‘Ik probeer te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.’ Tijdens een schrijfresidentie in Parijs verkent Leonore Spee de spanning tussen identiteit, verlangen en lichamelijkheid. Het wordt een zoektocht naar het overbruggen van afstand – tussen mensen en steden, liefdes en labels, gedachten en ervaringen, en hoofd en lijf.
Vanochtend stond de wekker om 7:30 uur. Abby lag als een deken om me heen gekruld. Ik heb haar voorzichtig van me afgeduwd en haar meteen het uur van vertrek medegedeeld, je weet hoe dat anders gaat met haar. Op straat loop ik altijd een halve meter voor haar.
Zo ook vandaag. Haar versleten totebag bungelt tegen haar heup. Ik duw een koffer voor me uit over de straatstenen. ‘Ben je van plan om naar het station te wandelen?’ vraagt ze. Ik zeg dat ik haar dat nooit aan zou doen. Ze zwijgt en vraagt zich waarschijnlijk af wat voor ongelofelijk lui beeld ik van haar heb. Dat heb ik wel een beetje. Als ik aan haar denk, denk ik aan de zetel. Ik denk ook aan ons bed, met daarnaast een verzameling vieze borden en bekers met opgedroogde theezakjes erin. Aan de betonnen vloer met ingetrokken vlekken. Hoogstaand gras in een onaffe tuin. Ja, ik denk aan haar als een langzaam iemand. De laatste tijd vind ik iedereen langzaam, inclusief mezelf. Ik ben ongeduldig en vergeet de hele tijd door van alles en nog wat. Ik vergeet ook dingen thuis te laten, zoals mijn paspoort, waardoor ik dan bijvoorbeeld in de Mediamarkt sta met mijn paspoort op zak, terwijl, de Mediamarkt: dat is nu echt een plek waar je nooit je identiteit hoeft te bewijzen.
We zijn veel te vroeg op het station, bijna een halfuur. Abby neemt de trein naar haar ouders in Leuven, ik naar Parijs, waar ik in het gezelschap van een kleine groep gelijkgestemden twee weken lang ga schrijven. Allemaal een eigen kamer, een bed, een bureau en de stad, dat is het idee. Ik ben de laatste tijd overal te vroeg, terwijl ik vroeger altijd te laat was. Maar nu arriveer ik ineens overal een halfuur op voorhand. Ik krijg daar stress van. Want wat doe je met al die tijd? Precies: te dure koffies kopen waar je dan vervolgens ongelofelijk van moet plassen en poepen, terwijl je in de trein zit tegenover een gelijkgestemde die ook op weg is naar Parijs om te schrijven. Ik ken diegene niet zo goed, alleen van de kennismaking eerder die maand, en kan dus ook niet zeggen dat ik zo dringend moet plassen en poepen. ‘Drink jij liever koffie of thee?’ vraag ik dan maar. De ander denkt na. Sam, schiet er door mijn hoofd, zo heet de persoon tegenover me. Of nee, Lou. Ja, die persoon heet Lou. Lou blijkt niet per se graag koffie te drinken. Lou is van de bubble tea.
Ze keek me aan op een manier die weinig ruimte liet voor misverstanden
Voor Abby datete ik uitsluitend met mannen. Hoewel mijn bijdrage aan de orgasmekloof aanzienlijk was, bleef ik hardnekkig verliefd op ze worden. Tot Abby. Ze stond diagonaal tegenover me op de dansvloer, om drie uur ’s nachts, op een verjaardagsfeest van iemand wiens naam ik niet meer weet. Ze keek me aan op een manier die weinig ruimte liet voor misverstanden. Aan de bar ging ze achter me staan, bestelde een witte wijn en legde nonchalant haar hand op mijn blote buik. Ze betaalde de wijn, gaf die aan mij, zei dat ik achter haar aan moest lopen naar de garderobe en haar om haar nummer moest vragen. Dat deed ik. Toen ik anderhalve maand later met mijn koffer bij haar op de stoep stond, grapte ze iets over U-Haul lesbians. Ik had geen idee waar ze het over had, wilde niet door de mand vallen, lachte harder dan nodig.
***
Ik zit op een terras in Parijs. Een ronde tafel, een leeg bord, een waterkan in de vorm van een vis. Uit zijn open bek schenk ik water in mijn glas. Ik speel koppelspotten, een spel dat Abby me heeft geleerd. Met Abby erbij kijk ik alleen naar lesbische koppels. Alleen speel ik de heteroversie. Met wie zou ik het bed liever delen - met haar of met hem?
Er passeert een vrouw met een grote rosse knot als een vogelnest op haar hoofd; naast haar een overdreven lange man. Hij lijkt niet in staat zijn verbazing te verbergen over het uitzicht vanaf die hoogte. Zijn zwarte snor staat een beetje scheef. Hij die me optilt en me al penetrerend laat zien hoe de wereld eruitziet als je boven iedereen uittorent. Ik kies hem.
Een man en een vrouw, achterin de dertig. Allebei schouderlange krullen - zij op hakken, hij op versleten All Stars. Ze delen een Marokkaanse pannenkoek. Zij houdt de pannenkoek vast, honing druipt langs haar vingers. Af en toe voert ze hem een hapje. Ik die de honing van haar vingers lik. Beter nog: de honing als glijmiddel. Haar honingvingers die in mij verdwijnen, traag, diep. Als haar vingers uit mij komen zijn ze gerimpeld, alsof ze te lang in bad heeft gelegen. Ja, ik kies haar.
Ik ben niet mee met het concept slay
Aan de overkant van de straat spot ik Lou met een koptelefoon op. ‘Lou!’ roep ik, tegen beter weten in. Ik spring recht, bereik al slalommend tussen de auto’s de overkant van de straat. Buiten adem tik ik Lou op de schouder. ‘Waar ga je naartoe?’ vraag ik. ‘Zomaar,’ zegt die, ‘ik dacht aan een veggieburger… Ga je mee?’
Het schemert als de roltrap uit het metrostation ons afzet op een groot plein. Even stinkt het zo naar pis dat ik geneigd ben er iets van te zeggen. Lou is me voor: ‘Kom,’ zegt die, en neemt me bij de hand. We dalen een steil straatje af langs houten terrassen waar mensen in wijde broeken en linnen overhemden zwijgend oranjekleurige wijn drinken. Aan het einde van de straat gaat de zon onder. ‘Wauw, jij kent de underground scene van Parijs?’ vraag ik. ‘Dit is Montmartre,’ antwoordt Lou. We wandelen in stilte richting zon. ‘Slay,’ zegt Lou. Ik hoor niet of het ironisch is. Ik ben niet mee met het concept slay. Ik volg een wijzende vinger, die uitkomt bij een poster van Amélie Poulain in de etalage van een boekenwinkel. Om iets bij te dragen aan de situatie open ik Google Maps, die me vertelt waar je een veggie burger kunt scoren en voor hoeveel eurotekens, €, €€ of €€€.
***
De stad ligt voor me als een vat vol mogelijkheden. Lou is naar huis, naar diens eenpersoonskamer. Het is laat, over twaalven, op het pleintje voor de Sacré-Coeur is er zoveel licht dat het ochtend lijkt. Niks in mij heeft slaap, ik wil gewoon graag een plek zien die ik ken en daar is de Eiffeltoren al. Op een kleedje op de stoep. Tussen de andere ansichtkaarten. Twee voor vijf euro. Ik denk aan mijn oma. Hoe ik altijd haar adres vergeet. Hoe ik haar steeds opnieuw om haar adres moet vragen. Hoe mijn kaartjes nooit als verrassing op haar deurmat liggen. ‘Ik voel me voor het eerst in mijn leven vrij,’ had ze gezegd, twee maanden geleden. Zes jaar na het overlijden van haar tweede man. Een paar dagen daarvoor had mijn moeder me toevallig toevertrouwd dat ze zich voor het eerst in haar leven dochter van mijn oma begon te voelen.
Anderhalf uur later lig ik in mijn eenpersoonsbed, op mijn eenpersoonskamer aan de rand van Parijs, en vraag me af of ik me dat voel, dochter, en zo ja, of ik me dochter van mijn moeder voel of meer dochter in het algemeen. En kleindochter? In mijn beleving begint onze familiegeschiedenis pas bij de geboorte van mijn oma. Over wat er daarvoor gebeurde heeft nooit iemand met een woord gerept. Wanneer ik mijn oma voor het eerst over Abby vertel, reageert ze zo volkstrekt normaal dat ik me afvraag of ik niet liever had gewild dat ze er gewoon een vraag over had gesteld.
Door de gordijnen zie ik het ochtendlicht. Ik val niet in slaap, had graag nog wat nagedacht over de relatie met mijn vrouw-zijn, maar mijn gedachte botsen steeds op een of andere onzichtbare muur. Mannen kijken me niet na op straat. Nooit gedaan. Ik krijg veel complimenten over mijn borsten, dat wel, maar die zitten daar gewoon. Ik heb daar niks voor gedaan.
Het zou me niks verbazen als ik op een ochtend mijn borsten op mijn nachtkastje aantref
Max zei ooit dat ze hingen. Achter mijn rug om, in de vierde klas van het middelbaar. Dat nieuws bereikte me tijdens een les Nederlands. Ik stak mijn vinger op, vroeg of ik naar het toilet mocht. In de spiegel zag ik niets hangen. Gewoon twee objectieve feiten die volstrekt hun eigen gang gingen. Het zou me niks verbazen als ik op een ochtend mijn borsten op mijn nachtkastje aantref. Aangekleed en wel, met de boodschap dat ze er even tussenuit gaan, een week ofzo. Ik hoef verder niks te doen, ze hebben zelf een out-of-office ingesteld.
***
We nemen de metro. Alle gelijkgestemden op een kluitje, op weg naar een feest in een buitenwijk. Ik leun tegen een klapstoeltje. Mijn blik valt per ongeluk op een naaktfoto op de telefoon van de man naast me. Hij duwt zijn telefoon dichter tegen zijn hoofd. Even denk ik dat hij ‘m in zijn mond zal stoppen.
Mijn blik valt op twee mannen die tegen de ijzeren paal in het midden van de tram geleund staan. Ze zoenen. Hij die met z’n stoppelbaard langs m’n wang schuurt, met z’n tong ruwe tong via m’n nek naar beneden richting… Of die ander die me strak aankijkt terwijl hij z’n spijkerbroek openritst… Of misschien allebei? Zou ik allebei kiezen? En ik, die… kijk? Zoals Abby graag kijkt naar dingen die zij zelf niet mee kan maken? Het allerliefst kijkt Abby naar twee mannen die elkaar hevig nemen in een gehuurde, leegstaande loft. De eerste keer dat ik haar betrapte, met een knalrood hoofd achter haar scherm, had ik haar voorzichtig gevraagd of dit iets zei over haar verlangen in de echte wereld. Abby vond mijn vraag totaal bizar.
Lesbie is een woord waarvan ik de ingang niet vind
Achter mij hoor ik Lou tegen drie gelijkgestemden in glitteroutfit zeggen dat je lesbie zou kunnen zien als genderidentiteit. Lou draagt een lichtblauwe cape en bokshandschoenen. Het ziet er extreem ongevaarlijk uit. ‘Slay,’ hoor ik één van de glitteroutfits antwoorden. Ik probeer mijn gedachten te ordenen, te begrijpen waarom ik de hele tijd overal onderdoor glip, ook onder de term lesbie, het is een woord waarvan ik de ingang niet vind.
Lou danst op de bar. Lou koopt bubbelthee bij een toeristisch kraampje op het Place du Tertre. Lou staat bovenaan de trappen bij de Sacré-Coeur, koopt een kleine dildodiscosleutelhanger en stopt hem in mijn broekzak. Lou zegt: ‘Je doet het niet goed. Je moet niet op die bubbels kauwen. Dat hoort niet. Laat ze smelten op je tong. Wacht tot je de bubbel diep in je buik voelt.’ Lou’s vingers in mijn broekzak, spelend met de dildodiscosleutelhanger. Lou onder de dekens van mijn eenpersoonsbed, ik onhandig tegen de muur, me verontschuldigend voor de berg kleren die ongecoördineerd uit mijn koffer puilt. Lou’s vingers in mijn mond.
Lou danst op de bar. Slaat met hun bokshandschoenen bellen uit de lucht. Iemand tikt op mijn schouder. ‘Est-ce que vous avez envie de danser ensemble?’ ‘Zeg maar jij!’ roep ik terug. ‘Quoi?’ ‘Zeg maar gewoon…’ ‘Quoi?’ ‘Zeg maar gewoon hen, weet je, of die, of… Zeg maar gewoon wat je wilt!’
Ik voel aan de bobbel in mijn broekzak, denk aan Abby. ‘Jij bent altijd degene die weggaat,’ zei ze, vlak voordat we afscheid namen. Soms denk ik dat Abby bang is dat ik haar in de steek zal laten voor een man. ‘Ik wil geen experiment zijn,’ zei ze, toen ik de inhoud van mijn koffer leegde in haar kast. Ik moet haar nog antwoorden. Dat ze zich daar echt geen zorgen over hoeft te maken.
Deze tekst kwam tot stand tijdens de jaarlijkse schrijfresidentie van deBuren in Parijs.


















