik niet meer, maar we zaten met z’n allen om de salontafel. Wellicht stond er een tekenfilm aan om mijn babybroertje te vermaken. ‘Wat heb je dan gedroomd, zonnetje?’ vraagt een van mijn ouders. ‘Iets raars,’ antwoord ik, maar dan stokt mijn stem. Ik durf het niet te zeggen. Schaamte vervult mij en tot op de dag van vandaag begrijp ik niet waarom. Uiteindelijk zeg ik dat het een rare voetbaldroom was. Ik speelde geen voetbal en volgens mij keken wij er als gezin ook nooit naar, dus of ze me geloofden weet ik niet. Maar daar is het bij gelaten.
In plaats van te rouwen om het vluchten, leerde ik simpelweg om angstig te zijn
Ik ben op mijn derde uit Bosnië en Herzegovina gevlucht, vlak nadat de oorlog daar was uitgebroken. Sarajevo werd belegerd en mijn vader vond dat mijn moeder en ik weg moesten. Naar zijn familie in Kroatië. Hij bleef, het zou immers toch niet zo lang duren en hij wilde zijn baan en ons huis behouden. Hij zette ons op de laatste trein die tot het einde van de oorlog de stad verliet, en vertelde mij jaren later dat dat een van de twee keren tijdens de oorlog is geweest dat hij moest huilen.
Als kind voelde ik me verlaten door hem, denk ik. Dat is een consequentie van kindvluchteling zijn, van een onstabiel leven leiden in de jaren dat je leven het meest stabiel zou moeten zijn. In mijn kindertijd kon ik het verlies van mijn vader niet verwerken, want ik kon het niet begrijpen. Ik was hem simpelweg verloren aan de oorlog. In een tijdperk voor mobiele telefonie was het enige teken van leven dat we eens in de zoveel maanden kregen een brief of een zeldzaam telefoontje. Dit betekende dat ik destijds een soort Schrödingers-vader had: tegelijk wel en niet in leven.

Toen de doos eenmaal geopend werd – dat wil zeggen: toen we herenigd werden in het asielzoekerscentrum – was alles lastig. Het was moeilijk voor mijn ouders om me de juiste begeleiding te geven in deze situatie. Eigenlijk moest er blijdschap bestaan omdat we weer samen waren, omdat we veilig waren. Maar dat lukte niet. In het azc was er geen psychologische begeleiding en snel daarna moesten mijn ouders gaan integreren, de taal leren, werken. Een nieuw leven opbouwen. Ik neem ze dit niet kwalijk. Alles wat ik nu heb, heb ik aan hun strijdvaardigheid en doorzettingsvermogen te danken. Maar omdat ik geen adequate begeleiding kreeg, leerde ik niet omgaan met al het verlies dat ik in mijn jonge leven had meegemaakt. In plaats van te rouwen om het vluchten, om de afwezigheid van een vader, leerde ik simpelweg om angstig te zijn.
De confrontatie
Die angst uitte zich door de jaren heen in allerlei vormen. In verlatingsangst, maar ook in arbitraire paniekaanvallen, het uitvoeren van obsessieve handelingen, en later ook in het gebruik van zelfmedicatie door drank en drugs. Alles zodat ik maar niet onder ogen hoefde te komen hoeveel ik eigenlijk te rouwen had.
Het is gek om te omschrijven hoe het is om in constante angst te leven. Mensen geloven je snel niet, denken dat je overdrijft. Maar ik heb de afgelopen dertig jaar doorgebracht in een constante angst dat mijn ouders dood zouden gaan. Dit werd enkel onderbroken door een avond stevig te drinken, wat ik dan ook geregeld deed. De dood achtervolgde me op de hielen, zo voelde het. Het was maar een kwestie van tijd voor die me kwam confronteren.
Die tijd kwam in de zomer van 2024. Mijn ouders waren op vakantie in Sarajevo toen mijn moeder belde dat mijn vader opgenomen moest worden. Toen was het nog longontsteking, maar later in Nederland bleek het kanker. De dood kwam haar confrontatie met mij zoeken.
Als een dood niet betekenisvol kan zijn, dan moest ik het zelf maar betekenis geven
Door het nieuws belandde ik in een twee maanden durende paniekaanval. Ik was mezelf totaal verloren. Dit duurde totdat we definitief van het ziekenhuis te horen kregen dat het stadium 4 kanker was: uitgezaaid zonder kans op genezing. Tegen die tijd was mijn angst zo enorm dat ik er alleen aan kon ontsnappen door middel van alcohol. Maar als ik er wilde zijn voor ons gezin en voor mijn vader, dan had ik een radicalere uitweg nodig. De huisarts schreef me antidepressiva voor. Deze medicatie hield de meest actieve paniekaanvallen op afstand maar de houdgreep was nog niet los. Mijn obsessieve gedachten namen me over. Ik begon met verzamelen van alles wat met mijn vaders ziekte te maken had. Niet zodat hij niet dood zou gaan – zijn overlevingskansen waren maar 50% (‘Heel positief,’ zei mijn vader. We hadden een andere kijk op de wereld) – maar zodat ik zijn dood niet zou wegstoppen.
Als een dood niet betekenisvol kan zijn – wie gaat er nou dood aan z’n eerste chemo en niet aan de bombardementen, of het alcoholisme, of de hartziekte – dan moest ik het zelf maar betekenis geven. Dus ik verzamelde alle parkeerkaartjes van elk ziekenhuisbezoek, ik verzamelde recepten die mijn vader vaak kookte, ik verzamelde foto’s van blije momenten door al het verdriet heen en als laatste verzamelde ik een plukje haar van zijn sterfbed.

Ik verzamelde zodat ik mijn rouw niet zou wegstoppen zoals ik dat jarenlang met de angst had gedaan, zodat ik mijn vader geen oneer zou aandoen door zijn dood mij te laten verstenen. Toen ik hem voor zijn chemo vertelde hoe bang ik altijd ben geweest voor zijn dood, zei hij dat dit trauma misschien met zijn dood zou worden weggenomen. Hij was een man vol hoop. We knuffelden en huilden samen.
De tussenstand
Maar ik versteen nog steeds. Deze week nog, vrij letterlijk. Het was de laatste week voor de deadline van dit essay en op de eerste dag dat ik deze tekst zou afmaken ging ik door mijn rug. Hard. Ik kon niet meer opstaan uit bed, laat staan lopen. Wekenlang heb ik dit stuk voor me uitgeschoven. Ik durfde er simpelweg niet aan te gaan zitten. Wat als de rouw me grijpt en niet meer loslaat? Wat als ik mijn vader dan ineens zo ontzettend hard ga missen dat ik zelf niet meer door kan?
Dan probeer ik toch aan mijn rouw te gaan frunniken. Er stukjes van af te trekken en te onderzoeken. Nieuwsgierig en totaal gebroken. Maar ook heel. Japanse reparatiekunst.
Ik lees wat dagboeknotities door, ik kijk naar de parkeerkaartjes. Mijn plukjes rouw.
Ik denk niet vaak in metaforen. Het ligt me niet. Maar als je een metafoor voor rouw wilt, dan als volgt: rouw is als het kijken in de zon. Dat wil zeggen: het kan bijna niet. Het is intens, pijnlijk en verblindend. Het is te veel. Dus je moet een andere manier vinden om rouw te benaderen. Zoals je vroeger naar een eclips zou kijken via een cd, kom ik in contact met rouw: via haar contouren. Ik kijk erlangs, niet direct ernaar. Ik tast af, op zoek naar wat voor vorm ze heeft.
De dood en ook rouw horen niet aan de zijlijn van het leven, maar er middenin
Het is me nog steeds niet helemaal duidelijk. Hoe kan het ook, ik ben pas een half jaar actief aan het rouwen. Maar rouw is zo universeel. Wat is een meer verenigende factor in het leven van mensen dan verlies, dan omgaan met verlies? Ik constateer dat wij hier in de ‘westerse’ wereld een angst hebben voor verlies, voor de dood. Dat we het uit de weg willen gaan en vervolgens ook de rouw in afzondering en stilte doen. We vrezen de dood en proberen haar te mitigeren door onszelf onsterfelijk te achten, door het hiernamaals in religie, door een buitensluitende etnische identiteit, of door ons exceptionele menszijn als losstaand van de natuurlijke wereld te zien. Uit angst houden we vast aan onsterfelijkheid, terwijl we juist onze menselijkheid onder ogen moeten komen. De dood hoort hierbij.
Maar voordat we onze angst voor de dood onder ogen kunnen komen, moeten we dat eerst doen met rouw. In een wereld waarin we via fascisme, klimaatcatastrofe en de aanhoudende genocide in Gaza de natuur, de wereld en elkaar compleet aan het verliezen zijn, stel ik dus voor om meer te rouwen. Om harder te rouwen. Om sámen te rouwen. Ik heb een diep vertrouwen dat als we rouw niet meer vrezen en we om onze persoonlijke en collectieve verliezen samen kunnen rouwen, wij hiermee de wereld kunnen redden.

Ik heb de neiging om de grootsheid van mijn statement kleiner te maken, net zoals ik dat deed met mijn rouw. De neiging om ‘normaal’ te doen. Maar ik wil niet ‘normaal doen’, want dat ‘normaal’ komt voort uit een wereld die betekenis probeert te geven aan het leven door de dood te verplaatsen tot iets aan de zijlijn. De dood en ook rouw horen niet aan de zijlijn van het leven, maar ze horen er middenin. Rouw dient niet verwerkt maar erkend te worden als onderdeel van het bestaan. Dus ik ga op ontdekkingstocht door mijn rouw.
Coda
Mijn vader zei altijd dat het enige van betekenis in de wereld liefde was. Afgezaagd commentaar. Zeker voor een man die de meest wrede en verachtelijke kant van de mens in levenden lijve had aanschouwd. Hoewel het bestaan net als de dood vrij betekenisloos is, sluit ik me aan bij mijn vader in het idee dat liefde het enige is wat er uiteindelijk toe doet. Dus ik zal proberen met liefde voor hem te rouwen, en voor de wereld. Niet meer in angst voor rouw maar met respect voor de diepgang en menselijkheid van deze emotie. Ik wil niet dat rouw me laat vereenzamen, ik wil collectief rouwen om alles dat we samen aan het verliezen zijn. Ik wil schreeuwen, krijsen, janken. Ik wil mijn woede voelen.
Ik zei al dat mijn vaders dood niet bijzonder is, weinig dood is dat, maar het bijzondere aan zijn dood is dat het me in diepere verbinding met mezelf en met mensen heeft gebracht, in die tot dusver onuitgesproken band van gezamenlijk verlies.
Ivana Kalaš werd geboren in Sarajevo, in een land dat niet meer bestaat. Ze is schrijver en boekverkoper. Ivana schrijft over verlies terwijl ze zoekt naar de overblijfselen: rouw, taal, identiteit
Jolien van der Beek zoekt in haar werk naar de verwevenheid tussen de natuurlijke wereld en de menselijke ervaring, vanuit een verlangen naar harmonie en een gevoel van vervreemding. Geïnspireerd door het raadselachtige en ongrijpbare aspect van het bestaan, probeert ze dit te verbeelden in tekeningen met een buitenaardse, dromerige sfeer.


















