'Ontvreemd en onthéémd,' schrijft Imane Karroumi El Bouchtati over de Riffijnse sieraden waarmee ze haar identiteit tastbaar wil maken. Ze zoekt er koortsachtig naar, maar geld, zeldzaamheid en grijpgrage witte handen zitten haar dwars. Wat betekent dit zilver voor haar, en hoe krijgt ze het terug waar het hoort?
Tmettigh x tseghnas (1)

Tijdens de gastarbeidersmigratie vanuit de Rif in de late jaren zestig verlieten mijn grootouders hun huizen zonder inboedel. Net als veel andere Riffijnen verkochten ze hun oude zilveren juwelen tot een spaarpotje om de benauwende reis naar België te verzachten. Anderen lieten hun sieraden omsmelten tot plakkerige blokken zilver of verkochten ze aan nieuwsgierige iromiyen (2).
In de late jaren negentig nam het toerisme vanuit Europa naar Marokko toe. Daardoor kwamen de sieraden vaak in witte, Spaanse handen terecht, waarna ze belandden in een circuit van jongemannen die deze stukken overerfden na een lang ziekbed van hun vader, en trotse, witte, oudere vrouwen die met gestolen zilver pronken op Facebook.
‘My apologies. I don’t sell pieces from my collection. It took a lot of time to gather all these Riffian pieces. I’m planning on organising an exposition as a side gig later on. I thank you for your understanding!’ vertaalt de app van het Spaans naar het Engels.
Ongeveer vijftien jaar later, rond 2005, steeg de prijs gigantisch. Een antiek juweel dat in Marokko goedkoop werd verkocht aan witte toeristen werd voor tien keer meer verkocht aan andere witte verzamelaars. Nog twintig jaar later probeer ik, een filosofiestudente en schrijver met Riffijnse roots, vanuit Vlaanderen op een antiquairsite tevergeefs een paar honderd euro van een tambrist (3) uit mijn moeders stam (Ait Touzin) weg te onderhandelen met een gepensioneerde, Amerikaanse vrouw. Mijn ongevraagde geschiedenislesje werkt averechts, ze blijft er twee maandlonen voor vragen.

Riffijnen en repressie
Ruim tachtig procent van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland en België is van Riffijns-Berberse afkomst. De Riffijnen onderscheiden zich zodanig van de rest van Marokko dat je ze niet zomaar kan vergelijken met andere Marokkaanse Berbergemeenschappen. Taalkundig behoren ze grotendeels tot een andere Berberconfederatie, de Zenata, met nauwere verwantschappen in het noordoosten en noordwesten van Algerije. Ze wonen voornamelijk in het bergachtige noorden van Marokko, de Rif, een geografische ligging die eeuwenlang tot isolatie heeft geleid. Deze afzondering heeft bijgedragen bij aan het behoud van hun cultuur, die gekenmerkt wordt door een hechte tribale structuur en een uitgesproken onafhankelijkheidsgevoel.
Bovendien hebben de Riffijnen een rijke verzetsgeschiedenis door de verdediging van hun land tegen indringers, zowel vanaf de zee als vanuit het Marokkaanse binnenland. Het verzet, het verweer, de weerstand heeft het strijdlustige karakter van dit gemarginaliseerde bergvolk vormgegeven. Ze spreken Tarifiyt, ook wel Tarifect genoemd. In (academische) werken van onderzoekers die tijd hebben doorgebracht in de Rif, wordt het Tarifect soms als ‘inferieur’ beschouwd ten opzichte van andere Berbertalen. Het zou te boers klinken en moeilijker te transcriberen zijn. Ook in andere Berbergemeenschappen heeft dat stereotype van de Riffijnse taal bestaan.
Terwijl ik naar manieren zocht om die identiteit letterlijk en tastbaar te dragen, liep ik tegen muren aan
Riffijnse juwelen
Na lang zoeken en Spaanse bibliotheken overhoop te hebben gehaald, heb ik eindelijk een exemplaar gevonden van Las Joyas del Rif en el ambito de la ciudad de Melilla – het énige boek dat uitsluitend Riffijnse juwelen behandelt. De sieraden die Berbervrouwen uit de Rif droegen getuigen van een bijzondere culturele kruisbestuiving: ze zijn doordrenkt van eeuwenoude Berberse symboliek, maar werden vervaardigd door ambachtslieden uit de Sefardisch-Joodse gemeenschap. Nadat ze in 1492 uit Spanje werden verdreven, vestigden velen van deze Joodse zilversmeden zich in Noord-Afrika, bijvoorbeeld in Melilla (4). Ze produceerden een breed scala aan sieraden, van fibula’s (mantelspelden die ook als sieraad dienen) en borstversieringen tot complexe halssieraden zoals de tambrist. Materialen als zilver, koraal en barnsteen werden niet alleen esthetisch gebruikt, maar werden ook gedragen vanwege hun beschermende betekenis. Riffijnse juwelen fungeerden als statussymbool, konden onderdeel zijn van de bruidsschat en werden door sommigen beschouwd als amuletten tegen het kwaad.
Fibula’s en borstamuletten uit de Rif hebben een unieke vorm die je nergens anders in Noord-Afrika zo vaak tegenkomt, namelijk die van de schildpad. De icfar, letterlijk ‘schildpad’ in het Tarifect, dragen Riffijnse vrouwen in het midden van hun borstkas en werd weelderig versierd met munten. De vorm van de schildpad, een teken van bescherming, weerspiegelt de verwevenheid van Berberse en Joods symboliek in de Rif.

In witte handen
Mijn zoektocht naar antieke Riffijnse sieraden begon nadat ik de resultaten van mijn DNA-test bij 23andMe ontving: honderd procent Noord-Marokkaans Berbers. Terwijl ik naar manieren zocht om die identiteit letterlijk en tastbaar te dragen, liep ik tegen muren aan. Antieke Riffijnse stukken zijn niet alleen zeldzaam. Als je ze vindt, zijn ze doorgaans in het bezit van witte verzamelaars die er nauwelijks iets over kunnen vertellen. Het werd pas een lichte obsessie toen ik mijn eerste paar tiseghnas (5) in handen kreeg. ‘Betoverd’ is een woord dat het dichtst komt bij wat ik op dat moment voelde. Het was alsof ik, op de een of andere manier, de onvertelde verhalen van mijn moeders moeder aanraakte. Haar herinneringen blijven helaas onverteld doordat rijke, witte handen zich niet kunnen beheersen.
Op ‘geverifieerde’ antiquairsites en tweedehandsapps vind je Riffijns-Berberse juwelen onder noemers van ‘boho’, ‘bohemian’, ‘berber’, ‘berbère’, ‘ethnic’, ‘chic’ en ‘gypsie’. De barbarij van de Berbers lijkt niets anders te verdienen dan een oriëntalistische parapluterm die nieuwsgierige witte vrouwen dragen als de zon te fel schijnt. Ook Imazighen (6) en Noord-Afrikanen zelf trappen erin. In mei 2024 op een groot evenement in Parijs bijvoorbeeld, gewijd aan en gedragen door Amazigh-vrouwen en influencers van de diaspora. Daar droeg een van de presentatoren een gesimplificeerde versie van een bekende Afghaanse ketting die overal op het internet onder ‘bohemian’ en ‘berber’ te koop staat. Het was niet de eerste keer dat ik een Arabischsprekende Marokkaan of Berber voorbij heb zien lopen die zich met Afghaanse of Jemenitische juwelen Berbers probeerde te presenteren.
Ik vind dat moeilijk. Ondanks het werk van berberofobe geschiedenisvervalsers op het internet en de versnippering van academische informatie rond de Berbers, kan iedereen minimaal onderzoek doen om er toch een beetje over te kunnen spreken. Tijdens je middagpauze op het werk, bijvoorbeeld, kun je een twintigtal minuutjes in een toilethokje googelen naar documenten, afbeeldingen of andere bronnen om het onderscheid tussen Amazigh en Midden-Oosterse juwelen te kunnen maken. De leefwerelden van onze grootouders verdienen op zijn minst (op)gezocht te worden. In de plaats daarvan worden ze in de influencerwereld gegoten in lege marketingcampagnes en, wat ik noem, fast food fallow culture festivals.
Ontvreemd en onthéémd
Bloed, zweet en tranen
Ikzelf verzamel al twee jaar antieke Riffijnse juwelen en moeilijk verkrijgbare boeken en documenten over de Rif. Ramen-noodles en opgewarmde stukken bevroren kip vullen mijn maag wel, maar enkel een tisighnast kan mijn honger stillen. Het heeft me, letterlijk, duizenden euro’s van mijn studentenloontje, bloed, zweet en tranen gekost – en dat met héél veel plezier.
Tiseghnas hebben, zoals elk ander soort fibula, een speertje dat je doorheen je stukken kleding of textiel prikt. Als ik een pakketje open, steek ik met een andere tisighnast het kartonnen postdoosje neer en grijp ik agressief naar mijn nieuwe stuk Riffijns zilver. Uiteraard steek ik in dat proces soms een vinger in de plaats van een stuk stof neer. ‘Bloed’ mag afgevinkt worden.
Ik heb in de hitte moeten lopen voor treinen en bussen om mijn pas aangeworven schildpadhangers, mijn eigen icfarn, af te halen in het noorden van Frankrijk. ‘Zweet’ mag afgevinkt worden.
Elke dag – aan mijn bureau, op de grond of onder mijn badjas die ik als deken gebruik – zwerf ik online in Facebookgroepen, tientallen verkoopwebsites en chats van juwelenhandelaars. Ik zie dagelijks witte mensen pronken met tientallen kilo’s juweel uit regio’s waarvan de inheemse mensen ze niet kunnen terugkopen. ‘Tranen’ mag afgevinkt worden.

Zorg en zilver
Riffijns verzet tegen huidige postkoloniale tendensen is ook in het culturele erfgoed verweven. Riffijnse juwelen zijn met weinig, dragen een geschiedenis van koloniale buit en worden bedankt door op het internet beplakt te worden met gypsie-hashtags, bohemian-titels en ethnic-koppen. Zelfs door kleinkinderen van Riffijnse gastarbeiders worden ze niet herkend en zo belanden ze in vochtige kelders van Spaanse gepensioneerden. Er is niet alleen sensibilisering nodig, maar ook een concreet plan om Riffijnse stukken terug in eigen handen te krijgen. Zonder een plan van repatriatie komen zeldzame stukken terecht op keukentafels waar ze worden ontbonden en gepuzzeld tot valse constructies waar enkel een witte vrouw van kan genieten. Van Amerikaanse basisschooljuffen naar Italiaanse geschiedkundestudenten tot Spaanse boekhandelaars. Hun woonkamers en vitrines laten geen centimeter ruimte vrij – overal liggen stukken ontbonden en onthéémde juwelen. Riffijnse kettingen rusten op de voorhoofden van Nigeriaanse maskers van de Yoruba en tiseghnas worden gedragen als kettingen aan de nek van een buste van Shiva. Ontvreemd en onthéémd. Ze zijn overal en vooral op plekken waar ze niet horen te zijn. Ze zijn nergens voor de inheemse hand.
Hoewel ik mijn plan niet openlijk uiteen wil zetten, verklap ik je wel één strategie. ‘Praat witte verzamelaars op een subtiele manier een licht schuldgevoel aan.’ Dat dat een kleine obsessie is geworden, daar schaam ik me niet voor. Mijn honger naar nieuwe Riffijnse sieraden is zo enorm dat het me blijft consumeren. Wanneer je honger hebt ben je jezelf niet, denk ik dan. En terecht, want voor derdegeneratie-Riffijnen in België en Nederland resten alleen nog droge St Georges-koeken. Mijn verzamelwoede is niet alleen een culturele missie, maar ook een persoonlijk traject.
In februari 2019 viel ik psychiatrisch ernstig ziek. Gedurende die zes jaar heb ik niets anders kunnen doen dan het hoofd boven water houden in de plaats van op te hangen. Omdat ik doorheen die zoektochtjaren alsmaar zieker werd, kon ik niet meer concreet onder woorden brengen waarom ik weer hulp zocht. Na elk gebed in mijn kliniekkamer doe ik mijn Yaz-ketting (7) weer aan. Het is een herinnering aan mijn waanidee dat heimweeachtige tiseghnas de komende jaren, koste wat het kost, bij mij zullen thuiskomen. Aan God is alles al gevraagd. Een weg uit huiselijk geweld. Een weg uit depressies. Een weg uit chronische vermoeidheid. Troostjuwelen. Ik kan alleen hopen dat Zijn antwoorden mij overkomen als stilling van mijn twee grootste hongersnoden: zorg en zilver.

Als je gratis toegang wil tot academische documenten over de Rif, kun je terecht op de website van een goede vriend: www.tarifiyt.com. Mijn Instagrampagina waar ik stukken uit mijn collectie toon luidt @Tagheddiwt.
(1) ‘Ik snak naar tiseghnas’ in het Tarifect.
(2) ‘Westerling’ in het Tarifect. Letterlijk: ‘Romein’.
(3) Een Riffijnse ketting met kralen, munten en vierkante hangers.
(4) Las Joyas del Rif door Claudio Barrio
(5) Riffijns-Berberse fibulae in de vorm van een schildpad. Enkelvoudig: tisighnast.
(6) Hoe de Berbers zichzelf noemen. Amazigh: ‘de vrije man’.
(7) Yaz verwijst naar de letter ‘Z’ in het Berbers alfabet en is het symbool van de Berbers.
Foto's uit privécollectie Imane Karroumi El Bouchtati.

Imane Karroumi El Bouchtati krijgt in 2030 van iemand een donatie van €16578. Elke cent daarvan spendeert ze aan Riffijnse juwelen.
Agathe Boudry is een kunstenares uit West-Vlaanderen met een dubbele nationaliteit van Frankrijk en België, en werkt met acryl op canvas. Het schilderen gebeurt vooral uit plezier en intuïtie, zonder dat ze zich laat beperken door vaste regels. Perspectief, schaal en conventies worden bewust losgelaten om ruimte te geven aan vrijheid en expressie.


















