‘Het begon met een gat, een gat in de zon.’ Terwijl de opa van Jung-hoo blind wordt, verdwijnt de zon langzaamaan uit de lucht. Met deze alternatieve geschiedenis duikt Siep Hendriks in de commercialisatie van het leven, de mens en diens karakter.
Niets verdwijnt ineens, zonder voorteken of waarschuwing. Zo ook de zon niet.
Het begon met een gat – een gat in de zon – ongeveer de grootte van een zandkorrel.
Wetenschappers kwamen al snel met de ‘minuscule eclips’-theorie, die suggereerde dat een nog onbekend hemellichaam voor de zon was geschoven, te klein om haar volledig te eclipsen, maar groot genoeg om met het blote oog te zien.
Het gat groeide tot de grootte van een golfbal.
Zij die in een Schepper geloofden, als die groep al onder één noemer te vangen is, concludeerden dat God ons kwam straffen voor onze zonden. En ditmaal was er geen timmerman in de buurt om aan een kruis te nagelen.
Het gat groeide tot de zon nog het meest leek op een halve maan.
Meneer Ŏm uit Seoul, de grootvader van Ŏm Jung-hoo die de meest gruwelijk gedetailleerde verhalen over de Koreaanse Oorlog kon vertellen, observeerde dat het gat in de zon ontstond op de dag dat hij zijn zicht begon te verliezen en concludeerde dat de grote vuurbal helemaal weg zou zijn op de ochtend dat hij blind wakker werd.
Het gat verzwolg de zon. De verklaring van de inmiddels blinde meneer Ŏm kwam het dichtst in de buurt.
‘Hoe doet u alles in het donker, opa?’
‘Hetzelfde als daarvoor.’
Ŏm senior werd drieënnegentig. De bescheiden crematie werd gehouden in een uitvaartcentrum even buiten de binnenstad, bij kaarslicht. Meer lichtbudget was er niet.
Licht.
Warm licht.
Het soort dat je omvat in een omhelzing, dat alles giet in goud. Iets met pas weten wat je hebt als je het mist.
De eerste haardvuurclub was een publiciteitsstunt. De tweede een vleiende copycat. Daarna veranderde het al snel in een noodzaak. Haardvuurclubs. Halogeen dimlicht in huizen. Draagbare daglichtlampen. Het ging men niet zozeer om kunnen zien, en ook niet om de temperatuur – de mens heeft zich wel aan erger aangepast – maar om het niet te duiden, onmiskenbaar logge gevoel dat íéts ons verlaten had. Ons grote, gezamenlijke, onbetwistbare onderwerp van aanbidding. Haar warmte was een gemis dat direct voelbaar was – en de meesten verruilden die dag hun open hart voor een allesverslindende honger.
‘Lichthonger’ werd het genoemd. In eerste instantie een online grap, maar al snel een serieuze medische uitdaging. Een verergerde vorm van seizoensdepressie, met als resultaat duizenden lamlendige mensen, die traag voortbewogen.
‘Precies hetzelfde?’
‘Niet helemaal. Je moet de kruiswoordpuzzel aan me voorlezen.’
De meesten verruilden die dag hun open hart voor een allesverslindende honger
Ŏm Jung-hoo studeerde accountancy toen zijn grootvader overleed en bleef accountant na zijn afstuderen. Hij werkte voor een firma in het centrum van Seoul. Hij ervoer de zonloze wereld voornamelijk vanachter zijn bureau in het kantoorpand, dertienhoog, waar hij gezelschap werd gehouden door het wiebelende Spidermanfiguurtje naast zijn desktop. Vanachter dat lichtgrijze bureau zag hij de opkomst van de haardvuurclubs en de groeiende behoefte aan Lux, een medicijn dat beloofde dezelfde vitamines toe te dienen als de zon had gedaan tot aan die noodlottige dag in 2009. Jung-hoo wist, natuurlijk, wat de échte reden was voor het verdwijnen van de zon – maar die hield hij dichtbij zich. Hij keek naar de wereld, naar Lux, een lichtroze pilletje zo groot als een halve pinknagel, en naar zij met lichthonger. Een paar mensen op zijn kantoor leden aan lichthonger, sommigen gediagnosticeerd door een dokter, anderen door zichzelf en het wijze internet.
Waar iedereen manieren zocht om met het verlies om te gaan – een verlies van iets dat nooit van ons geweest is, ook nog – vroeg Jung-hoo zich vooral af of de leegte die men voelde er niet ook al was geweest toen de zon nog in de lucht hing.
‘Waarom was er eigenlijk oorlog, opa?’
‘Mensen moeten betekenis hebben, denk ik. Een van de makkelijkste manieren om dat te krijgen is geloven dat ‘de ander’ jouw betekenis afpakt. Én die van je land.’
‘Haal het licht van de zon nu nog makkelijker naar binnen met Lux Light,’ stond er op een billboard op de route die Jung-hoo treinde en wandelde naar zijn appartement in Gwanak-gu, een wijk in het zuiden van de stad. Een cartooneske afbeelding van de zon lachte hem toe. Hij bleef in een opwelling staan. Sloot zijn ogen. Stelde zich voor dat hij het schijnsel van het LED-scherm op zijn gezicht voelde. Op de huid van zijn armen zelfs, dwars door zijn jas heen. Hij stelde zich voor dat hij de zon kon voelen.
Het enige vergelijkbare was het warme gevoel van vuur. Niet zoals in de haardvuurclubs, waar hij een of twee keer met collega’s was geweest en waarvan hij vermoedde dat de warmte voornamelijk kwam van het hoog stoken van de verwarming, omdat de vuren de helft van de tijd op schermen flakkerden, maar écht vuur. De vuurtjes die soms in steegjes of op daken van appartementencomplexen werden gebrand.
Het vuur waar zijn grootvader in was verdwenen.
Jung-hoo wist niet hoe hij aan mensen moest uitleggen – aan zichzelf – dat hij het gemis van de zon pas had gevoeld toen Ŏm senior weg was. Dus zei hij maar niets. Liep hij door.
Om haar blote knieën lag een kerkhof van opgebrande lucifers, hun doosjes als leeggeroofde doodskisten
‘De Zestienjarige Nacht,’ was de kop in het tijdschrift dat op het barretje bij de keuken lag. Jung-hoo legde zijn tas in het daarvoor bestemde mandje onder de bar. Zijn vriendin, Hye-su, leefde volgens de overtuiging dat iets niet telde als rommel wanneer je het niet zag.
‘Hye-su-ya, waar zit je?’ vroeg Jung-hoo, terwijl hij zijn schoenen uitdeed en bij de deur zette. Hij vond haar in de slaapkamer, bij het hoge raam. De regen tikte zachte strepen op het glas, dat van onderen verlicht werd door elektronische straatlantaarns. Hye-su hield een lucifer tussen twee vingers en staarde gebiologeerd naar het vlammetje. Om haar blote knieën lag een kerkhof van opgebrande lucifers, hun doosjes als leeggeroofde doodskisten.
Jung-hoo knielde achter haar neer, zodat hij zijn beide armen om haar schouders kon vouwen zonder haar te storen in wat ze deed. Hij wist wel beter. Lichthonger. Jung-hoo had ergens gelezen dat het vóór 2009 gewoon ‘depressie’ werd genoemd – en vroeg zich opnieuw af waar het nut in dat onderscheid lag. Iemand voelde zich leeg, zonder licht of warmte. Dát was het probleem.
‘Hoeveel vandaag?’
‘Drieënveertig,’ fluisterde Hye-su tegen het vlammetje.
Jung-hoo plantte een voorzichtige kus in haar nek. Hij kende haar van school – ze was eindeloos slimmer, liever, en op alle vlakken een beter, meer empathisch mens dan hij – en was direct verliefd op haar geworden. Alsof je in je vingers knipt. Hij moest zich er dan ook dagelijks van weerhouden om niet van frustratie iets kapot te gooien; want waarom was zij gereduceerd tot een hoopje mens met brandwondjes rond de duim en wijsvinger, en bleef hij ongedeerd?
‘Heb je honger?’ vroeg hij. Tegelijkertijd bracht hij zachtjes zijn hand naar de hare en nam de lucifer van haar over. Hij blies hem niet uit – hij zou haar nooit van haar licht beroven – maar stond het kleine vlammetje toe om de bovenste laag van zijn huid te schroeien tot het uiteindelijk opgaf en doofde.
Hye-su keek ernaar. ‘Vierenveertig,’ zei ze. En toen: ‘Ja.’
Jung-hoo glimlachte en drukte een kus op haar wang. Sommige dagen was zelfs het idee van een maaltijd te veel, dus dit was goed nieuws. Fantastisch nieuws.

‘Wat mis je het meest aan kunnen zien, opa?’
‘Definitief alleen kunnen zijn, zonder dat ik me afvraag of het wel écht zo is.’
Op maandagen ging Hye-su naar haar moeder in de Hongdae-wijk, en at Jung-hoo alleen. Vroeger ging hij mee, maar sinds mevrouw Yoon Hye-sung was begonnen met het slikken van Lux Light supplementen – en die ook fervent aan haar dochter bleef aanraden – vond Jung-hoo het moeilijk om met de oudere vrouw in dezelfde ruimte te zijn én beleefd te blijven.
‘s Maandags at hij altijd bij de 7-Eleven. Hij genoot ervan: het niet hoeven koken, de felle lichten, het gezoem van de ijskasten. De smaak van instant noedels, pittiger dan hij in de keuken voor elkaar kreeg. Een drankje met te veel suiker. Na zijn maaltijd – Samyang Buldak en felblauwe limonade – ruimde hij zijn dienblad op en liep hij het halletje in dat zowel leidde naar het krappe toilet als naar een opslagruimte die alleen voor personeel bestemd was.
Er ademde iets in de opslagruimte
De deur naar de opslagruimte stond op een kier. Jung-hoo wilde erlangs lopen, maar iets hield hem tegen. Er zoemde iets achter de deur en er viel een warm, goudgelig schijnsel door de kier naar buiten. Een daglichtlamp? Nee, het zoemen was niet het zachte gebrom van elektriciteit; het was het zoemen van een levend iets, als van een bijenkolonie of bloed dat door aderen suist. Jung-hoo’s mond was ineens kurkdroog. Hij stond aan het eind van de gang, één been op de drempel richting het toilet, en luisterde.
Er ademde iets in de opslagruimte.
Nee, dat was het niet. Het was geen ademen, en ook geen zoemen of suizen. Hij kon het niet beschrijven en precies dat jaagde hem angst aan.
Je kan ook thuis naar de wc, dacht hij nog.
Jung-hoo duwde de deur naar de opslagruimte wat verder open en stak zijn hoofd naar binnen. Wat hij zag, verblindde hem.
Zich razendsnel en huiverig bewust van het geheim dat zich in deze 7-Eleven opslagruimte schuilhield, haastte Jung-hoo zich naar binnen en sloot de deur.
‘Oké,’ prevelde hij – hij had al niet meer gepreveld sinds zijn moeder hem duidelijk had gemaakt dat prevelen het onbeleefde kleine zusje van mompelen was. ‘Oké. Oké.’
In de hoek van de opslagruimte, naast een dweil en een rode emmer, hing de zon. Ze was gekrompen tot ongeveer de grootte van zijn vuist, en zweefde een stukje boven de tegelvloer. Ze straalde een onmogelijk warm, gruwelijk aangenaam licht uit – een licht dat hij enkel vaag herkende, uit zijn jeugd.
Jung-hoo zat half gehurkt en bevroren tussen de dozen voorraad. Hij keek naar de zon. En toen, waardoor hij omviel en op de tegelvloer belandde, sprak de zon. Haar stem was zacht en hard, en hij hoorde deze zowel via zijn oren als in zijn hoofd. Jung-hoo moest op zijn tong bijten om niet te gillen.
Ze zei: ‘De kleinzoon.’
‘Wat? U… wát?’
‘Ik ben blij dat jij me hebt gevonden, van iedereen die het had kunnen zijn.’
Langzaam, met een trilling in zijn knieën die hij liever negeerde, kwam Jung-hoo overeind en kroop dichterbij over de tegels. ‘Bent u echt?’
De zon reageerde niet. Waarschijnlijk had ze geen tijd voor domme vragen – of gaf ze hem eventjes om vrede te sluiten met het bestaan van meer tussen hemel en aarde. Hij had misschien langer nodig dan ‘eventjes’.
‘U bent al een tijdje weg.’
‘Alle ogen sluiten zich.’
‘U bent een oog?’
‘Een ‘hemellichaam’ heeft een oog. Twee, zelfs. Ik ben veel dingen.’
Jung-hoo was nu zo dichtbij dat hij de zon zou kunnen aanraken. Met dezelfde voorzichtigheid als waarmee hij Hye-su’s lucifers overnam, sloot hij zijn beide handen om de onderkant van de zon. Ze was aangenaam warm op zijn huid.
Liegen tegen de zon voelde onnozel
‘Wat ga je met me doen, Ŏm Jung-hoo?’
‘Ik wilde u teruggeven,’ bekende hij. Liegen tegen de zon voelde onnozel, zeker wanneer zij zijn naam kende zonder dat hij deze had uitgesproken.
‘Is dat wijs?’
‘Denkt u van niet?’
‘Wat denk jij?’ De zon, de gloeiende bal vuur in zijn handpalmen, lag daar rustig en wachtte op zijn antwoord.
Jung-hoo wist het niet. ‘De mens is ongelukkig zonder u-’
‘Jou.’
Hij begon te ratelen – iets wat zijn moeder ook ten strengste had verboden nadat hij haar zeven keer opnieuw had uitgelegd hoe brandweerauto’s van binnen zijn ingericht – en kreeg zijn eigen woorden maar half mee. ‘De mens is ongelukkig zonder jou. Mensen hebben lichthonger, ze slikken pillen en kopen lampen, alleen maar om dichter bij jou te zijn. Om te doen alsof ze jou nog hebben.’
De zon luisterde.
‘Als ik je terugbreng, en je wordt weer groot, is er een kans dat de mens gelukkig wordt. Dat dít ongeluk weggaat. Maar het kan ook zomaar zijn dat je, net als de Lux-pillen en de daglichtlampen, een prijs wordt. Iets waar mensen over vechten, om maar een stukje van je te hebben. Misschien word je wel geveild. Misschien gaan mensen wel weer oorlog voeren – als er al miljoenen doden vallen vanwege oplosbare dingen, hoeveel willen er dan vechten voor de zon?’ Jung-hoo stopte enkel met praten omdat hij buiten adem was. Zijn hartslag bonsde in zijn slapen. Hij voelde een blinde angst – een angst voor geweld zonder naam, voor de verhalen van zijn opa, voor eenieder die zich dit licht wilde toe-eigenen.
‘Misschien wel,’ antwoordde de zon.
‘Ik kan dit niet beslissen,’ bekende hij. Hij was maar een accountant. ‘Ik ben maar een accountant.’
‘En nu, Ŏm Jung-hoo?’
‘Ik…’ Jung-hoo dacht. Aan Ŏm senior, aan de crematie. Aan vuur. Lucifers. ‘Wil je, om te beginnen, mee naar mijn huis? Ik wil je aan iemand voorstellen.’
‘Om te beginnen,’ antwoordde de zon.
Siep Hendriks schrijft en vertelt verhalen, en hoopt dat over vijf jaar nog steeds te doen. Dan zijn er meer boeken, meer (online) TTRPG-avonturen, meer gave, vreemde projecten. En dan heeft Siep een tweede kat.
Hannah van der Heide is een interdisciplinair maker die inspiratie put uit flora en fauna. Over vijf jaar heeft ze een franse oude stal als atelier en een moestuin vol zonnebloemen en oost indische kers.


















