‘Soms mis ik de magnetron / soep uit blik / ingevroren aardappels in partjes.’ Middels essay en poëzie illustreert Martijn van Bruggen met stekende precisie het verband tussen voedsel en klasse en wat het betekent je aan te moeten passen naar hiërarchisch geladen verwachtingen.
Ik denk dat een dolk in je rug zo moet voelen: je hebt gekookt, schept het eten op je bord, gaat aan tafel zitten, en je huisgenoot die geniet van haar zelfgemaakte ovenschotel lacht en zegt: ‘Jij maakt altijd kinderfeestmaaltijden.’ Je kijkt naar de goudbruine aardappelballetjes voor je, naar de twee vega-schnitzels waarvan er eentje tussen een wit pitabroodje steekt. De currysaus en de hawaii-saus die op z’n kop naast je bord staan. De DubbelFrisss in je glas. Je ziet dat ze gelijk heeft. Je huisgenoot heeft niet alleen een zin uitgesproken, ze heeft je ook nieuwe ogen ingedaan. Je dacht dat je je had aangepast door de aardappelballetjes te bakken in olijfolie, door een mokerdure surrogaat-schnitzel op basis van soja uit de schappen te pakken in plaats van een (wees eerlijk) lekkerdere kiloknaller, maar je valt weer door de mand.
Ik was achttien en de vlag kon uit: mijn moeder was eindelijk door de selectie van de voedselbank gekomen
Mijn huisgenoot, die van goede komaf is, laat (waarschijnlijk onbewust) door middel van een pijnlijke, hiërarchisch geladen opmerking blijken dat ik niet tot haar stand behoor. Want ja: ik ben opgegroeid in een sociale huurwoning bij een alleenstaande, werkloze moeder en het is welbeschouwd een godswonder dat we nu aan dezelfde tafel zitten. Door haar opmerking word ik met mijn neus op de feiten gedrukt dat we alleen letterlijk een tafel delen; metaforisch gezien ben ik vanaf mijn middelbareschooltijd al een heel eind opgeschoven, ben ik misschien al wel in hetzelfde restaurant beland, maar ga ik nooit de centrale plek krijgen die haar is toebedeeld. Daarvoor is onze jeugd te verschillend geweest, zijn al die generaties ervoor te verschillend geweest. Wat ik mijn leven lang zal doen is de habitus van mensen zoals zij proberen te ontcijferen, en hem me eigen maken. Zo krijg ik een ‘gespleten habitus’ waarin er twee Martijns bestaan: de oer-Martijn, die de zoon van zijn ouders is, en de middenklasse-Martijn, die soms vergeet dat hij een aangeleerde persoonlijkheid heeft en daar dan door vernederende situaties aan wordt herinnerd.
*
Ik was achttien en de vlag kon uit: mijn moeder was eindelijk door de selectie van de voedselbank gekomen. Het geldtekort was al jaren schrijnend, maar omdat ze weigerde haar ‘fulltime moederschap’ op te geven, had ze hiervoor geen recht op een uitkering, noch op de voedselbank. Ik was inmiddels gestapeld naar de vijfde klas van het vwo en ze werd dan eindelijk arbeidsongeschikt verklaard. Ze kreeg een uitkering en een cliëntnummer voor de voedselbank. Samen met haar ging ik iedere vrijdag op de fiets ernaartoe. De schaamte die ik voelde bij het buiten wachten in de rij, met een capuchon over mijn hoofd en met mijn vuisten in mijn zakken kleumend langs een openbare weg waarvan ik steeds vreesde dat er een klasgenoot overheen zou fietsen, kan ik maar niet kwijtraken. En dat terwijl de vrijwilligers zo vriendelijk waren, en we een hoeveelheid eten en drinken kregen waarmee we ons geen raad wisten. Het meeste was lang houdbaar, maar er zat ook groente tussen.
Mijn huisgenoot kent dat sentiment niet. Mijn huisgenoot heeft meer kookboeken dan ik recepten ken. Mijn huisgenoot lacht om aardappelballetjes
*
Bij ons thuis was in de loop der jaren het avg’tje veranderd in een av’tje: mijn moeder bakte een aardappelvariant uit het vriesvak (kroketjes, balletjes, rösti’s) en daarbij kregen we anderhalve diepvriessnack of, soms, als ze in de aanbieding waren, schnitzels of boomstammetjes. In de namiddag aten we altijd een bordje fruit en blijkbaar volstond dat: ik was nooit ziek en had geen merkbare vitaminetekorten. De voedselbank bracht me een nieuw idee van wat avondeten kon zijn en toen ik eenmaal als student op mezelf ging wonen, kwam alles in een stroomversnelling. Ik keek af bij mijn huisgenoten: begon met enkel pasta en pastasaus, durfde er later voorgesneden groenten bij te doen en ging op een gegeven moment de groenten zelf snijden. Van die maaltijden maakte ik foto’s die ik naar mijn moeder stuurde. Alsof ik een goed cijfer had gehaald voor een tentamen. Maar soms, als ik gestrest of druk ben, of gewoon geen zin heb om uitgebreid te koken, kom ik in een default-modus en maak ik wat mijn moeder altijd maakte. Dat voelt fijn, dat voelt vertrouwd; ik heb al zoveel schepen moeten verbranden om een middenklasser te worden. Mijn huisgenoot kent dat sentiment niet. Mijn huisgenoot heeft meer kookboeken dan ik recepten ken. Mijn huisgenoot lacht om aardappelballetjes.
*
Ik heb lang gedacht dat mijn moeders arbeidsongeschiktheidsverklaring een triomf was, dat ze degene die haar afkeurde om de tuin had weten te leiden. Dat het systeem te kraken was als je ieder jaar opnieuw maar dezelfde trieste rol speelde. Maar mijn huisgenoot heeft ze nooit ontmoet, en mijn toegenomen kookvaardigheden heeft ze slechts op foto’s ervaren. Als ik haar thuis opzocht wilde ze alleen nog maar een handje friet. Toen ze het geld kreeg, was haar geest op. Afgelopen januari overleed ze, op 64-jarige leeftijd. Ik bak mijn vega-schnitzels nu in haar koekenpan.

het dragen van een horloge is een pre
het is een mysterie
wie de planten water geeft
of de pauze is ingegaan
met het kraken van een rijstwafel
wie niet kan winnen
kan niet wagen en
honger heeft een geur
vraag maar in het oor van die vrouw
met dat klokje om haar pols
je vader je dacht
de zijne te rank
niet het metaal had de waarde
de tijd
daarmee vergeleken pa was
waardeloos de vrouw
draait haar hoofd af van jou
dit gedicht ontstaat terwijl ik op mijn pizza wacht
gewoon op bestelling
je denkt toch niet dat ik maker ben
trek
· over haar glad gelaat
· naar de deur
· vlaagt door de kantoortuin
· constant in je maag
pardon
hoe kan je nu weten hoelang de pauze duurt en of hij is
nee
ooit beginnen gaat
wee
soms mis ik de magnetron
soep uit blik
ingevroren aardappels in partjes
soms mis ik mijn handen
de warmte
het vet
een keukenrol afwikkelen
vegen langs de mond
schone stukken selecteren
doe het voor gisteren
toen er geen restjes waren
in van lucht ontdane bakjes
de schaar in een servet ging
voor morgen
om te overbruggen
kreeg ik meestal precies genoeg
en soms te weinig
al mijn schoolvrienden groeiden als kool
ik denk dat sommige groenten
sterven bij vrieskou
sommige jongens kunnen niet ademen
zonder wolkjes uit te slaan
Martijn van Bruggen (1999) is over vijf jaar literair agent / acquirerend redacteur, toe aan zijn tweede boek en kaal. Feyenoord is net kampioen geworden en wat hij vijf jaar geleden over zichzelf schreef, vindt hij naïef.
Daan van Bommel staat over vijf jaar tot zijn knieën in de modderpoel van de actualiteit. Gewapend met makerschap verbeeldt hij ingewikkelde of polariserende onderwerpen met een knipoog om het gesprek te starten met lach en optimisme.


















