Stel je eens voor hoe een relatie met een steen kan beginnen, hoe die eruitziet en waarin jullie elkaar zullen vinden. Sjoukje Kamphorst neemt je mee op een literaire reis langs verloren zwerfkeien, gebarsten geliefdes en zinloos geploeter. ‘Wat een steen te zeggen heeft, kan alleen maar van groot gewicht zijn.’
Tot voor kort bezat mijn broer een Friese zwerfkei, die hij in het park bewaarde. Op zijn tweewekelijkse rondje hardlopen hield hij steevast halt bij zijn zwijgzame vriend, waarna hij de kolos van zeker vijftig kilo optilde en een eindje heen en weer sjouwde. Na een fikse workout verstopte hij hem in het struikgewas, veilig uit het zicht.
Helaas beschermden de bosjes niet afdoende tegen begerige steenliefhebbers. Op een dag was de steen verdwenen. Ongerust over diens lot belde mijn broer de gemeente: ‘Ik ben iets verloren in het park. U zult me misschien niet geloven, maar…’ De mevrouw aan de telefoon geloofde hem; een paar dagen later belde ze terug. Een opsporingsbericht was de organisatie rondgestuurd, maar tevergeefs. Niemand in dienst bij de gemeente had zijn maatje ontvreemd noch gevonden.
Mijn broer is niet de enige man in mijn leven met een steen. Ook Obelix, menhirhouwer van beroep, zie je meestal met een grote, puntige monoliet op zijn rug. Hij gebruikt zijn gewichtige creaties graag om Romeinen of ander gespuis mee te pletter te meppen. Vooral beschouwt Obelix zijn stenen als trouwe metgezellen. De strips die op een plank in mijn slaapkamer staan te vergelen, verbeelden hoe Asterix zijn vriend steeds weer liefdevol moet beletten een menhir mee te nemen op hun avonturen. Een steen is immers onvergankelijk en doorgaans standvastig. Zwaar is het gemis wanneer je zijn stille kracht niet bij je kunt houden.
Ook op mij oefenen stenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit, specifiek wanneer er letters op staan. Mijn promotieonderzoek ging over inscripties in steen waarin antieke Griekse steden hun onderlinge relaties vastlegden. In prestigieuze musea loop ik, tot verbijstering van medebezoekers, de meest unieke kunstvoorwerpen voorbij; ik houd liever halt bij tabletten of pilaren van grijs kalksteen met droge politieke teksten. Zelfs in de oudheid konden weinig mensen deze stenen lezen. Langzaam verwerend hebben ze sindsdien de eeuwen doorgebracht, hun boodschap steeds verder verstild en enkel nog voor academici relevant. Toch: wat een steen te zeggen heeft, kan alleen maar van groot gewicht zijn.
Misschien laat de kunstenaar door de steen te bewerken niet de steen zien, maar zichzelf
Mijn nieuwsgierigheid naar inscripties bracht me bij Henk. Er bestaan in Nederland nog maar een paar mensen die met de hand teksten uit stenen houwen, en Henk is daar een van. In een zonnige werkplaats, een voormalige brandweerkazerne aan de Oude IJssel, geeft hij letterhakcursussen aan mensen die hij bestempelt als 'lettergek'. In drie dagen leer je de techniek en kun je een zelfgekozen woord in een marmeren plaat beitelen, of in een stuk Belgisch hardsteen bijvoorbeeld. Henk leerde me over de traagheid van steen, en dat langzaam werken dwingt tot nadenken over het opschrift waar je mee bezig bent. Zijn lessen maakten voelbaar dat er tussen letterhakker en het onderhavige object een onontkoombare band ontstaat.
Als zijn cursisten vochten wij drie dagen lang om onze gekozen woorden millimeter voor millimeter op bikkelharde stenen te veroveren, om zeggingskracht aan hun stilte te ontlokken. Letterhakken bleek niet alleen technisch uitdagend. Door het ritmische getik van beitel en klopper en het voortdurende contact met de stenen, sijpelden opzienbarende inzichten en verrassende betekenissen tot in onze vezels door – voor sommigen zelfs met emotionele ontwrichting tot gevolg. Eén cursist begon koortsachtig aan ‘BLAUW’, de oogkleur van een verloren geliefde. Vanaf haar werkbank steeg geen gelijkmatig tikken, maar een hortend gehamer op. Na anderhalve dag kliefde ze haar steen, even onbedoeld als onvermijdelijk, doormidden. ‘That's how the light gets in,’ klonk Leonard Cohen uit de radio door de werkplaats.
In de oude kazerne van Henk werkte ook een beeldhouwer aan een eigen project. Hij verklaarde, zoals je wel vaker van beeldhouwers hoort, dat zijn stuk travertijn hem vertelde wat eruit gehouwen moest worden. Zelf deed hij niets meer dan luisteren en het blok bevrijden van overtollig materiaal. Was het een gebrek of juist een overschot aan communicatie tussen mens en steen dat ‘BLAUW’ tot barsten dreef?
Misschien had de beeldhouwer trouwens ongelijk en laat de kunstenaar door de steen te bewerken niet de steen zien, maar zichzelf. Het is de kunstenaar die de potentie in de ruwe grondstoffen ziet. Gedichten, essays, schilderijen, performances en beeldhouwwerken ontlenen hun bestaansrecht niet alleen aan esthetiek, maar ook aan het gebruik van het materiaal om een gedachte, visie of gevoel van de maker over te brengen. Als ik daarvan uitga, heeft kunst iets ijdels: de maker moet geloven dat het de moeite waard is om zichzelf te laten zien, om uiting te geven aan wat er in de stilte van het innerlijk leeft.
Kunst maken is mogelijk het meest zinloze van al dat gezwoeg
Er is nog een andere betekenis van ijdelheid, een verouderde die we vooral uit de Bijbel kennen. ‘IJdelheid der ijdelheden,’ verkondigt Prediker 1:2, ‘het is al ijdelheid.’ De passage gaat over hoe de dingen zich zonder evidente reden herhalen: we lezen over de zon, die op- en ondergaat, iedere dag weer; over de wind, die heen en weer blaast; over water, dat naar de zee stroomt zonder die ooit te vullen; over de generaties, die elkaar steeds weer vergeten; over de vermoeidheid van de mens, die dit alles aanschouwt en dagelijks zinloos ploetert. Kunst maken is mogelijk het meest zinloze van al dat gezwoeg: het heeft in principe geen nut of gebruiksdoel. Toch vinden we dat juist een van de meest waardevolle bezigheden.
Hannah Arendt zou dat duiden als het verschil tussen ‘arbeid’ en ‘werk’. Arbeid is in haar definitie alles wat we doen, hoe klein ook, om het voortbestaan van de menselijke soort te garanderen. Het is in zijn aard cyclisch; het komt altijd terug, wat het oplevert is vergankelijk en het is nooit ten einde. Dat is het gevoel van elke week opnieuw de was ophangen, je teennagels knippen, naar je baan gaan om de rekeningen te betalen. Kunst maken noemt Arendt daarentegen ‘werk’. Werk is lineair: het transformeert, creëert, levert blijvende dingen op en heeft een begin en een eind. Kunstwerken gebruiken we niet voor onze arbeid, en dus verslijten of vergaan ze niet. Werken aan kunst of, bijvoorbeeld, wetenschap transformeert de gebruikte materialen tot iets geheel nieuws dat daarvoor nog niet bestond.

Dat neemt niet weg dat ook zo’n creatief proces kan voelen als een oneindig gesukkel. Als promovendus hing ik een stripje op de deur van mijn kantoor. ‘Hey Sisyphus, do you have a minute to discuss your progress report?’, onder een tekening van een bebaarde man in lendendoek, zijn steen voortrollend in een kantoortuin. ‘Uh oh,’ denkt hij. Want, zo voelde ik meer en meer, de voortgang van creativiteit en maken is niet meetbaar of tijdgebonden. Vaak genoeg rolt de steen terug, vlak voordat je de top bereikt, en kun je opnieuw beginnen.
Voor wie kunst maakt, hoeft dat niet erg te zijn. Het gaat juist om het rollen, en wat dat losmaakt. Mogelijk zijn voor de beeldhouwer de ontmoetingen en uitwisselingen met zijn steen zelfs belangrijker dan het eindproduct. Arendt heeft hier ook een woord voor: ‘actie’, haar derde aspect van het menselijk handelen. Actie is bij haar gestoeld op communicatie en vormt de basis voor veranderingen in de sociale wereld zoals binnen de politiek, voor engagement en maatschappelijke ontwikkelingen.
Zonder woorden wennen jullie aan elkaar
Zou deze vorm van actie ook tussen mensen en objecten kunnen plaatsvinden? Is de wisselwerking tussen kunstenaar en materiaal dat wat kunst daadwerkelijk transformerend maakt, hetgeen waardoor het invloed uitoefent op de maatschappij? Je zou de interactie op zichzelf als kunst kunnen beschouwen. Ik denk aan mijn broer, aan Obelix, aan de letterhakcursist: in de relaties van elk met hun stenen komt iets nieuws, iets waardevols, tot stand. Een performancekunstwerk dat henzelf en daarmee ook de wereld onomkeerbaar verandert – dat alleen kan ontstaan wanneer mensen zich durven te verliezen in intimiteit met de dingen om zich heen.
Stel je voor hoe een relatie met een steen kan beginnen. Jullie ontmoeten elkaar naast de oprit van een boerderij, of op een open plek in het bos. Met gewicht zet hij zich vast aan de Aarde en trekt je mee naar de grond. Door de spieren in je lijf aan te spannen kun je tegenwicht bieden aan deze sterke aantrekkingskracht. Zo meten jullie je aan elkaar. Je voelt je krachtig. Kil drukt de steen je op de realiteit. Houd je hem een tijdje vast, dan warmt hij een beetje op. Jouw handen nemen op hun beurt zijn koelte over. Zonder woorden wennen jullie aan elkaar.
In mijn woonkamer ligt een steen met een woord erop. ‘IJD’ is al deels uitgehakt, ‘EL’ staat er nog met potlood op getekend. Urenlang heeft de marmeren plaat onbevangen mijn gedachten over kunst en twijfels over de ijdelheid van mijn eigen schrijven geabsorbeerd. Wanneer ik hem aai, de nog onafgewerkte letters betast, nadenk over het voltooien van het project, geeft hij me terug wat we samen hebben beleefd.
Wat er precies met de steen van mijn broer is gebeurd, is nooit aan het licht gekomen. Inmiddels heeft hij een nieuwe. Een lelijke dit keer, om potentiële dieven niet weer in de verleiding te brengen. We staan bij het pokdalige rotsblok, dat voorlopig nog in zijn achtertuin ligt. Zelfbewust merkt mijn broer op dat dit gehavende exemplaar wel een beetje op bouwafval lijkt, of op een stuk composiet. Maar dat is het niet, verzekert hij me.
Sjoukje Kamphorst (1990) deed onderzoek naar waarom de oude Grieken woorden in steen hakten. Nu brengt ze haar kantoorbaanleven op smaak met het schrijven van – meestal – poëzie. Ze stond op diverse poëziepodia in het Noorden en debuteert hier met een essay.
Bastiaan de Kramer (1993) is een tekenaar en tatoeëerder. Langzaam werkend creëert hij een droomachtige wereld die doorspekt is met persoonlijk symbolisme, folkloristische verwijzingen en een absurd gevoel voor humor.
















