‘Ik stel me voor dat ik heel groot en heel sterk ben, dat ik zijn arm pak, die zo ver naar achteren draai dat hij breekt. Krak.’ In dit verhaal neemt Mayke Calis je mee in het gezinsleven van een ogenschijnlijk alledaagse familie, maar maakt het al snel plaats voor een naar gevoel.
Martin vraagt of ik operatiekamertje kom spelen. We staan voor de deur van het kleinste kamertje van het huis en het is weekend. Ik kijk naar de deur. Ik wil wel iets leuks doen, maar niet daar. Binnen staat op een verhoging een oud bed met witte lakens eroverheen. Omdat papa zo vaak in het ziekenhuis heeft gelegen, wil Martin steeds de chirurg spelen.
Het rommelt in mijn buik, toch loop ik achter hem aan het kamertje in. Naast het bed liggen spuiten, jodium, naalden in plastic en een echte scalpel, die hij heeft gekregen. Het is er donker, want er is maar een klein raampje. Nog voor ik helemaal binnen ben, zie ik Martin een snelle beweging met zijn arm maken, alsof hij iets van het laken naar achteren veegt. Ik hoor het met een zachte plof op de grond vallen. Dat is mijn pop, Gaby. Die ben ik al heel lang kwijt. Natuurlijk heeft Martin die gepakt, zoals hij altijd alles afpakt. Al mijn poppen hebben inmiddels krassen op hun armen en benen. Hechtingen, noemt hij dat. In mijn buik voel ik het borrelen. Ik buk en probeer de pop onder de tafel te pakken, maar Martin steekt snel zijn been uit om me tegen te houden, waardoor zijn voet mijn hoofd raakt. Schreeuwend grijp ik de pop aan haar haren en kom overeind. Met mijn andere vuist beuk ik op zijn borst en schouder.
‘Kappen, nu!’ Driftige woede in zijn ogen. Met mijn nagels kras ik over zijn onderarm. Even staan we doodstil en kijken we samen hoe het bloed opwelt. Hij richt langzaam zijn hoofd op.
‘Jij, klein kutwijf,’ Met een harde trap beukt hij me tegen de muur.
‘Oprotten!’ Hij duwt me door de deur naar buiten.
‘Stomme rotlul!’, krijs ik en schop een paar keer hard tegen de dichte donkerbruine deur.
‘Hee, hou eens even op daar, met dat geschreeuw.’ Mama’s stem klinkt van onderaan de trap.
Woest loop ik naar mijn kamer. Mijn handen trillen, ik bijt op mijn onderlip en druk nagels in mijn vel. Ik ga zitten op de bank met knuffels, maar sta meteen weer op. Ik loop heen en weer door mijn kamer. Hoe kan ik hem terugpakken, hem pijn doen? Wat kan ik stukmaken? Zijn stickers kapot knippen? Die scalpel in het laken steken in die rot operatiekamer? Weer ga ik zitten en sluit mijn ogen. Ik stel me voor dat ik heel groot en heel sterk ben, dat ik zijn arm pak, die zo ver naar achteren draai dat hij breekt. Krak. Ik glimlach. Als hij op de grond ligt, schop ik hem tegen zijn gemene kop. Zijn hoofd draait opzij en ik zie bloed in zijn blonde haar.
Ik pak mijn grote beer op schoot, tegen mijn buik. Wiegend druk ik mijn lippen tegen zijn zachte roze binnenoor, tranen op zijn vacht. Ik haat mezelf.
*
Mama zit met een boek in haar leesstoel. In de bak met strips zoek ik een Asterix uit en plof neer op de beige bank schuin tegenover haar. Onderuit gezakt, sokken op de zitting en met de strip op schoot kijk ik naar haar. Ze heeft een lief gezicht, met steile blonde haren, die langs haar lezende gezicht vallen. Als ze opkijkt, lacht ze naar me. Ik lach terug. Zal ik het vertellen van Martin? Maar hoe moet ik het zeggen? Hoe zou ze reageren? Steken in mijn buik. Is het niet gewoon allemaal mijn schuld?
‘Jullie moeten niet zo’n ruzie maken,’ zegt mama. ‘Blijf gewoon een beetje uit elkaars buurt.’
Ik haal mijn schouders op.
‘Martin is een gemene lul.’
‘Zulke woorden wil ik hier echt niet horen, Caro.’ Mijn linkerknie komt boven de strip uit. De stof van mijn broek is daar wat dunner.
‘Is je huiswerk af?’
Zijn gezicht ziet er zacht uit door zijn blonde krullen. Heel anders dan overdag
Het eierwekkertje van mama gaat. Ze staat op en loopt naar de keuken om de worsten uit het kokende water te halen. Als ik al aan de eettafel zit, komt papa op zijn huisklompen aangesloft en gaat ook zitten. Het is al bijna avond, maar toch heeft hij zijn pyjama en grijze kamerjas nog aan. Zijn haren staan alle kanten uit. Martin kijkt mij langer aan dan normaal als hij de stoel naar achteren trekt om te gaan zitten. Hij wringt zijn mond in een soort van grijns. Ik adem diep in en voel mijn schouders zakken als ik uitadem. Ruimte in mijn borst. Ik grijns terug. Martin kijkt met een schuin oog naar papa en zegt: ‘De judoleraar was vanochtend heel tevreden over mij.’
Ik zie papa naar zijn ei kijken. Zal hij hem pellen of onthoofden?
‘Hij zei dat ik echt heel erg vooruit was gegaan.’
Hij begint zijn ei af te pellen.
‘Dat het niet vaak voorkomt dat iemand zo snel vooruitgaat.’
Papa plukt de laatste stukjes schil van zijn ei. Ik kijk naar Martin en vind het zielig.
‘Ik mag dus komend najaar alwéér op, en nu voor de bruine slip.’
Alleen het getik van de klok is hoorbaar. Mama en ik houden onze adem in. Martin kijkt papa nu recht aan, maar die is beland bij het dik beboteren van zijn broodje. Ik zie Martin slikken.
Mama zegt dat ze het zo knap vindt en zo blij is voor hem. Ik hoor aan haar toon dat ze dit vanochtend ook al heeft gezegd.
Martin buigt zijn hoofd en snijdt zijn worst.
*
Van beneden klinkt zachtjes pianomuziek. Mama is altijd vroeg wakker, papa slaapt overal doorheen. Martin en ik vinden het fijn om in de ochtend door haar muziek gewekt te worden. In het weekend slapen we bij elkaar op de kamer. Mijn matras past precies onder zijn bureau. Korrelige stukjes steken uit aan de onderkant, met mijn wijsvinger voel ik eraan. Opgedroogde stukjes snot, denk ik. Martin ligt pal naast mij en slaapt nog. Zijn gezicht ziet er zacht uit door zijn blonde krullen. Heel anders dan overdag. Mama speelt het stukje dat ik mooi vind. Bij het loopje omhoog maakt ze vaak fouten. Ik sluit mijn ogen en merk hoe iets in mijn buik tot leven komt.
Mama slaat mis op de toetsen. Nu hou ik nog meer van haar
Sta op, nu, voor hij wakker wordt. De dekens drukken op mij. Het is doodstil. Opstaan, kom. Mama slaat mis op de toetsen. Nu hou ik nog meer van haar. De dekens voelen steeds zwaarder, ik krijg bijna geen lucht. Zo moet loodzwaar voelen. Ik denk terug aan Martin die met een vriendje tinnen soldaatjes smelt in de grote pollepel boven de gasvlam, als mama niet thuis is. Mooi hoe dat grijze tin, als het heet en gesmolten is, borrelt en naar binnen krult. Mama snapt niet waarom die pollepel zo zwart is en ik zou het wel willen vertellen, maar Martin en ik hebben afgesproken elkaar niet te verlinken. Nu echt, sta op!
Langzaam kom ik overeind. Mijn hart bonst steeds harder. Hoort Martin hoe luid het slaat? Geen beweging. Mama speelt hetzelfde stukje nog een keer. Ik sla de dekens terug. Op mijn tenen sluip ik naar de deur. De klink millimeter voor millimeter naar beneden, het laatste stukje snel, anders hoor je een snerpend gepiep.
‘Waar ga je heen?’ Het klinkt zacht en slaperig. Mijn adem stokt. Voor hij verder iets kan zeggen, glip ik naar buiten. Mijn borstkas gaat nog steeds op en neer, ook al loop ik de trap af richting mama. Op de onderste trede blijf ik staan luisteren. Mama’s rug beweegt mee met de klanken. Met mijn blote voeten stamp ik een paar keer op de trede, zo kan ze horen dat ik daar sta. Ze speelt nog even door en draait zich dan om.
‘Hee lieverdje, heb ik je wakker gemaakt met de piano?’ Ik wil iets zeggen, iets aardigs, maar mijn keel knijpt dicht. Ik loop naar haar toe, wil me tegen haar aan laten vallen en heel hard huilen, maar ze heeft zich alweer omgedraaid, haar vingers op de toetsen gezet. In een rechte lijn loop ik door naar de caviakooi en til Pluis eruit. Met de zachte vacht tegen mijn wang en het gepiep in mijn oor, loop ik de trap op naar mijn eigen kamer. Ik doe de deur op slot en met Pluis tegen mijn gezicht ga ik op de knuffelbank liggen.

*
Na het avondeten kijken papa en mama tv en luister ik met Martin naar zijn muziek. Eigenlijk vind ik die maar stom, maar dat zeg ik niet.
‘Zo knap dat je op mag voor de bruine slip.’ Hij lacht naar me, dat vindt hij fijn om te horen en dat weet ik. Ik vertel dat het niet leuk is in mijn klas, dat Esther vrijdag in de pauze nadeed hoe ik voorbijliep, wijdbeens als een waggelende olifant. Alle meisjes lachten, ook Eveline, en ik voelde hoe ik rood werd. Martin vindt het rot voor mij, zegt hij. Hij pakt zijn schetsboek en tekent Esther met schele ogen, mottig haar, rotte tanden en overal pukkels.
‘Die Esther is een grote trut. Volgend jaar als je naar de brugklas gaat, ben je van haar af.’ Ik voel me lichter.
*
Vandaag is de beste dag, want Jeroen komt logeren. Hij is zo mooi met zijn zwarte stekeltjeshaar. Op de camping in Noord-Frankrijk hebben we elkaar ontmoet. Met zijn drieën zwommen en kaartten we en speelden we met de bal, als we tenminste niet van die kerkjes moesten bezichtigen met onze ouders. We zijn ook een keer naar de loopgraven geweest, dat vond ik wel erg voor die soldaten. Weer zie ik voor me hoe Jeroen steeds naar me keek. Uiteindelijk hebben we tijdens de disco-avond buiten tegen een boom met elkaar gezoend. Martin was heel boos dat we hem alleen hadden achtergelaten.
Toen we weer thuis waren moest ik best lang zeuren tot mama het goed vond dat hij kwam logeren, maar we mogen niet samen op mijn kamer. Dat snap ik wel, Jeroen is veertieneneenhalf en ik net dertien. Martin wil niet bij mij op de kamer, dus nu gaan wij bij hem. Met Jeroen sleep ik een matras naar zijn kamer. Jeroen is tenminste niet zo irritant stoer en wil het ook niet de hele tijd beter weten, zoals Martin.
Als we onze tanden hebben gepoetst, gaat Jeroen onder zijn opengeritste slaapzak liggen en kruip ik naast hem. Hij ruikt bloemig. Martin staat op en ik hoor hoe hij de slaapkamerdeur op slot draait. Mijn hartslag versnelt en ik krijg kippenvel, nog dichter kruip ik tegen Jeroen aan. Ik voel hoe Martin op de rand van Jeroens matras gaat zitten. Steken in mijn buik. Ik laat Jeroen los, maar voel mezelf een steen. Ik hoor Martin mijn naam zeggen. Zachtjes duw ik de arm van Jeroen weg en mechanisch ga ik op mijn rug liggen. Mijn ogen gericht op de houten planken van het plafond. Daarin zijn grappige figuren te zien. Ik hoor gepraat in de verte. In het plafond kijkt één oog naar mij, daar kruipt een slang naast een rottend been. Dat been is van mij en in de loopgraven gewond geraakt door een granaat, dus ik verga van de pijn. Andere soldaten kruipen over mij heen, want ze zijn op de vlucht. Ik kan niet mee. Alles zit onder de modder, het regent ook de hele tijd. Het is koud en ik voel me zwaar met mijn natte uniform. Ik roep mijn vader, maar er komt geen geluid. Stemmen hoor ik steeds verder van me af. Iedereen is weg en ik ben helemaal alleen. Jeroen! Flitst door mijn hoofd. Van dichtbij hoor ik Martin iets tegen hem zeggen. Kronkelt die slang naar mij?
In mijn hoofd botsen gedachten als racewagens tegen elkaar
Als ik omhoog kom, zie ik Jeroen met opengesperde ogen van mij naar Martin kijken en weer terug. Afschuw, weerzin en verbazing zie ik op zijn gezicht. Direct voel ik de kramp in mijn buik weer. Hier was ik al bang voor. Door zijn ogen zie ik mezelf liggen. De meest weerzinwekkende persoon op aarde. Het is zo helder als glas. Hoe kon ik denken dat hij mij leuk vond? Ik moet me bedekken, verstoppen. Mijn pyjamajasje gris ik van de slaapzak, ik kruip snel naar mijn eigen bed onder het bureau en trek de dekens over mijn hoofd. Verdwijnen wil ik, voor eeuwig, in het grootste diepste gat. De ogen van Jeroen. De hele nacht staar ik in het donker. Steeds voel ik hoe mijn hart op en neer springt.
Mama roept onderaan de trap dat we over tien minuten in de auto moeten zitten om Jeroen naar het station te brengen. We staan in mijn kamer. Jeroen wil me per se nog even alleen spreken. Zijn ogen kijken ernstig.
‘Nu zien we elkaar heel lang niet.’ Alles wordt wazig in mijn hoofd.
‘Over gisteravond,’ Jeroen schudt zijn hoofd, ademt hoorbaar in en uit. Mijn hartslag versnelt opnieuw.
‘Dat jullie dit normaal vinden, Caro. Ik wil dit niet. Ik wil alleen met jou…’ Precies wat ik dacht. Hij vindt me smerig. Een visnet trekt zich steeds strakker om mijn lichaam. Geen woord kan ik uitbrengen. Alles draait en ik ga zitten op de knuffelbank. Hij moet hier weg. Ik moet hem schoppen, trappen, zijn ogen uitkrabben, maar ik kan me niet bewegen. Mama roept dat we nu echt naar beneden moeten komen. Verdwaasd loop ik de trap af en ga voorin de auto zitten. Jeroen vraagt of ik bij hem achterin kom zitten, maar ik reageer niet. In mijn hoofd botsen gedachten als racewagens tegen elkaar. Op het perron grijpt Jeroen me vast, maar ik ruk me los en ren weg zonder nog een keer om te kijken.
Mayke Calis studeerde geschiedenis en journalistiek, ze heeft gewerkt als docent en journalist. Ze is tekstschrijver en zit in het eerste jaar van de Schrijversvakschool. Ze houdt van zingen, dansen en langs de zee lopen.
Juliette Luscuere (2002) schildert vanaf het Groningse platteland kleurrijke en intieme voorstellingen waarbij menselijke relaties, emoties en ervaringen centraal staan.


















