In dit het verhaal van Ariane Waitz gaat de hoofdpersoon op een vervreemdende reis door Indonesië. Via de eeuwenoude Javaanse kunstvorm batik probeert zij zich te verbinden met het land van haar grootouders.
BATU
In mijn string sta ik halverwege het vissershuisje. Onder mij kabbelt de zee. De maan verlicht het zwarte water, verder is er niks. Boven mij klimmen de locals, zij hebben het dak al bereikt. Hun donkere gestalten steken af tegen het beton. Pezig, met lange armen, als schaduwpoppen achter een doek. Ze hebben mij meegevraagd om te springen; Waarschijnlijk denken ze dat ik jonger ben. Een zure boer vult mijn mond. Ik klim door.
Eenmaal op het dak zijn de poppen mensen geworden. Gadogado noemen ze mij. De lucht ruikt naar zoutige warmte en de roes van de alcohol geeft me een kick. Kleine steentjes puilen uit het beton, prikken als legoblokjes in de zool van mijn voet.
‘You okay?’
‘Yes!’
Henhen grijnst. Hij heeft zijn sigarettenpijpje voor het eerst niet in zijn mond. Een Brit, die als tweede op het huisje klom, begint te krijsen en springt een paar keer op de betonnen plaat. Met een overdreven aanloop rent hij naar de afgrond. Zijn echo galmt onder het vissershuis.
De wind is warm – toch krijg ik kippenvel.
‘Gadogado, you have to jump next!’
In mijn ooghoek zie ik Henhen afzetten, moeiteloos duikt hij met zijn hoofd vooruit. Het water is ondoordringbaar zwart.
‘Jump!’, klinkt het van onderen.
‘Niet me haasten!’ schreeuw ik in het Nederlands.
Een wapperende doek trekt mijn aandacht, hij hangt een meter boven mij. Een hand, een arm, een wajang-kop. De batik onderscheidt nu twee figuren. Ze hangen over elkaar heen. Ik kijk om me heen en naar beneden. Iedereen is gesprongen. Ik sta alleen. Op mijn tenen reik iknet tot de stof. Ik pak hem vast, geef een ruk, nog harder, trek. Het doek begint te scheuren. De twee figuren rijten uit elkaar. Een helft is blijven hangen, de andere helft heb ik in mijn vuist. Snel knoop ik de doek om mijn heupen. Een rafelend randje prikt in mijn been. Ik probeer de andere helft te pakken, maar die hangt nu te hoog. Weer geschreeuw. Laat maar hangen. Ik fixeer mijn blik op de maan, knijp in mijn batik, en spring.
Mijn gedachten leiden mij langs de kleine hutjes, bungalows van bamboe voor toeristen
TIK
De maan is weg, voor licht geweken. De vissersboten terug van zee. Nu, bij eb, kun je zo naar het vissershuisje lopen. De trap hangt wiegend in de wind. Met de gehavende doek net niet over mijn billen, strompel ik terug naar ‘huis’. De batik is zo oud dat deze doorzichtig is geworden; ik ben me te bewust van hoe ik erbij loop. Twintig mannen trekken een boot uit het water, elk een balk op hun schouder gelegd. Één blijft zijn sigaret roken, een tandloze mond lacht naar mij. Ompong, weet ik van Opi. Een woord waar je niets aan hebt. Ik duw mezelf door het grijze zand heen, mijn hakken zakken diep weg. Gehavende palmbomen, een bord voor tsunami-evacuatie. In mijn string kom ik langs de kinderopvang. Een meisje kijkt met grote ogen. Ik begin steeds sneller te lopen; de opvang fungeert ook als moskee. Mijn gedachten leiden mij langs de kleine hutjes, bungalows van bamboe voor toeristen. De locals wonen er permanent naast. Ik vraag me af of ze eerst anders woonden, voor de tsunami ze had geraakt.
‘Waar kom je vandaan?’ vragen mensen mij vaak.
‘Uit Purmerend, maar ik woon al zeven jaar in Amsterdam.’
Sommigen zijn daarmee tevreden. Anderen vragen door. Behalve hier. Hier ziet iedereen het direct.
Het begint keihard te regenen. Bananenplanten, vermengd met voor mij onbekende jungle, vervormen de regen tot een waterval. In de hut blijft het onveranderlijk benauwd. De batik hangt voor de ventilator. Ik laat me vallen op het matras op de grond, sluit de klamboe, en dek met een T-shirt mijn ogen af. De moesson stort gewelddadig neer op het hutje, een constante stroom aan druppels druipt via de klamboe op mijn hand. Het overstemt zelfs het geraas van de ventilator. Mijn hoofd klopt. De rijstwijn had methanol kunnen zijn.
I left my heart in Batukaras.
De tekst staat op het lelijke T-shirt dat ik won na een quiz. Tijdens het inpakken gooi ik het bij mijn andere spullen, die klaarliggen naast mijn tas. Buiten begint de moskee te blèren; de kinderen van de opvang brullen keihard mee. De gebeden zijn niet te onderscheiden. Alle kinderen schreeuwen door elkaar. Ik probeer de tas dicht te ritsen, trek het shirt uit de kluwen kleding, en rits door. Dicht.
I left my heart in Batukaras.
BA
Onderweg naar Yogyakarta kronkelt de trein door de rijstvelden. Ik zit in een rustige coupé. Mijn tas is nog nat van de regen, de gehavende batik heb ik aan het hengsel geknoopt. Vanuit het raam bekijk ik de vrouwen op de rijstvelden, die tot kniehoogte in het water staan. Tussen de velden liggen dorpjes, afval wordt overal verbrand naast het spoor. Een indringende geur van smeltend plastic vult de coupé. In de hoop de giftige dampen tegen te gaan, druk ik de doek tegen mijn neus en mond. De naden van het gescheurde wajangbeeld kruipen naar mijn geweten.
Mijn afkomst bestaat niet. Een zwerver heeft ook niets
Opi was zijn broer verloren. Misschien wel in datzelfde zwarte water als waar ik zojuist in ben gesprongen. Hij bleef een zwerver, net als ik nu. Land of zee, soms was hij maanden zoek. Mijn afkomst bestaat niet. Een zwerver heeft ook niets. Ik heb wel een backpack, maar alleen dat is niet genoeg. Heb ik daarom het doek gescheurd? Wil ik iets wat er misschien altijd al was? Mijn bloed druipt op de bekleding. Kut. Doorgelekt.
B-tik, B-tik. In een squat-houding probeer ik boven de wc te hangen. Een muffe geur mengt zich met ijzer en rot. Tik, tik. Iemand roept ongeduldig. Schuddend en schokkend prop ik de cup terug. Ik veeg snel het bloed van mijn handen, voordat ik de deur open. Een blonde vrouw staat te wachten, haar benen zijn gladgeschoren en nog wit. Geruisloos slip ik langs haar en wring mij door de ruimte tussen de wagons. De rails zoeven onder mijn voeten; het spoor is door een gat te zien. Ik baan me een weg door de tweede en derde klas. De eerste klas heeft airco en veel ruimte. Hier zitten geen krioelende kinderen met blote voeten en hebben de passagiers wél een koptelefoon.
‘Hey’
Ik doe alsof ik niets hoor en lees geconcentreerd mijn boek.
‘How are you?’
Ze staat met haar schouder tegen de deur en kantelt haar hoofd mijn richting op.
‘Yes?’
Een moedervlekje ligt precies onder een van haar ogen. Haar oordopjes bungelen tegen haar borst.
‘Just checking! I like your scarf, where did you get it?’
Ze wijst naar het gestolen doek aan mijn tas. Ik probeer nonchalant mijn schouders op te halen, maar ze pakt de stof zonder te vragen beet.
‘Ah, batik, I’m gonna make that!’
Ze bestudeert mijn doek nauwkeurig en volgt de patronen met haar hand. Ik wil hem wegtrekken, desnoods nog een keer scheuren. Waarom denkt ze dat alles mag? Ik wil in een andere coupé gaan zitten. Tegen toeristen praat je op vakantie. Ik ben op reis. Zal ik haar zeggen dat ze beter naar Bali kan gaan? Daar hebben ze ook batik. De airco wint de discussie.
‘Nice.’
Ze draagt dezelfde Teva’s als ik.
Het beeld doet me denken aan de wajangpoppen van Opi, die nog altijd boven op de vitrine staan. Mijn oma raakt ze niet meer aan
TIK
Op zoek naar mijn hostel en degelijk eten, bezwijk ik onder het gewicht van mijn tas. Nadat ik ben ingecheckt, en wat saté met lontong heb gegeten, besluit ik nog even de stad in te gaan. Het is benauwd, de zon gaat bijna onder, hier heeft het niet geregend vandaag. Ik word aangetrokken door kleine steegjes. Kronkelend loop ik door de rumoerige binnenstad. Een bord met BATIK-ART EXHIBITION lokt me één van de steegjes in. Ik kom in een ruimte die aan een museum doet denken. Aan de muren hangen kleurrijke doeken, in het midden staat een tafel vol koperen pennen en bakjes met gestolde was.
‘Hello lady, do you know batik? The process is long and meditative.
Have you ever tried?’
De verkoper is gekleed in traditionele kleding en blangkon, maar draagt een modern uitziende bril.
‘Do you make batik?’ vraag ik, om ook iets te zeggen. Misschien zijn deze werken wel van hem.
‘I used to, these are all local artists. Also my son
He studied in The Hague!’
De verkoper laat foto’s zien van zijn zoon. Ik knik, lach en voel aan wat stoffen. Mijn oog valt op een donkerblauwe, hij lijkt extreem veel op mijn gehavende doek.
‘That is the story of Rama and Shinta. They are lovers. Ramayana.
Everyone in Java knows who they are.’
De geliefden kijken beiden dezelfde kant op. Zij op haar knieën, hij staat achter haar en kijkt over haar heen. Ik zou ze elkaar aan laten kijken. Blijkbaar hoort het zo. Het beeld doet me denken aan de wajangpoppen van Opi, die nog altijd boven op de vitrine staan. Mijn oma raakt ze niet meer aan. We lopen verder, maar de doek houdt mijn aandacht. De verkoper merkt het ook.
‘It is two million, but for you – Gadogado – one point four.’
Ik kan pinnen.
In mijn hostel bekijk ik het aangekochte werk nauwkeurig en ik leg mijn afgescheurde doek eroverheen. De beelden lopen net niet in elkaar over. Eveneens de kleur is anders, want die is verweerd. Ik hang ze beiden op aan mijn stapelbed. ’s Ochtends, op weg naar de cursus, voel ik me bedrogen. De winkeltjes hebben hun batik uitgestald. Om de twee meter word ik geconfronteerd met lagere prijzen. Mijn batik. Het hangt overal.
Boven mijn hoofd kruisen waslijnen waaraan batik hangt te drogen. Ik buk voor laaghangende doeken en manoeuvreer me over het pleintje
TULIS
Ik kom uit op een binnenplaats. Vaag weerklinkt Yogyakarta van buiten; hierbinnen staat zen-muziek op repeat. Boven mijn hoofd kruisen waslijnen waaraan batik hangt te drogen. Ik buk voor laaghangende doeken en manoeuvreer me over het pleintje. Onder een afdak zitten oude vrouwtjes, ieder gebogen boven een gespannen doek. Hun vingers lijken verworteld om de pennen waarmee was wordt aangebracht op katoen. Niet alleen hun vingers, maar ook hun rug is verstijfd. Ze zetten de patronen snel en nauwkeurig. Zonder fouten vormen ze taferelen van dieren zonder hoofd. De damp dringt diep mijn neusgaten binnen, het ruikt anders, zachter, dan bijenwas. Op één van de kleden aan de muur staat het tafereel van Rama en Shinta. Ook hier kijken ze elkaar niet aan. Het doek is drie keer zo groot en bestaat uit veel verschillende kleuren. De verfijnde lijnen moeten wel handgemaakt zijn. Ik kies ervoor te geloven dat dit het origineel is. Achter mij hoor ik Nederlands. Een koppel is druk in de weer met het uitwassen van hun werk. Ze worden begeleid door een klein mannetje, die de doeken in dampende emmers doopt. Ik herken de vrouw uit de trein en begroet haar voordat ik zelf begin.
Na een patroon met potlood getekend te hebben, krijg ik een pen en een bakje met was. Ik buig over het katoen en imiteer de verstijfde vrouwtjes. De kraanvormige tjanting druipt enorm. Ik probeer het gestolen doek na te maken, maar mijn tjanting blijft haken bij elke beweging. Er valt een druppel was op mijn hand. Mijn zorgvuldig getekende wajangbeeld wordt totaal vertroebeld door de dikke druppels was. Ik probeer de fouten weg te pulken, maar er gebeurt niets meer. Het is gestold. Ik denk aan Opi en alles wat hij nooit heeft verteld. Deed hij dat bewust, of ging ik zelf zijn verhalen uit de weg? Ik dompel de tjanting opnieuw in de hete was en laat me leiden door de muziek. Mijn pink houdt de pen in balans. B-Tik, B-Tik. Ritmisch evenwicht. Met een golvende beweging vervormen de druppels zich tot bladeren en vruchten. Een arm verandert in een stam. Onder de boom verschijnt een vrouw. De cola smaakt zoeter dan thuis.
In het verfbad vloeien kleuren tussen de lijnen. Toeristen zijn verdwenen, nieuwe komen er weer aan. Met een stok roer ik in de kokende brei van water en doeken, die ondoordringbaar donker kleurt. Ik was mijn doek uit, spoel de was weg. Waar de was zat blijft het licht. Uit het water komt mijn batik tevoorschijn. Een silhouet tekent zich af tegen het kleurenspel. Blauw. Paars. Schaduwspel.
Ik hang het op en blijf maar kijken, vang elke rimpeling van het doek. De vrouw onder de boom wappert als een vaandel. De warme lucht kietelt het katoen. Een rafelrandje hangt aan de onderkant. De vrouw heeft net als ik een ketting om. Een paar waterdruppeltjes spatten in mijn richting, tikken zachtjes op mijn wang. Zoutig, vermengd met zoete cola. Ik zal op haar wachten, tot ze droogt aan de Javaanse lucht, en ze mee naar Nederland kan.
Ariane Waitz (1998) studeerde af in theoretische fysica, heeft vier zussen en is gedaanteverwisselaar. In haar werk verweeft ze proza met poëzie. Haar teksten zijn pas af wanneer gevoel een kleur heeft.
Damian van Soest is illustrator en designer uit Rotterdam. Vanuit een liefde voor 90’s cartoons, kinderboeken en zijn Indische familiegeschiedenis creëert hij speelse, karaktervolle beelden die verschijnen in editorials, Batik doeken, murals en festivalprojecten.


















