Aan de hand van een berenjas, het COC, een appelgroene broek, non-binair zijn en een rode cabrio neemt Tom Kniesmeijer je mee in de kronieken van zijn eigen genderbeleving.
En ik weet nu het is waar / De leukste mensen zijn raar / En als het goed is versterken zij elkaar’ (De Leukste Mensen Zijn Raar - S10)
*
In de badkamerspiegel bestudeer ik mijn gezicht. Misschien had ik niet moeten googelen op testosterondaling: nu weet ik dat het seksuele problemen en andere ellende kan opleveren. Zelf was ik vooral benieuwd of er – door de hormonale veranderingen van mijn oude dag – vrouwelijke kenmerken naar voren komen dringen. Zijn mijn gelaatstrekken zich aan het verzachten?
I
Als kind hoefde ik alleen de Van der Leeklaan over te steken om het speelpleintje te bereiken. Er was een zandbak, een klimrek en veel ruimte. Jongens en meisjes uit de buurt vlokten er samen. Veel woorden hadden we niet nodig. We speelden slagbal met een tafelpoot die ik op zolder had gevonden. Raakte je de tennisbal met de vlakke kant, dan gaf dat een bevredigende, doffe knal. Het pleintje vormde het hart van onze groep.
Op een dag kwam ik aanwandelen, tafelpoot in mijn hand, en zag dat de groep in tweeën was gesplitst. Aan de ene kant van het plein klonterden de jongens rondom een voetbal, en bij het bankje aan de andere kant hadden zich de meisjes gegroepeerd. Midden op het plein stond ik, en ik wist niet welke kant te kiezen. Met barbies had ik niets, en ik verfoeide het padvindersuniform dat steeds meer vriendjes droegen. Ik draaide me om en liep naar huis.
Thuis had ik voldoende boeken om me in terug te trekken. Mijn held was Bolke de Beer uit de verhalen van A.D. Hildebrand. Bolke was stoer én knuffelbaar; mijn teddybeer droeg zijn naam en hij hield mij veilig. In bed steunde mijn arm op zijn krullige vacht. Jarenlang smeekte ik om mijn eigen berenjas. Ze waren te koop bij de C&A, met leer en echt pluche, helaas hingen ze alleen op de meisjesafdeling.
II
Niet kunnen wortelen in de buitenwereld betekent dat een deel van jezelf droog komt te staan. Er was iets anders aan mij, dat was duidelijk. Ik miste aanknopingspunten, of beter gezegd: identificatiemogelijkheden. Leeftijdsgenootjes in een berenjas, jongens die voetbal haatten. Het was lastig zoeken in het pre-internettijdperk. Het andere in mij vond geen voedingsbodem en kwam daardoor niet tot bloei.
Tot ik eind jaren zeventig op een vrijdagavond het COC binnenschoof, en vrijwel alle aanwezigen óók fan van Bette Midler en Donna Summer bleken te zijn. Instant herkenning, balsem voor de ziel. Niemand geneerde zich voor dramatische handgebaren of balletpasjes tijdens het dansen. Er waren non-conforme stembuigingen en kleurrijke truitjes. Jaloers keek ik naar leeftijdgenoten die de codes van het homoleven reeds gekraakt hadden. Met kleding conformeerde je je niet alleen aan een groepsstijl, het functioneerde ook als uithangbord. Een berenjas zou hier niet uit de toon zijn gevallen. Maar waar haalden ze die sprekende kleuren en zachte materialen toch vandaan?
Wanneer ik ageerde tegen homogeweld, werd zelfs vanuit mijn omgeving geopperd: ‘Misschien kunnen jullie proberen minder op te vallen?
De volgende dag trok ik – binnen vijf ongemakkelijke minuten en achtervolgd door vrouwenogen – een appelgroene broek en een knalgeel shirtje van badstof uit een rek in een vrouwenmodezaak. Mijn eerste homo-uniform.
Toch had ik moeite om er helemaal bij te horen. Privilege-schaamte, voor mijn stabiele achtergrond en de kalme reactie van mijn zachtaardige omgeving op mijn coming-out. Anderen werden uit huis gegooid, op school door klasgenoten uitgescholden of op straat door vreemden aangevallen. Met afgrijzen en bewondering luisterde ik naar hun verhalen – stiekem jaloers op de drama en op de kracht die eruit voortkwam. Om te kunnen overleven doken ze met zoveel meer overgave in hun zelfgekozen familie. Met trots droegen ze hun roze driehoek, het geuzenteken uit die tijd.
Ik wilde erbij horen én ik wilde iets terug doen. Om Audre Lorde te quoten: ‘To acknowledge privilege is the first step in making it available for wider use.’ Dus werd ik vrijwilliger – en later voorzitter – bij het COC Amsterdam.
Homoseksualiteit werd zichtbaarder in de samenleving, en de emancipatie zette in de jaren zeventig grote stappen. Helaas nam de weerstand snel toe toen homo’s openlijk gelijke rechten opeisten. Er doken ‘Er is hoop’-stickers op, uitgegeven door een stichting die homo’s wilde wegleiden van hun ‘immorele’ levenspad. Ik kan het gevoel van existentiële schaamte nog oproepen, wanneer ik in mijn appelgroene broek zo’n sticker van een lantaarnpaal stond te pulken.
Evangelisten-echtpaar Lucas en Jenny Goeree verkondigde in de media dat iemand als ik nooit gelukkig zou kunnen zijn en zeker zou sterven aan aids. Tijdens de Roze Zaterdag in Amersfoort van 1982 werden deelnemers met eieren en stenen bekogeld. Ze moesten onder politiebegeleiding terug naar het station gebracht worden.
Als COC vochten we de hele jaren tachtig tegen de tijdgeest. Wanneer ik ageerde tegen homogeweld, werd zelfs vanuit mijn omgeving geopperd: ‘Misschien kunnen jullie proberen minder op te vallen?’ Wat zij niet begrepen – en wat bij mij ook even had geduurd – was dat kleding niet alleen een uithangbord, maar ook een harnas kon zijn. Noem het een isolerende laag rondom je identiteit. Van een ‘homotruitje’ weet je dat het negatieve reacties kan oproepen op straat. Je hoeft het dan niet meer uit te leggen. Je voorkomt er de plotselinge vijandigheid mee die ontstaat zodra je nieuwe kennissen over je seksualiteit vertelt. De klap van een vreemde doet pijn, maar de klap van een mogelijke vriend kwetst je ziel.
Aan elke penis kleven privileges, ook aan die van een homo
III
Mijn hele volwassen leven ben ik gezien als man. Zo goed en zo kwaad als ik kon, heb ik geleerd man onder de mannen te zijn. Een beetje zoals een buitenlander zich het Nederlands meester maakt: met wat oefening praat je aardig mee, maar je blijft struikelen over lidwoorden.
Tijdens feestjes val ik regelmatig door de mand, aangezien voetbal, vrouwen en voertuigen nou eenmaal niet tot mijn vakgebied behoren. Stereotype mannen houden van snel en hard, ik houd van mooi en zacht. Jarenlang reed ik rond in een BMW 3.0 CS – een bééldige classic. Brandweerrood, met ronde lijnen en een zwartlinnen kap die naar beneden kon. De eerste keer dat ik hem ergens parkeerde, stapte een man geagiteerd op me af en zei: ‘Die auto van jou bestaat niet.’ Dat klopte deels: mijn auto was als sportcoupé geboren, maar ging dankzij een ingreep van de garage als cabrio door het leven. ‘Zie je wel,’ snoof de man en hij wees naar de motorkap. ‘Hoeveel cilinders?’ ‘Drie-punt-nul,’ riep ik enthousiast, want dát stond immers op de achterklep. Aan de manier waarop hij zijn hoofd schuin draaide, merkte ik dat ik iets verkeerds had gezegd. ‘Ik lease hem,’ flapte ik eruit, en ik hief mijn handen in onschuld. De man draaide zich hoofdschuddend om en liet me met schaamblosjes op mijn kaken achter, een halfslachtige man naast een trans cabrio. Met maar liefst zes cilinders, zo bleek.
Goed, als ik niet met de mannen kan meespelen, kan ik meedoen met de vrouwen? Helaas herken ik, naast die halfslachtige man, hooguit een kwartslachtige vrouw in mezelf. Misschien is het bij elkaar non-binair genoeg om onder die categorie te vallen?
IV
Aan elke penis kleven privileges, ook aan die van een homo. Ik was een lange, blonde, witte en intelligente man, en voor werkgevers viel tegenover zoveel vinkjes mijn seksualiteit weg. Tijdens etentjes heb ik weleens geroepen dat ik mijn geld verdiende met homo zijn. Ik was gewend om van buiten naar binnen te kijken. En ik was – naar de Rivella-slogan: ‘een beetje vreemd, maar wel lekker.’
Succes vereiste compromissen: zo gold appelgroen niet als succesvolle mannenkleur, want zakenmannen harnassen zich gedekt in blauw. Gelukkig bleken de jaren negentig met recht gay. Homo zijn werd zelfs hip – zolang je op verzoek de leukste feestjes en eettentjes wist op te sommen. Vrijheid heerste, lachend werden grenzen geslecht. Ik ging er klakkeloos vanuit dat onze emancipatie zich spoedig zou voltooien. Gestoken in hippe blauwe designerjasjes cashte ik mijn privileges en bouwde, staande op de schouders van vroege activisten, een prettig bestaan als homo op.
V
Sinds 2012 is 14 juli de internationale dag voor non-binaire personen. Ik voel verwantschap, maar ik ben al zo lang man en ik ben te comfortabel geworteld in mijn homoseksualiteit om uit die categorieën te stappen. Zelfs wanneer mijn driekwart man-zijn terugzakt door de afname van testosteron, wil ik geen overjarige partycrasher zijn. Laten we het erop houden dat gender issues mijn warme aandacht hebben. Het radicale eigene heb ik altijd bewonderd, en ik juich iedereen toe die uit niet-passende hokjes breekt en fluïde vormen viert.
Jongeren hebben het nu moeilijker dan ik het vroeger had
In de jaren na 2012 kwam er een vloed aan positieve aandacht op gang: met een serie als Hij, zij, hen, de documentaire Genderbende, Raven van Dorst, en boeken van Thorn de Vries en Mariken Heitman. Ik zag de tijd van volledige gendervrijheid al voor me, maar toen sloeg de tijdgeest weer om naar een behoudende mentaliteit.
Amerika is ondertussen vrijwel onleefbaar voor iemand die de aangescherpte gendernormen niet wil naleven, maar sinds een paar jaar beweegt ook Nederland in rap tempo achteruit. Een wetsvoorstel, dat trans personen de mogelijkheid zou bieden hun geboekstaafde geslacht zonder tussenkomst van een psycholoog te veranderen, werd door rechtse regeringspartijen slinks van de Tweede Kamer-agenda verwijderd.
In Doula’s van de stad vertelt Dinah Bons hoe ze veel van haar gelijken inmiddels een generatie heeft overleefd. De levensverwachting van een trans vrouw, vertelt ze, is niet eens vijfendertig jaar. Ik hou het niet droog. Queerkamp, over een zomerkamp voor queer-jongeren, toont me hun eenzaamheid en schaamte over hun eigen lichaam. Ik maak me boos. Op Joop.nl schrijft Ricardo Brouwer, van het COC Midden-Gelderland, over Suzan uit Tilburg. Haar voordeur bezwijkt onder de trappen die buurtjongeren ertegenaan geven. Ze is als transgender vrouw in haar eigen huis niet veilig.
Conservatieven hebben hun zondebok weer gevonden. Veertig jaar geleden was het homoseksualiteit; nu is de jacht op de minderheid van dienst opnieuw geopend. Houdt het dan nooit op?
VI
De vele documentaires over genderidentiteit hebben de nieuwsgierigheid van een breed publiek gevoed, maar wanneer transgender personen hun basisrechten opeisen is alle positieve aandacht weinig waard. Een verdwaalde alien is vertederend, zeker wanneer die verlegen zijn beproevingen deelt. Een groep assertieve aliens moet zo snel mogelijk verdelgd worden.
In navolging van Amerika zien populisten ook hier hun kans. Er zijn politici die met droge ogen beweren dat puberteitsremmers als snoepjes uitgedeeld worden, terwijl ze wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van trans personen verveeld wegwuiven. Liever schetteren ze – hoog te paard gezeten – over het beschermen van ‘onschuldige kinderen’ tegen ‘woke-indoctrinatie’ en ‘impulsgedrag’. Het is weerzin, verhuld met imaginaire argumenten. Een doorzichtig alibi. Alsnog kunnen de haatpredikers trots zijn op hun kwetsende woorden: een op de vijf trans jongeren doet een zelfmoordpoging.
Ik voel plaatsvervangende schaamte. We zouden die schaamte allemaal moeten voelen. In een samenleving die zijn pispaaltjes niet weet te beschermen, stinkt uiteindelijk iedereen.
VII
De term dateert al uit de tijd van Oscar Wilde, maar pas nu ik mijn verleden onder de loep neem, voel ik de aantrekkingskracht: queer. De omschrijving die bell hooks eraan geeft raakt me: ‘(…) being about the self that is at odds with everything around it and that has to invent and create and find a place to speak and to thrive and to live.’
Ja. Queer past me. Mijn leven lang droeg ik een koffer met me mee. Ik wist er meestal de attributen uit te trekken waar de buitenwereld om leek te vragen, maar altijd voelde ik me vreemd. Gelukkig kon ik voldoende plekken vinden waar mijn eigenheid alsnog kon opbloeien.
We zijn niet vrolijk, we zijn vreemd
Gay was het woord van de jaren negentig, queer past bij onze tijd. Het klinkt weerbaar en dwars, sluit aan bij de acties waar het huidige laagtij om vraagt. We gaan door vijandige jaren. We zijn niet vrolijk, we zijn vreemd. Jongeren hebben het moeilijker dan ik het vroeger had. Door het venster van sociale media dringt de buitenwereld diep het innerlijke leven binnen. ‘De met schermen ommuurde mens voelt zich aanhoudend aangevallen. Een toestand waarin je zo gericht raakt op de buitenwereld, dat je binnenwereld erodeert,’ schrijft Nina Polak in een essay voor de Volkskrant. Je bent eerder, sneller, en doordringender queer in deze tijd. Probeer onder alle rondvliegende drek je identiteit maar eens hoog te houden en je vervreemding te bezweren. Op wiens schouders kunnen jonge queers staan? Op de mijne, bedenk ik me met een schok.
VIII
Genderwetenschapper Heather Love schrijft in haar boek Feeling Backward:‘The longing for community across time is a crucial feature of queer historical experience, one produced by historical isolation of individual queers, as well as by the damaged quality of the historical archive.’
Veel queer successen, evenals pijnlijke momenten, zijn uit de geschiedschrijving geweerd. Voor de huidige generatie kinderen, die verward en verdwaald op een pleintje staan, zijn herkenbare verhalen hard nodig. Zelf heb ik mazzel gehad. Als COC-man kon ik terecht bij voortrekkers als Benno Premsela en Nelly Frijda, die me leerden dat lineaire vooruitgang nooit vanzelfsprekend is en dat ik moest denken in golven. Wie goed voorbereid is, surft op de vloedgolf en gebruikt de eb om te herbronnen en kracht te verzamelen.
Lang heb ik gedacht dat de huidige generatie jongeren weinig interesse heeft in gezamenlijke historie, al helemaal niet wanneer ze die bij bejaarde mannen moeten halen. Ik kan me daar wat bij voorstellen. Maar in 2022 vroeg The Trevor Project, een Amerikaanse non-profit die LHBTIQA+ jongeren hulp biedt, hun doelgroep waar ze blij van werd. Die antwoordde opmerkelijk vaak: ‘gelukkige LHBT-ouderen’, ‘queer rolmodellen’ en ‘erachter komen dat ik niet alleen sta’.
In Amerika zijn groepen queer elders opgericht, die verhalen van vroeger vertalen voor een nieuwe generatie. Kan Nederland ook niet wat queer olifanten gebruiken? We kunnen vertellen over Tedje en de Flikkers of Paarse September, over de strijdplannen, de vele radicale afsplitsingen die de queer cultuur een boost gaven, over hoe je er in tijden van tegenslag een beetje lol in houdt, en hoe je ervoor zorgt dat je uit de startblokken schiet zodra de tijdgeest omslaat. Ons queer verleden werkt door in het heden en bepaalt mede de kansen voor de toekomst. Voorbij aan het tijdelijke terreinverlies kunnen we ons alvast voorbereiden op een doorbraak tijdens de volgende vloedgolf.
Als het moeilijk gaat en je voelt je vreemd: het ligt niet aan jou. Binnen de queer ruimte, met de veilige muren van inclusie eromheen, is er een plek voor je. Er kunnen nog letters bij. Natuurlijk heeft iedereen zijn unieke strijd te voeren en vormt iedere letter zijn eigen voorhoede, maar geef ons – olifanten in de kamer – een schommelstoel achter op het strijdtoneel. Mochten er vragen zijn, dan zoeken we passende antwoorden. We zullen aandragen, overdragen, troosten en toejuichen, en laten zo kracht uit het verleden in een stralende, gezamenlijke toekomst vloeien.
Ik wil niet passen in een wereld die voorschrijft dat mensen zoveel mogelijk op elkaar lijken
IX
Ik staar in de badkamerspiegel. Ben ik zachter geworden? Welnee. Taniger, hooguit. Men zegt dat je conservatiever wordt met de leeftijd. Geloof men niet. In mijn hart zit een vuist die zich elke dag balt. Leve mijn testosterondaling, leve de queer geschiedenis, en leve de overdracht tussen generaties. ‘Maak duidelijk waar je staat,’ schrijft Ricardo Brouwer op Joop.nl. Hij heeft gelijk. Ik wil niet passen in een wereld die voorschrijft dat mensen zoveel mogelijk op elkaar lijken. Ik vecht graag mee in de genderrevolutie. Een nieuwe appelgroene broek wil ik. En een berenjas. Zie het als mijn uithangbord. Zachtaardige, oude queers gaan voluit voor verbetering. En pluche is mijn harnas.
Tom Kniesmeijer ziet schrijven als een feest in zijn eentje. Het is koorddansen, op de draad tussen nuancering en razernij. Zijn debuutroman poogt lezers de zachtmoedigheid in te schoppen. Genietend de wereld veranderen, wie wil dat niet?
Guus Møystad (1992) is een kunstenaar, schrijver en storyteller. Hij is een chaotische mengelmoes van identiteiten, die door zijn kindertijd in Beiroet, internationale school in Oslo, wortels in Maastricht en familie in Brussel, nooit helemaal tot rust zijn gekomen. Deze mengelmoes drukt hij in het mooiste mengelmoes-medium aller tijden uit: strips. Hij is geïnteresseerd in en geïnspireerd door politiek, geschiedenis, fantasie, utopie, lichamen en identiteit.
















