In dit verhaal van Merel Nijhuis en beeld van Jasmijn Vermeeren exposeert een disabled kunstenaar haar werk tussen de zoemende TL-verlichting, kunstkijkers en hun opmerkingen. Ze probeert een balans te zoeken tussen genoeg informatie geven over haar werk en het ontwijken van de daaropvolgende validistische vragen.
Er werd naar je gekeken. Een man in een net, blauw pak volgde met zijn blik hoe je je armen naar achteren strekte. De fascinatie waarmee hij je leek te observeren, impliceert dat jouw manier van bewegen afwijkt van zijn voorstelling van hoe een lichaam dient te bewegen. Je trekt je armen terug, houdt ze strak langs je lichaam en bungelt ze even organisch heen en weer, zoals je het de mensen om je heen ziet doen. Ontspannen, losjes, alsof de scharnieren waarmee je armen aan je schouder bevestigd zitten goed ingevet zijn. Je controleert of de man dit ook ziet, of hij ook het beeld van de moeiteloze bewegingen ziet dat je hem probeert op te dringen. Hij lijkt gerustgesteld, wendt zijn blik af en gaat verder met het bezichtigen van de kunst die met spijkers aan de muur bevestigd is.
Je voelt een stekende pijn in je schouder en draait je om, je rug naar de man toe, een poging tot focussen op je eigen werk: een brede sokkel met kleurrijke beeldhouwwerken en een afwezigheid van spijkers. De beelden lijken zich comfortabeler te voelen tussen de witte muren en kroonluchters dan jij, nerveus als je bent, constant afgeleid door alle lichamen in de ruimte. De mensen om je heen lijken zo natuurlijk door de ruimte te bewegen. Ze knopen gesprekjes aan met de bezoekers alsof ze nooit anders gedaan hebben. Hun stemmen echoën door de ruimte en vullen de kleinste gaatjes in de muren op. Je probeert je aandacht te houden bij de stemmen die het dichtstbij klinken.
Klei. Je weet nog hoe je uren gedaan hebt over de ruggenwervels; het moest beter, perfect. Het moest duidelijk maken wat het kan betekenen om een lichaam te hebben, de risico’s die het met zich mee kan brengen en hoe die onbereikbaar zijn voor de toeschouwer. Nadat je klaar was, had je nog een hele dag kramp in je vingers. Je vriend had toen de afwas gedaan, de was uit de wasmachine gehaald en glutenvrije pasta puttanesca voor je gemaakt.
Een hele aardige vrouw, maar…’ – ze vouwt een hand langs haar mond alsof ze je een geheim gaat vertellen – ‘een beetje getikt’
‘O? Ben jij de kunstenaar?’ De vraag verrast je. De vanzelfsprekendheid van jouw aanwezigheid naast de sokkel wordt doorbroken door een nieuwsgierigheid die je nog onbekend is. Je glimlacht geforceerd en gaat iets rechter staan dan normaal, je wilt dat ze blijven geloven in dit beeld van jou, de kunstenaar die beleefd naast diens werk staat, vrolijk en ongecompliceerd. ‘Ja,’ zeg je, met een schuin oog op de man in het blauwe pak, die nu een paar plekken is opgeschoven. ‘Het is ook te koop.’ Je kan het bijna niet over je lippen krijgen, voelt je wangen rood worden, wendt je blik naar de mensen die voor je staan. ‘Sorry wat zei u?’ ‘O, ja, het is inderdaad voor het eerst dat ik mijn werk exposeer. Het is zeker een mooie gelegenheid.’ De vrouwen knikken instemmend, zeggen iets over dat het mooi gemaakt is en schuifelen door. Je laat je schouders weer wat zakken en voelt dan pas de stijfheid in je gewrichten, alsof de spanning erin gebrand is, en probeert afleiding te zoeken in de ruimte, tussen de mensen. Om te voorkomen dat je per ongeluk iemand zal aanstaren, begin je maar schoenen te analyseren
De elektriciteit zoemt door de fluorescerende lampen, je hoort hoe het stroomt en volgt de trillingen richting het werk naast je. In matte lijsten hangen geschilderde portretten. Het zijn mensen uit de buurt. Een vrouw met een bandana om haar nek geknoopt komt naast je staan, terwijl je staart naar een jonge jongen die lichtelijk melancholisch is afgebeeld in een van de werken. Ze zegt dat ze heeft geprobeerd om een realistische representatie van de lokale inwoners te maken. De bandana beweegt een beetje op en neer terwijl ze spreekt. ‘Op dit schilderij bijvoorbeeld,’ zegt ze, ‘staat mijn buurvrouw voor wie ik soms de hond uitlaat, een hele aardige vrouw, maar…’ – ze vouwt een hand langs haar mond alsof ze je een geheim gaat vertellen – ‘een beetje getikt.’ Ze wijst naar het schilderij van een jonge vrouw die somber kijkt wanneer haar blik de jouwe kruist.
Je observeert de minieme uitingen waarmee ze een levend organisme maken van de ruimte en probeert erin op te gaan
Je scant de rest van de portretten op lichamen waarin je herkenning kan vinden, bewijs dat jij ook binnen deze – zogenaamd realistische – representatie past. Je vindt jezelf niet in de lichamelijkheid en melancholie waarmee de mensen zijn afgebeeld, de perfectie waartoe ze zijn gereduceerd. Je wil de vrouw met bandana vertellen over de andere mensen die ook in deze buurt wonen, over de vreugde, de lachende mensen. Je wil haar vertellen over jezelf, over het onzichtbare dat onder iemands huid kan schuilen, hoe een kunstenaar juist datgene zou kunnen afbeelden om de menselijkheid te illustreren. Door het geforceerde glimlachen en knikken trekt er een kramp door je kaken. Wanneer niemand kijkt, span je je kaak aan en ontspan je hem weer, in de hoop de pijn te verlichten, al weet je dat er weinig zal veranderen. De mensen om je heen bewegen ritmisch, als een kolonie mieren volgen ze elkaar melodieus op. Je observeert de minieme uitingen waarmee ze een levend organisme maken van de ruimte en probeert erin op te gaan, om ongezien je weg terug te vinden naar je sokkel.
Er werd naar je gekeken, vanuit de andere kant van de zaal. Terwijl je hand gleed over de rug van een keramische vogel met te lange nek, die uitmondt in een lichaam waar stukjes rib uitsteken onder de vleugels, voelde je een paar ogen branden in je rug. Je wilde de vogel twee graden draaien, dan pas zou de compositie op de sokkel geslaagd zijn, de distorsie verdwenen. Eenmaal omgedraaid zie je de man in het blauwe pak zijn blik afwenden, de focus op het werk voor hem herpakken. Was het toeval? Je wil zijn postuur bestuderen, zoeken naar een detail dat zal verraden dat hij bewust naar je heeft gekeken.
Je probeert erachter te komen of ze het écht begrijpt, of de breekbaarheid van het keramische lichaam niet vergroot wordt in de handen van deze vrouw
Een ouder koppel is zo stil naast je komen staan dat je schrikt door de plotse aanwezigheid van hun stemmen. ‘Mooi, ja echt prachtig!’ Ze zeggen het met zulke oprechtheid dat je voelt hoe je opnieuw begint te blozen. Je uit je dankbaarheid waarna ze vragen of het te koop is. Een van de vrouwen wijst naar het werk van een lichaam dat enigszins voorovergebogen zit. De wervelkolom kruipt uit de rug en hangt als een slang boven het lichaam. ‘Die,’ zegt ze, ‘die zou ik graag kopen.’ Ze benoemt hoe ze de boodschap mooi vindt, hoe ze zich erin herkent. ‘Is dat vreemd?’ Je zegt dat het niet vreemd is, maar je overhoort hoe je haar toch vragen aan het stellen bent – niet omdat je nieuwsgierig bent, maar omdat je erachter probeert te komen of ze het écht begrijpt; of de breekbaarheid van het keramische lichaam niet vergroot wordt in de handen van deze vrouw, of ze wel weet hoe ze voor zo een lichaam moet zorgen. Even raak je afgeleid door de pijn in je schouders, de spanning, maar je probeert het weg te drukken en kijkt naar de vrouwen, hoe ze lachen met een oprechtheid die je geruststelt, en je wijst ze naar de galeriehouder. Ze bedanken je, draaien zich om en lopen de aangewezen richting uit.
Hun enthousiasme lijkt aanstekelijk; de interesse heeft de aandacht van andere bezoekers aangetrokken. Je kijkt naar de mensen, de mensen kijken naar je werk en even merk je hoe het glimlachen vanzelf gaat. De meeste bezoekers kijken even en lopen dan weer door, maar twee jongere bezoekers blijven staan. Ze spreken je niet aan, maar dat maakt je niet uit. Ze wijzen naar de beelden en spreken enthousiast over hoe kleurrijk het is en hoe die vrolijkheid contrasteert met de houding van sommige lichamen. Wanneer ze aanstalten maken om door te lopen, bedank je ze zonder dat je bedacht had wat je zou gaan zeggen. Het overviel je, de oprechte warmte waarmee ze je werk onderzochten gaf je zekerheid. Ze lachen en drukken je nog eenmaal lieve woorden toe, voordat ze plaatsmaken voor het donkerblauwe pak, voor de spanning die even uit je lichaam verdwenen was, voor opgelegde mannelijkheid, voor onbegrip.
Je twijfelt hoeveel informatie je vrij kan geven, hoeveel informatie hij zou kunnen gebruiken als ammunitie
‘Artistiek uitdagend’ noemt hij je werk. Je glimlacht, onzeker over wat dat moet betekenen en mompelt een dankwoord voor het geval dat het positief bedoeld zou zijn. In stilte leest hij de titels van je werk en volgen zijn ogen de vormen van je werk. Je kan alleen maar nadenken over jullie lichamen, hoe die naast elkaar staan. Je vergelijkt jullie lichamen, zoekt naar iets in zijn huid, maar naar wat precies weet je niet. Hij vraagt naar meer context over je werk en je twijfelt hoeveel informatie je vrij kan geven, hoeveel informatie hij zou kunnen gebruiken als ammunitie, en of hij daarna alleen nog maar meer op je bewegingen zou gaan letten. Je beperkt je verhaal tot de kern: dat je door eigen ervaringen geïnspireerd bent en je door vervormingen van het lichaam het mensbeeld wilt uitdagen, dat je duidelijk wilt maken dat niet alles zichtbaar is. De man knikt bedachtzaam en lijkt na te denken; je voelt de spanning door je lichaam stromen en hoort het zoemen van de TL-lampen weer. Dan vraagt hij wat die eigen ervaring dan is, prikt daarmee door je beschermende afstandelijkheid heen. Kort leg je iets uit over je ervaring: het chronische, de klachten, de vermoeidheid – je probeert je onzekerheid niet door te laten schemeren. Opnieuw probeer je zijn blik te peilen, maar ditmaal stuit je op meer verwarring dan bedachtzaamheid. ‘Met alle respect,’ zegt hij, ‘maar…’. Hij onderwerpt je aan zijn ongegeneerde fantasie van jou als subject dat gevormd kan worden door zijn blik, naar zijn perspectief van wat een mens moet zijn en hoe een lichaam moet werken. Hij zegt dat hij niet aan je kan zien, vraagt of je wel zeker weet dat het zo is, want je bent nog zo jong en – je probeert het gesprek terug te leiden tot het werk dat voor jullie staat en probeert hem duidelijk te maken dat zijn essentialistische ideeën onjuist zijn, maar hij wuift je verwoede poging weg alsof hij de autoriteit daarvoor heeft. Je voelt hoe je kaken pijn doen, omdat je nog steeds glimlachend naast je werk probeert te staan.
Merel Nijhuis (hen/haar, 2002) is een cripqueer (woord)kunstenaar, maker van keramische wezens die inspireren om eigenaardig te zijn, omroeper van oproer en bundeling van tegenstrijdige veelzijdigheid.
Jasmijn Vermeeren is een kunstenaar die fotografie en mixed media gebruikt om levendige werken te maken die geïnspireerd zijn op haar persoonlijke ervaringen en thema's als disability, identiteit, normaliteit en het proces van opgroeien verkennen.


















