In dit openhartige en genuanceerde essay deelt Sharon van Oost haar twijfels bij het grootbrengen van een jongen in deze vrouwonvriendelijke wereld. Hoeveel ruimte zal ze hem geven? Heeft ze zijn gender niet al te veel bepaald? Hoe kan ze hem helpen om zelf uit te vinden wat mannelijkheid voor hem betekent?
Of ik hem wil vasthouden, vraagt hij met zijn zelfbedachte woorden, die ik inmiddels vaak genoeg heb gehoord om ze te begrijpen. Mijn mondhoeken gaan omhoog bij het horen van dat taaltje dat alleen van hem is, en dat hij met me wil delen. Ik til hem van de grond. Ruim vijftien kilo weegt hij inmiddels. Een arm is binnenkort niet meer voldoende om hem comfortabel te dragen. Hij wil dat ook minder vaak. Liever loopt hij zelf. Nu is hij nog makkelijk bij te sturen, maar dat zal veranderen. Eerder dan ik wil.
Ik wilde geen moeder worden van een jongen. Of beter gezegd: niet van de man die hij mogelijk wordt. Ik weet nog dat de echoscopist vertelde over zijn sekse. Dat ik haar lippen zag bewegen, maar vooral ruis hoorde. Alsof de noise cancelling functie van mijn koptelefoon werd ingeschakeld. Het liefst had ik dat daadwerkelijk gedaan; koptelefoon op en de kamer uit. Nadat ik wat ze had verteld, had teruggeduwd in haar breed lachende mond.
‘Wat doet het er nu toe,’ hoor ik de host van een feministische podcast tegen haar collega zeggen. Irritatie klinkt door in haar stem, terwijl ze het heeft over toekomstige moeders die willen weten ‘wat het wordt’. Als we onze kinderen genderneutraal opvoeden, dan is er toch niks aan de hand? In de ideale wereld misschien, maar die realiteit is zo ver weg. De sekse van mijn kind negeren voelt als doen alsof ik blind ben voor kleur.
Gemiddeld wordt er in Nederland iedere acht dagen een vrouw vermoord omdat ze vrouw is. Nog veel meer vrouwen worden aangevallen, verkracht of aangerand. De dader is bijna altijd een man.
Volgens hooks is het haten van mannen, hoe begrijpelijk soms ook, toch vooral een manier om mannelijkheid niet serieus te hoeven nemen
Een aantal van mijn vrienden met kinderen hadden net als ik geworsteld na de ontdekking dat ze ouders zouden worden van een jongen, bleek toen ik het onderwerp aansneed. Of ze vonden het juist spannend om een dochter te hebben, in een tijd waarin een groeiende groep jonge vrouwen het leven van een tradwife ambieert. We hadden het hier nooit eerder over gehad. Waarschijnlijk omdat we diep vanbinnen vonden dat die gevoelens niet mochten bestaan. We moesten blij zijn dat ons überhaupt een kind gegund was. Dat waren we ook.
De gesprekken deden me goed. Het gevoel alleen te zijn, raakte op de achtergrond. Het hardop uitspreken van mijn gedachten, confronteerde me tegelijkertijd met mijn binaire denken. Het deed me realiseren dat ik de gender van mijn kind al had bepaald, nog voordat het geboren was. Zonder dat het daar zelf iets van had kunnen vinden.
‘Voor feministische vrouwen is het altijd makkelijker geweest om het te hebben over het (...) patriarchaat dan dat het was om over mannen te praten – over wat we van ze wisten en wat niet, over de manieren waarop we wilden dat ze zouden veranderen. Liever zagen we ze gewoon verdwijnen,’ schrijft bell hooks in The Will to Change: Men, Masculinity, and Love. Volgens hooks is het haten van mannen, hoe begrijpelijk soms ook, toch vooral een manier om mannelijkheid niet serieus te hoeven nemen. Iets wat we wel zouden moeten doen. Mannen zullen niet verdwijnen, is haar punt. Ze zullen hoe dan ook in onze levens zijn. Als vader, partner, vriend. Als zoon. We hebben ze dus nodig om het patriarchaat te bevechten en mee te denken over een alternatief systeem. Nu ik een zoon heb, voel ik veel meer dan eerst de noodzaak om mee te gaan in die theorie.
*
Als ik naar hem kijk, naar hoe hij stuntelig door de kamer beweegt, voel ik iets wat nog het meeste lijkt op verliefdheid. Wanneer hij me trots een duplotoren laat zien, of fantasiemaaltijden in zijn houten speelgoedkeuken bereidt, dan wil ik dat iedereen ziet wat ik zie. Op die momenten begrijp ik de miljoenen vrouwen op Instagram en TikTok, die van het boymom-zijn hun identiteit hebben gemaakt. Maar soms, als ik dan een tijdje op zo’n golf van extase heb gesurft, gaat dat gevoel over in een soort angst. Dan ben ik bang dat ik hem te veel ophemel. Dat ik iemand creëer die niet om zichzelf heen kan kijken. Dan is de gekleurde toren die door de kamer vliegt, omdat het ene blokje niet goed in het andere klikt, daar ineens een voorbode van. Het smijten en het schreeuwen.
Maakt het uit wat ik als opvoeder doe binnen dit patriarchale systeem?
Hij is sowieso luid, ook met een goed humeur. Hij onderbreekt gesprekken wanneer het hem uitkomt. Wil dat mensen hem zien. Op zulke momenten heb ik de neiging hem te corrigeren en probeer ik hem duidelijk te maken dat hij vooral niet te veel ruimte moet innemen. Dan leg ik mijn wijsvinger tegen mijn lippen.
Tegelijk zou ik het stereotype dat rondwaart in mijn hoofd minder aandacht willen geven. Wil ik mijn zoon de ruimte gunnen om uit te vinden wat mannelijkheid voor hem betekent, te ontdekken of hij zich überhaupt man voelt. Want, in hoeverre gaat dit eigenlijk over hem? Wat is mijn aandeel als ouder in dit verhaal? Maakt het uit wat ik als opvoeder doe binnen dit patriarchale systeem?
In BoyMom: Reimagining Boyhood in the Age of Impossible Masculinity beschrijft Ruth Whippman dat jongens binnen de westerse cultuur al vanaf het begin van hun leven over het algemeen minder koestering en zorg ontvangen van hun ouders dan meiden. Minder zachtheid en begrip. Deze discrepantie kan het begin zijn van een levenslang patroon van eenzaamheid, een gebrek aan verbondenheid. Hoe leer je voor een ander zorgen als je zelf niet de zorg en aandacht krijgt die je nodig hebt?
Hoe meer jongens en mannen er een traditioneel mannelijkheidsideaal op nahouden, hoe groter de kans dat ze het slecht doen op school, riskant gedrag vertonen, zich depressief voelen of zelfs suïcidaal worden. En hoe kleiner de kans dat ze (psychologische) hulp en zorg zoeken, concluderen de wetenschappers in Whippmans boek.
Om mannelijk leed en de crisis waarin mannen zich bevinden te adresseren, moeten we als samenleving bereid zijn te erkennen dat het patriarchaat ook mannen beschadigt en dat zal blijven doen, stelt bell hooks. ‘Het is niet waar dat mannen niet willen veranderen. Wel is het zo dat veel mannen er bang voor zijn,’ vervolgt hooks. ‘Veel mannen zijn nog niet eens begonnen met onderzoeken hoe het patriarchaat hen tegenhoudt zichzelf te leren kennen. Bij hun gevoelens te kunnen. Lief te hebben. Dat is alleen mogelijk als ze hun verlangen om anderen te domineren laten gaan. Als ze het leven verkiezen boven de dood.’
Hoe bied je een zoon de zorg en zachtheid die hij nodig heeft om een gelukkig mens te worden, een mens dat omkijkt naar anderen?
Maar hoe doorbreek je die vicieuze cirkel? Met die vraag in mijn achterhoofd bekeek ik de Netflix-serie Sex Education opnieuw, met speciale aandacht voor personages Adam en Michael Groff. Adam, een Britse tiener, gedraagt zich zoals hij denkt dat van hem verwacht wordt: hij is fit, dominant, agressief. Zijn vader Michael laat geen kans onbenut om hem duidelijk te maken dat hij zich als een ‘echte’ man moet gedragen. Binnen hun relatie is geen ruimte voor tranen, twijfel en zachtheid. Michael lijkt ervan overtuigd dat hij Adam beschermt tegen de lastige plek die de wereld is voor mensen, mannen, die minder volgens het traditionele boekje leven.
Hoe bied je een zoon de zorg en zachtheid die hij nodig heeft om een gelukkig mens te worden, een mens dat omkijkt naar anderen? Ergens tussen warmte en duidelijkheid.
*
De laatste tijd proberen mijn vriend en ik de boekenkast te vullen met kinderboekenschrijvers die bewust zoeken naar andere dan traditionele perspectieven. Verhalen waarin jongens bang mogen zijn en durven huilen en waarin meiden op avontuur gaan, van dinosauriërs houden en van het heelal. Verhalen waarin ruimte is voor andere vormen van gender dan de binaire ‘man’ of ‘vrouw’. Verhalen waarin kleur gewoon is.
Toch pak ik er ook nog regelmatig een boek bij uit mijn eigen kindertijd, zoals Max Velthuijs’ bekende verhalen over Kikker en Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke. Omdat ik, ondanks dat ze vol staan met genderstereotypen en traditionele rolpatronen, van die boeken houd. Het is ook een manier om met mijn zoon te bespreken hoe het anders kan, hem duidelijk te maken dat rollen en regels er zijn om bevraagd te worden. In de hoop dat hij die kennis meeneemt naar de ruimtes waar wij als ouders niet of nauwelijks komen. Hoe ouder hij wordt, hoe vaker dat zal gebeuren.
Met Adam en Michael Groff uit Sex Education loopt het goed af. Adam weet mensen om zich heen te verzamelen die van hem gaan houden, voornamelijk vrouwen en mensen uit de queergemeenschap. Hij leert dat hij kwetsbaar mag zijn, dat zijn bi-seksualiteit mag bestaan. Dat leert hij van zijn vrienden, maar ook van zijn moeder Maureen. Na haar scheiding van Michael blijft zij Adam aanmoedigen om te praten, niet weg te lopen voor zijn schaamte. Ze benadrukt dat die gevoelens er mogen zijn. Haar zachtheid lijkt een uitnodiging tot een andere vorm van mannelijkheid. Zo’n moeder wil ik zijn.
Ik gun mijn zoon en zijn generatiegenoten dat ze niet eerst een pijnlijke reis hoeven af te leggen om te kunnen worden wie ze willen zijn
Toch zie ik Adams verhaallijn vooral als een waarschuwing. Ik gun mijn zoon en zijn generatiegenoten dat ze niet eerst een pijnlijke reis hoeven af te leggen om te kunnen worden wie ze willen zijn. Dat ze niet ‘geholpen’ hoeven te worden door de vrouwen en queer personen in hun omgeving. Dat ze niet hoeven opgroeien in een omgeving waarin ze eerst moeten verharden.
Het is niet de taak van vrouwen om de volwassen mannen in hun omgeving op te voeden, laat dat duidelijk zijn. Wel moeten volwassenen de jongens in hun omgeving opvoeden. Wij moeten hen leren hoe zij kunnen bijdragen aan een vrouwvriendelijke samenleving. Het is daarbij belangrijk dat ze ook met elkaar leren praten, hun verhalen leren delen. Verhalen waarin ruimte is voor intimiteit en waardevolle relaties, ook tussen mannen. Verhalen waarin praten over wat er vanbinnen gebeurt iets gewoons is. Laten we jongens helpen hiervoor een vocabulaire te ontwikkelen en laten we ruimtes creëren waarin ze dat vocabulaire ongestoord kunnen bezigen; thuis, op school, bij mensen bij wie dat veilig voelt.
Het is aan de vaders en andere mannen in hun levens om bij elke stap aanwezig te zijn. Juist zij kunnen laten zien hoe het anders kan en dat mannelijkheid geen gevangenis hoeft te zijn – door dat voor te leven.
En zelfs dan. Ondanks alles wat zijn vader en ik hem meegeven, bestaat er een kans dat onze zoon zich zal gaan gedragen als de man die we niet willen dat hij wordt. Ik heb niet de illusie dat onze cirkel van invloed oneindig groot is. Wanneer ik daar langer over nadenk, wil ik hem het liefst vastpakken en niet meer loslaten. Alles om te voorkomen dat hij de verkeerde kant op loopt. Maar uiteindelijk is het die ruimte, tussen vasthouden en loslaten, waarin het meeste gebeurt. Waarin je kunt samenwerken. Ik hoop dat hij, net zoals hij dat nu doet, zelf woorden blijft bedenken op de momenten dat de taal die hij zoekt niet voorhanden is, en dat hij die met mij wil delen.
Sharon van Oost (1988) groeide op in een klein Zeeuws dorp, maar werd tijdens haar studie verliefd op Rotterdam. Daar is ze niet meer vertrokken. Ze werkt als redacteur bij een actualiteitenprogramma en schrijft daarnaast graag over thema’s als mentale gezondheid, feminisme en ouderschap.
Jasmijn Jansen is een illustrator die graag de grens tussen feit en fictie onderzoekt. Met analoge technieken vertelt ze waargebeurde verhalen in beelden die een vervreemdend gevoel oproepen. In 2027 studeert ze af aan de HKU.
















