Na een overlijden in de familie, vraagt Vera Corben zich af welke geluiden permanent in ons hoofd wonen. Is dat de score van het leven? Hoe klinkt die dan? En is de dood dan niet meer dan de afwezigheid van dat geluid?
Vlak voordat ze overleed, zei ze: ‘Er gaat nu een geluid uit in mijn hoofd, horen jullie dat ook?’
Haar aderen liepen vol met een tweede euthanaticum. Ik had me er niet over ingelezen, maar zag het voor me als een vloeistof die zo koud was dat haar hele buitenkant dat uiteindelijk ook zou worden. De kamer was groot, maar we stonden met onze ruggen naar al die ruimte toe, haast schouder aan schouder. Vanuit een soort dierlijk instinct wisten we dat het niet hoorde, iemand in de uitgestrektheid laten sterven.
Toen ze het zei, ontsnapte de ingehouden adem van de mensen rondom haar bed als een zachte lach. Vanaf dat moment mocht de plechtige stilte doorbroken worden, klaarde de lucht op, schijnbaar uit het niets. Natuurlijk wisten we niet of ze ons nog kon horen, maar het voelde alsof het klopte om weer wat te praten. Ze was een vrouw die tijdens haar ziekte ook al niet in slaap kon vallen zonder geroezemoes. Soms had ze plotseling opgekeken vanaf de bank waarop ze de slopende behandeling op zich in liet werken en vroeg dan kribbig: ‘Waarom zijn jullie zo stil?’
In de film Kajillionaire (2020) probeert een familie een oudere man op te lichten. Zodra ze bij hem over de drempel stappen, blijkt de eenzame man ziek in bed te liggen. ‘Doe alsof je thuis bent,’ roept hij hen zwakjes toe vanuit zijn slaapkamer. Hij wil graag dat ze vertrouwde huisgeluiden maken: ‘Misschien wat pianospel, wat kletteren van zilverwerk.’ Terwijl het gezin opgaat in het acteren van een warme familieband, probeert de man te sterven.

Dat is wat wij ook deden: functioneren als gezin, met elkaar smoezen zodat de beklemmende stilte de ernst van de situatie niet zou benadrukken. Het doet me denken aan hoe dezelfde vrouw me pillen leerde slikken toen ze me een paracetamol in vieren zag breken: ‘Je moet hem eigenlijk in je mond leggen en gaan afwassen. Gewoon doorgaan met iets anders, niet focussen op de pil die je door moet slikken.’
Haar laatste woorden blijven me in hun greep houden. Het zijn eerlijk gezegd de mooiste die ik ooit heb gehoord. Hoe ze ons wilde meenemen in haar ervaring, terwijl haar lichaam er eigenlijk al mee ophield. De achteloosheid ervan. Alsof we hadden afgesproken naar het park te gaan en ze vroeg: ‘Ik pak nog even mijn zonnebril, heb jij die van jou ook?’
Waarschijnlijk heb ik meer romanticus in me dan ik wil toegeven
Dat we niet weten wat iemand ervaart wanneer diegene overlijdt, is de hele crux ervan. Het voelt alsof zij ons, dat selecte gezelschap rond haar bed, een geheim inkijkje gaf. Informatie waar neurowetenschappers al eeuwen naar op zoek zijn, kregen wij zomaar in de schoot geworpen.
Maar er was geen neurowetenschapper bij, alleen een schrijver.
(En een vastgoedmakelaar, een hovenier, een producent, een gepensioneerd danser, een huisarts.)
Vaak verbind ik aan wat ze zei de conclusie dat het verschil tussen leven en dood niet veel meer is dan de afwezigheid van een geluid. Ik weet niet of dat een gerust- of een teleurstelling is. Wat me eerder bezighoudt, is hoe dat geluid klinkt. Waar het vandaan komt, wat het is. Horen we het altijd al en zijn we er zo aan gewend dat we het pas opmerken als het stopt, zoals wanneer iemand halverwege de maaltijd plotseling van de eettafel opstaat en de afzuigkap uitzet?

Verklaringen voor de stilte in haar hoofd lijken voor de hand liggend:
Het geluid van vurende synapsen
Het geluid van bloed dat door het snelwegennetwerk aan aderen sprint en plotseling op de rem trapt
De motor slaat af; het ruisen stopt
Maar ik wil die verklaringen niet accepteren. Net zoals ik liever geloof dat ik de zee kan horen in een schelp, kilometers stroomopwaarts wezens in de diepte voor me kan horen neuriën. Waarschijnlijk heb ik meer romanticus in me dan ik wil toegeven.
Het ontroert me trouwens dat empathie als laatste overblijft
In een artikel uit The Guardian, The new science of death, lees ik dat doodgaan inderdaad geen kwestie van een aan- en uitknop blijkt. Een groep wetenschappers registreerde recent de breinactiviteit van een jonge vrouw vanaf het moment dat ze van de zuurstof werd gehaald. Nadat haar hartslag stopte, begonnen haar neuronen te werken als een kolkende storm. Gebieden die tijdens haar langdurige coma hadden gesluimerd, schrokken plotseling wakker; gebieden die we associëren met bewustzijn tijdens levendige dromen, met herinneringen, met empathie. Dat duurde zo’n tien minuten — lang na de tijd van overlijden die de arts had genoteerd.
Dat ontroert me, trouwens, dat empathie als laatste overblijft.

De neurowetenschappers blijken ook meer romanticus in zich te hebben dan ze willen toegeven. Zelfs zij, die het meest van de dood zouden moeten weten, weten er nog amper wat van, doen ook maar een gammastraling-meting en zijn door de resultaten dan opgelucht, verwonderd en geëmotioneerd. Het is alsof ze me toestemming geven om het voor de hand liggende achter te laten; om de schelp tegen mijn oor te leggen en niet al dat bloed voor me te zien, maar een vredige onderwaterwereld.
Er gaat een trend rond op TikTok: It’s just a girl harmonizing with her kitchen fan. En het is ook gewoon een meisje dat een melodie neuriet op de ventilator in haar keuken, maar het geluid overweldigt. Het geluid leent zich voor projecties van duizenden mensen wereldwijd, allemaal met een ondertoon van melancholie, troost en rouw. Mensen die zich realiseren dat ze nooit meer door hun ouders van de auto naar bed gedragen worden terwijl ze doen alsof ze slapen. Mensen die zichzelf weer op de eerste rij van een uitvaartcentrum zien zitten. Mensen die een pasgeboren baby vasthouden terwijl het kleine lijfje trilt.
Toen ik het voor het eerst hoorde, de vele interpretaties ervan bekeek, had ik het gevoel dat ik met al deze mensen in een gigantische flat woonde. Ik zag ons daar heel duidelijk zitten: achter ieder geelgloeiend raam een heel leven. We wisten dat we elkaar begrepen, ook al hadden we elkaar nog nooit ontmoet.
Ik luisterde op YouTube naar een uurlange loop van Girl harmonizing with her kitchen fan. Toen het plotseling stopte, keek ik geïrriteerd op, bereidde me erop voor de wifirouter te resetten in de door spinrag overgenomen kelderkast, maar het uur was al voorbij. Soms registreer je iets niet meer, is de stilte opvallender dan het geluid. Net als met die afzuigkap. Ik zat op de grond van mijn studentenkamer en luisterde naar wat overbleef, het achtergrondgeluid, mijn eigen versie van de kitchen fan. Maar het was akelig stil. Onrustig. (Dit is waar mijn angst voor de ruimte vandaan komt. De verschrikkelijke stilte waarmee alles verschuift, draait, botst, verruimt. Ik vertrouw het niet.)
Het gehoororgaan van een foetus begint zich te ontwikkelen bij zeven weken, hoewel die pas later ook daadwerkelijk op geluiden reageert. Het verwerken van audiosignalen in de hersenen begint bij een week of zestien. Ik vraag me af hoe groot die schok is, de plotselinge overgang van het niet horen naar het wel horen, of, in het geval van de vrouw die me pillen leerde slikken, andersom.
Alsof we stemvorken zijn waar een lichaam steeds in andere vormen omheen groeit
Ik was een foetus in stuitligging, wat volgens mijn vader kwam doordat ik net als hij van techno hield; ik wilde mijn moeders hartslag beter horen. Om dat te bewijzen, zette hij zijn koptelefoon laag tegen mijn moeders buik, waarna ik schijnbaar omdraaide. (Na de geboorte was er niet veel meer over van mijn voorliefde voor techno; als kleuter werd ik juist groot fan van Jody Bernal.) Het verklaart wellicht waarom ik onrustig word van stilte, waarom ik bang ben voor ruimte, waarom mijn keel zich dichtknijpt als ik een pijnstiller op mijn tong leg.
Net zoals er een punt is waarop geluid stopt, is er een punt waarop het begint. Men zegt dat het kalmerend werkt om naar witte ruis te luisteren, omdat het lijkt op hoe we geluid waarnemen in de baarmoeder. Hoe kunnen geluiden die we niet onthouden ons toch ergens aan herinneren? Girl harmonizing with her kitchen fan lijkt ook zo’n wit ruisgeluid dat we misschien altijd horen, misschien weer vergeten zijn, dat altijd nagonst. Alsof we stemvorken zijn waar een lichaam steeds in andere vormen omheen groeit.

Toen de film Barbie (2023) uitkwam, keek ik die meteen vijf keer. Dat komt door een van de laatste scènes. Barbie vraagt haar bedenker, Ruth Handler, toestemming om van een idee in een mens te veranderen. Handler wil haar creatie eerst laten zien dat een mens zijn soms moeilijk is. Er volgt een montage die er altijd in slaagt me te laten huilen. Homevideo’s van vrouwen die meehielpen aan de productie en hun familieleden die huilen, trouwen, dansen, elkaar troosten, aangemoedigd worden, een strike gooien, knipogen, make-up kwasten over hun wangen strijken, in de achtbaan gaan, kinderen in het rond zwaaien, van een rots de zee in springen, leren fietsen, afstuderen, kaarsjes uitblazen, skydiven, pijn wegzuchten, waarop Barbie zegt: ‘Ja. Ja.’
‘Mensen verzinnen van alles, zodat ze kunnen omgaan met hoe oncomfortabel het mens-zijn is,’ zegt Ruth Handler, ‘En dan ga je dood.’
‘Ja,’ zegt Barbie weer. ‘Ja.’
Daar is ze niet bang voor. Liever dan nooit doodgaan, wil ze ervaren.
Ze ademt in. Haar mensenleven begint.
De scène raakt me omdat ik er zoveel behoefte aan heb mijn montage te zien
Barbie heeft een voorsprong op de rest van de mensen wier leven begint met een inademing. Niet alle ervaringen zullen haar vreemd zijn of haar als een totale verrassing voorkomen. Ze weet al dat haar ervaringen haar bij zullen blijven, dat die in haar blijven nagonzen tot het zal stoppen.
Er zijn geluiden die je meedraagt, die je niet meer hoort. Tot het stopt.
De scène raakt me omdat ik er zoveel behoefte aan heb mijn montage te zien. De meeste mensen wier hart even heeft stilgestaan en toen weer is gaan kloppen, vertellen later hoe fragmenten uit hun leven voorbijkwamen. De gammastraling-meting van de neurowetenschappers ondersteunt die verhalen; de hersengebieden die we associëren met herinneringen, komen na onze dood plots tot leven.
Ik vind het niets om te bedenken dat de vrouw van de mooiste laatste woorden enkel hoorde dat haar hart stopte. Veel liever stel ik me voor dat de zorgen gingen liggen, de door haar lichaam woekerende celdelingen tot stilstand kwamen, het meest indrukwekkende geluid van haar leven dat ze al die tijd met zich meedroeg, stopte. En dat ze in die stilte hoorde hoe het had geklonken. Ik weet het niet tot het zover is, maar, bij benadering, de bladmuziek van alle geluiden die ik dan hoop te horen:
Techno, gedempt, langzamer, lager, steeds helderder tot ik in een kelder sta, zonder oordoppen in, het hard en snel binnenkomt en ik het voel trillen in mijn botten.
De stemmen die op een zomeravond vanaf het grasveld tegen de galerijflats omhoog kruipen.
Cafégeroezemoes dat vriendelijk mijn oren in golft, lepeltjes tegen schaaltjes, flarden van gesprekken over hypotheken, vervelende docenten, waar die tas vandaan komt.
Het sputterend starten van de tweedegeneratie Suzuki Swift, voordat hij tijdens een APK werd afgekeurd. Het rinkelen van de sleutelbos als ik de autosleutel eraf haal.
Het knakken van mijn knokkels.
Glazen die kapotvallen. Knappende gitaarsnaren. De wekker.
Cadeautjes uitpakken. Alle verschillende tonen van al het lachen van alle mensen die me dierbaar zijn. Een moment van bezinning op een avond uit: feestgedruis in de verte, krekels dichtbij.
Naar adem happen, in lakens knijpen.
Het kind dat niet wil, dat wel wil maar niet mag, dat pijn heeft, dat eerste woordjes brabbelt, daarna in volzinnen ruzie met ons maakt.
De scherpe klanken van hatelijke woorden, het zachte sniffen van ingehouden huilen, het breken van een bot, het omhoogspringen van een sneetje uit het broodrooster, de hond die zucht op een warme dag, hyperventileren, een fles ontkurken, de stoep vegen, de deur dichtslaan, over iemands arm aaien. Uitademen.
Vera Corben chreef eerder voor Opera Forward Festival, Rouze, Septentrion en Wintertuin. Haar bundel Brand in het barbiehuis werd genomineerd voor de Nieuwe Types Prijs. Ze is onderdeel van Collectief Knokploeg, dat absurdistische literaire voorstellingen maakt.
Rein Klomp is een illustrator en autonoom kunstenaar uit Utrecht. Zijn werk ontstaat altijd vanuit snel, los lijnwerk; schetsen zijn er nagenoeg niet. Het toegepaste werk bestaat uit een eclectische mix van vervreemding en speels ongemak. Hierdoor krijgt het eindwerk een organische flow. Zijn autonome werk richt zich meer op abstracte figuratie. Met een herkenbaar beeldelement als ingang, om het vervolgens voor de kijker open te laten voor vrije interpretatie. De maker plaatst zijn recente werken voornamelijk op sociale media (instagram).


















