Hard//hoofd

Zomerboek

De nachtarts en het fenomeen

Kort verhaal

Tekst Derk Fangman &
Illustratie Patrick Louwerse

April, 1986

De nachtarts

Die ochtend had de aanstaande vader zijn vrouw, die vijf maanden zwanger was, gewekt omdat zij hevige koorts leek te hebben. Of hevig, ze had in ieder geval enige verhoging gehad. Maar, zo redeneerde de aanstaande vader, bij hevige koorts was het eigenlijk al te laat, dus kon je een beetje verhoging maar beter als heel ernstig behandelen. Resoluut had hij zijn vrouw uit bed opgepakt en haar over zijn schouder geslagen. Zonder zijn voet ook maar één keer van het gaspedaal te halen was hij naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gereden.
Door een chronisch slaapgebrek was de aanstaande moeder niet in staat om tegen te stribbelen. ’s Nachts werd ze ieder uur gewekt door haar man omdat hij haar temperatuur op wilde meten. Nu zat ze vastgesnoerd op de achterbank. Om haar smalle taille hing alleen een japonnetje dat nog korter was dan een Zweedse zomernacht, langer had ze de afgelopen maanden ook niet geslapen.

De aanstaande vader leerde al snel dat een ziekenhuis niet per se een veilige plek is. Een ziekenhuis bestaat uit mensen en die kon je niet zomaar vertrouwen. De eerste arts die bij het bed van zijn vrouw kwam kijken, had de situatie van zijn vrouw verre van serieus genomen. Nauwelijks verhoging. Het had hem minder dan een minuut gekost om die diagnose te stellen. En dan was hij nog niet eens een echte arts. Een arts in opleiding, was de aanstaande vader na enig doorvragen te weten gekomen. Hij stond erop dat zijn vrouw alleen door een echte arts behandeld zou worden, maar dat had het medicijnenstudentje verwaand weg gezwaaid. Nauwelijks verhoging, wat dacht dat ventje wel niet. Terwijl een leek nog had kunnen zien dat zijn vrouw heel duidelijk in levensgevaar was. De aanstaande vader zag het in ieder geval wel. De arts in opleiding zei dat de aanstaande ouders zich geen zorgen hoefden te maken. Dat de verhoging niet zorgwekkend was, dat moeder en kind het betrekkelijk goed maakten. Nu ze er toch was, wilde hij haar best nog even ter observatie houden, als dat de aanstaande vader gerust zou stellen. Het stelde de aanstaande vader niet gerust.

Een paar uur later stuurde de jonge arts de aanstaande moeder definitief naar huis. De aanstaande vader protesteerde heftig. Ja, ook hij had gezien dat de koorts zakte. Maar hoe wist je dat het klopte? Je hoefde niet gestudeerd te hebben om te zien dat zijn vrouw er vreselijk aan toe was. Die thermometers waren enkel apparatuur en apparatuur kon kapot, dat wist iedereen. En die artsen waren ook al niet te vertrouwen. Had hij daar laatst ook niet iemand wat over horen zeggen bij een opinieprogramma op de televisie? Het zou heel slecht gesteld zijn met de zorg. Patiënten waren een nummertje. Ja, zo voelde de aanstaande vader zich op dit moment: een nummertje.

 

Fenomeen_mdm


Hij vroeg om een second opinion. Nee, hij eiste het, maar de arts in opleiding hield zijn poot stijf. De tijd van artsen was vreselijk kostbaar en mocht niet misbruikt worden. Bovendien was ieder bed hard nodig.

‘U zult nu echt moeten vertrekken.’

De aanstaande vader keek hem vuil aan. Om hem te laten zien dat hij allerminst van plan was het ziekenhuis te verlaten, ging hij demonstratief voor de jonge arts op de grond zitten en trok hij zijn schoenen uit, die ingewikkeld geveterd waren, waardoor het behoorlijk lang duurde. Toen de aanstaande vader eindelijk klaar was, zei de arts: ‘Ik moet nu naar de kantine. Peeters van Oncologie is vandaag jarig en die trakteert ieder jaar op jamdonuts met vruchtenhagel.’ Hierna sprong hij met een aanloopje over de veterschoenen van de aanstaande vader en rende de kamer uit. De aanstaande moeder begon te huilen.

De aanstaande vader probeerde zijn vrouw tot rust te brengen, het was een onbegonnen zaak. ‘Dit kind maakt mij ziek,’ snikte ze. ‘Ik wil het niet.’

Toen dat niets uithaalde, begon ze met gillen.

Maar niemand kwam op het gegil af. In de kantine werd Lang zal 'ie leven gezongen.

De aanstaande vader raakte zo vermoeid door het gegil van zijn vrouw dat hij naast haar bed op de grond in slaap viel, met het hoofd op zijn veterschoenen. Toen hij weer wakker werd was het midden in de nacht, zijn vrouw lag er nog slechter bij dan daarvoor. Het werd tijd dat hij het heft in eigen hand nam. Hij pakte zijn slapende vrouw als een pakketje in zijn armen en rende de gang op.

Halverwege de gang ontwaakte ze. Onmiddellijk hervatte ze het gegil. Er kwam een dokter op het lawaai af.

‘Ik ben de nachtarts,’ zei deze met enige trots.

De aanstaande vader nam de dokter zorgvuldig op. Hoewel hij over het algemeen veel respect had voor mensen die ’s nachts beter functioneerden dan overdag, draaide hij zich om en zette het opnieuw op een lopen, de aanstaande moeder luid gillend over zijn schouder geslagen. Na een paar rondjes vond hij de operatiekamer, legde zijn vrouw op tafel en barricadeerde de deur.

De nachtarts was ook de operatiekamer binnen gekomen, via een andere deur, die de aanstaande vader nog niet had opgemerkt. Hij pakte de dokter bij zijn schouders en probeerde hem de kamer uit te duwen. Omdat deze behoorlijk zwaarlijvig was, lukte het niet. De aanstaande vader liet de dokter dus maar staan en begon ook de tweede deur te barricaderen, bang voor nog meer opdringerig personeel.

Plichtsgetrouw onderzocht de dokter de aanstaande moeder. Het was nu eenmaal zijn vak. Hij vroeg wat haar klachten waren. Met horten en stoten legde de aanstaande vader de situatie uit, terwijl hij een enorme kast voor de deur duwde.

‘Er is helemaal niets mis met uw vrouw,’ zei de nachtarts na enig onderzoek. ‘Goed, ze heeft enige verhoging. Maar niets om uw echt druk over te maken. Een keizersnedes is nergens voor nodig. Bovendien levensgevaarlijk voor het kind. Echt waar, alleen wat verhoging. En uw vrouw lijkt me volledig uitgeput, maar dat komt waarschijnlijk door het gegil. Ik zal haar wat kalmerends geven.’

‘Ik heb toch liever dat u haar gewoon opensnijdt,’ zei de aanstaande vader.

‘Dat zal niet gaan,’ zei de nachtarts. ‘Echt niet. Ik snijd vannacht helemaal niemand open. Bovendien mankeert er niets aan uw vrouw. Rust nu liever wat uit. Morgenochtend zullen we de situatie opnieuw bekijken. Echt, na wat nachtrust zult u de dingen beslist in een ander perspectief kunnen zien.’

‘Geen haar op mijn hoofd,’ zei de aanstaande vader met overslaande stem. ‘Ik wil dat u haar opensnijdt. Nee, ik eis het. Ik eis dat u haar onmiddellijk opensnijdt.’

‘Het zal niet gaan,’ zei de arts opnieuw. ‘Helaas niet, zou ik bijna willen zeggen. U zult begrijpen dat er regels zijn. U zet mij verschrikkelijk voor het blok. Een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden. Voor u, maar toch ook voor mij, in zekere zin. Nee, ronduit vervelend zelfs. Ethisch gezien dan hè. Voor de rest laat het mij volledig koud. Ik ben een professional moet u weten. Ik neem mijn werk nooit mee naar huis. Al vijfentwintig jaar niet. En ik houd altijd voet bij stuk. Nee echt, ik ben onvermurwbaar. Altijd geweest, denk ik. Dat zeg ik u.’

‘Niets mee te maken,’ zei de aanstaande vader. ‘Het gaat hier om mijn vrouw. Kijkt u eens hoe prachtig zij is. Maar nu gaat zij dood. Ik wil dat u het gezwel uit haar buik snijdt. En wel nu. U bent toch zeker dokter, hè dokter?’

‘Goed, goed. In feite heeft u gelijk, ik ben een begaafd dokter. Al een kwart eeuw een van de beste in mijn vak. En inderdaad, uw vrouw is prachtig. Werkelijk wonderschoon. Maar doet u eerst toch een beetje rustig. Oh god, dat mes is toch helemaal nergens voor nodig? We kunnen hier geen ongelukken gebruiken. Het komt allemaal best goed. Nog binnen het uur zal ik de door u gewenste keizersnee zetten. Al raad ik de hele ingreep persoonlijk ten zeerste af. Dat wil ik graag nog eens benadrukken. Maar goed, een fraai staaltje chirurgie zal het worden, al zeg ik het zelf. Voor het kind zal de ingreep waarschijnlijk fataal zijn, het is zestien weken prematuur. Daar bent u van op de hoogte. In feite is het een abortus. Nou ja, hoogstwaarschijnlijk wel. Maar goed, een heus kunststukje zal het zijn. Daar kunt u van op aan. Als u tenminste eens een beetje kalm deed. Ja, legt u dat mes maar terug op tafel. En ademt u nu eens rustig in en uit. Ja, zo, ik zeg het u.’

De dokter was er ondanks de hachelijke situatie behoorlijk mee in zijn nopjes dat hij zijn stem niet eenmaal had verheven. Hij had een mooie, serene stem, vond hij zelf. Een stem waar je een opstandige menigte mee tot kalmte kon manen. Misschien moest hij toch eens over een politieke carrière nadenken, wat dat betreft was zo’n verplicht pensioen wellicht een opening naar meer. Maar had hij dat huis in de Dordogne dan voor niets laten bouwen? Dat zou zijn vrouw nooit accepteren. Hij had haar tenslotte beloofd de rest van hun gezamenlijke leven daar te slijten. Of misschien hoefde je voor het bedrijven van politiek maar zo’n paar keer per jaar op te komen draven? Voor Prinsjesdag bijvoorbeeld, of voor een serieuze televisieshow, wat later op de avond. Dat kon ook best vanuit Frankrijk. Vliegen werd trouwens steeds goedkoper, en de tickets zou hij vast vergoed krijgen. Hoe moeilijk kon politiek eigenlijk zijn? Daar moest hij zich maar eens een avond in verdiepen, nam hij zich in alle kalmte voor.

De aanstaande vader had geen serene stem. Eerder een piepende, die steeds oversloeg van het schreeuwen. Hij maakte zich grote zorgen om zijn vrouw en dat mocht iedereen weten. Zagen de artsen dan niet hoe hoog haar koorts opliep?

De aanstaande moeder lag tussen de twee mannen in. De dokter aan de ene kant van de operatietafel. Haar man, de aanstaande vader, aan de andere kant. Zij had geen kalme stem, zoals de dokter, en ook geen piepende, zoals de aanstaande vader. Haar gillen was ronduit panisch en moeilijk met klank of kleur te beschrijven. Ze gilde onophoudelijk: ‘Dit kind maakt mij ziek. Dit kind maakt mij ziek. Het is een ziek kind. Ik wil het niet.’

Het maakte het gesprek tussen de dokter en de aanstaande vader er niet gemakkelijker op. Bovendien zwaaide de aanstaande vader nog steeds met de scalpel boven zijn hoofd. ‘U snijdt mijn vrouw onmiddellijk open of anders doe ik het zelf,’ gilde hij hysterisch. Om zijn woorden kracht bij te zetten had hij een groen operatieschort over zijn schouders getrokken.

De dokter had toegegeven. Met al zijn mensenkennis, die hij in de loop van zijn indrukwekkende carriere had opgebouwd, was hij er van overtuigd dat de aanstaande vader het meende. Bovendien was de keizersnede altijd al een van zijn favoriete ingrepen geweest.

Nu de aanstaande vader wist dat zijn vrouw behandeld zou worden, kwam hij een beetje tot rust. Hij was nooit eerder gewelddadig geweest, hij was een goed mens, en gooide nooit afval op straat. Bovendien verdeelde hij een aanzienlijk deel van zijn inkomen over goede doelen die hij een warm hart toedroeg. Maar nu ging het om zijn vrouw. Hij hield vreselijk veel van haar.

De dokter had ook een vrouw. Op gezette momenten hield hij behoorlijk veel van haar en hij was haar gedurende hun huwelijk tamelijk trouw gebleven. Als echtgenoot, maar ook als mens in het algemeen, was hij een lot uit de loterij.

Ondanks het mes zag de dokter ook wel dat de aanstaande vader waarschijnlijk best een beschaafd mens moest zijn. Dat was hij zelf immers ook. En als beschaafd mens was het niet heel moeilijk iemand van hetzelfde kaliber te herkennen. Zelfs in heel penibele situaties. Het enige verschil met de aanstaande vader was dat de dokter ook in penibele situaties een beschaafd mens bleef. Dat had hij zo-even maar weer mooi bewezen. Nee, de dokter was zeer beschaafd, bedacht hij zelf, en de aanstaande vader hoogstwaarschijnlijk ook een beetje.

In tegenstelling tot de aanstaande vader gooide de dokter maar al te graag vuil op straat. Het liefst uit een rijdende auto. Hij wist ook niet waarom, maar het gaf hem een plezierig gevoel. Hij gaf geen geld aan goede doelen, maar op feestjes en partijen vertelde hij soms van wel. Daar was helemaal niets mis mee. Hij was iemand waar anderen tegen op keken, en als hij op een borrel vertelde dat hij veel geld aan goede doelen schonk, zouden anderen zijn spoor vast volgen. Op die manier maakte het niet uit dat hij zijn portefeuille zelf gesloten hield. Zo waren goede doelen zelfs nog beter af. Het was het grotere plaatje dat hij in de gaten hield. Goed beschouwd was hij een weldoener. Een visionair.

De dokter gaf de aanstaande moeder iets kalmerends en onderzocht haar een laatste keer. Hij klapte haar benen weer dicht en vroeg: ‘U weet het zeker?’

‘Ja, zeker,’ zei de aanstaande vader. ‘Heel zeker zelfs.’

‘In dat geval zullen we direct beginnen,’ jubelde de arts.

‘Heeft u geen assistentie nodig?’ vroeg de aanstaande vader.

‘Alleen maar ballast,’ zei de arts terwijl hij met zijn handen de ligging van het kind bepaalde. ‘Maar misschien kunt ú zo af en toe iets aangeven?’

Op de gang klonk een panisch gekrijs. ‘Wat is dat?’ riep de aanstaande vader verschrikt.

‘Zo te horen ook een bevalling, waarschijnlijk een Marokkaanse.’

‘Hoezo Marokkaans?’

‘Dat hoor je aan het geschreeuw. Een beetje overdreven, vindt u niet? Vanwege hun geloof mogen de mannen niet bij de bevalling aanwezig zijn, dus zitten ze op de gang te wachten. En normaal gesproken zijn die vrouwen in die cultuur ontzettend minderwaardig. Ze hebben een heel miserabel leven, wist u dat? Behalve als ze kinderen baren, en dan vooral zonen, dan zijn ze voor even heel belangrijk. En die vrouwen buiten dat moment uit. Die willen hun mannen laten horen hoeveel pijn en moeite het hen kost. Behoorlijk overdreven, zoals ik al zei. Maar je kunt het hen niet kwalijk nemen.‘

‘Dokter, het is ontzettend racistisch van u om zoiets te zeggen,’ riep de aanstaande vader uit.

‘Scalpel,’ commandeerde de dokter streng, waarna hij een incisie maakte in de buik van de aanstaande moeder.

‘Dokter, dat is racistisch.’

‘Oh nee hoor, in het geheel niet zelfs. Die vrouwen krijgen namelijk prachtige cadeaus, als ze de bevalling tenminste tot een goed einde brengen. En dan vooral als het een gezonde zoon betreft. Daar is het in die cultuur allemaal om te doen. Had u zich dan niet verheugd op een zoon? Uw vrouw is zwanger van een zoon. Daar was u van op de hoogte?’ De dokter veegde met een zakdoek wat bloedspetters van zijn voorhoofd. ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn mij die tang aan te geven?’

Ja, daar was de aanstaande vader van op de hoogte. En natuurlijk had hij zich ontzettend verheugd op een zoon. Al jaren zelfs. Maar als hij moest kiezen tussen zijn vrouw en een kind dat hij niet kende, dan koos hij voor zijn vrouw. Honderd keer. Duizend keer als dat nodig was. Hij gaf de dokter zijn tang.

Er werd op een van de deuren geklopt. Een vrouwenstem vroeg de deur onmiddellijk open te maken.

‘Niet op reageren,’ siste de dokter.

Er verzamelde zich steeds meer mensen voor de operatiekamer. Ze sloegen met hun vuisten op de deuren en schreeuwden dat ze naar binnen wilden.

‘Nog even doorzetten,’ zei de dokter.

‘Die man is een oplichter,’ werd er nu van buiten geroepen. ‘Doe open.’

‘Wat is dat toch,’ vroeg de vader, ‘waar hebben uw collega’s daarbuiten het toch over?’

‘Ach, ze zijn gewoon jaloers op mijn voortreffelijke carrière.’

‘Laat hem niet opereren,’ werd er van buiten geschreeuwd. ‘Houd hem tegen. Hij is niet bevoegd.’

‘Maar dokter, ze zeggen dat u helemaal niet bevoegd bent om deze ingreep uit te voeren.’

‘Ach, dat is een kleinigheid,’ zei de dokter terwijl hij de navelstreng doorknipte, ‘gewoon jaloezie, zoals ik u al zei. Formeel gezien ben ik misschien inderdaad niet helemaal bevoegd. Maar wel zeer bekwaam. Al vijfentwintig jaar, moet u weten.’

‘Wat voor kleinigheid?’ stamelde de aanstaande vader.

‘Er was een voorval, zo’n acht maanden geleden,’ mompelde de dokter terwijl hij de aanstaande moeder van haar kind ontdeed, ‘en toen hebben ze me ontslagen. Jaloezie. Dat zeg ik u.’

‘Maar wat doet u dan hier als u al acht maanden bent ontslagen?’

‘Ik ben nog steeds ontzettend goed in mijn vak. En ik mis het verschrikkelijk, dat zal ik u eerlijk toegeven.’ De dokter wreef over de witte stof van zijn doktersjas. ‘Daarbij heb ik mijn vrouw natuurlijk niets van het hele voorval verteld. Het zou haar veel te veel pijn doen. Dus daarom ga ik nog iedere nacht naar het ziekenhuis en trek ik mijn jas aan. U moet het zien als een goede daad, vrijwilligerswerk eigenlijk. Er is ’s nachts veel te weinig personeel. En normaal gesproken voer ik geen serieuze ingrepen uit. Ik doe alleen mijn ronde. Ik stel de mensen gerust, dat is een van mijn specialiteiten.’

‘Maar dokter, is dat niet misdadig?’

De mensen op de gang gingen steeds harder schreeuwen.

‘Ach nee, in het geheel niet,’ zei de dokter, ‘u moet begrijpen dat ik altijd zeer succesvol was. Iemand om tegen op te kijken. Maar toen was er een jaar geleden dat voorval. Of nu ja, voorval, in mijn ogen is het nooit bewezen. Iets met een vrouwelijke patiënt en een ongewenste zwangerschap. Maar nooit bewezen, dat kan ik u verzekeren. Hoe ik er tegenaan kijk niet in ieder geval. Oneervol ontslag noemen ze het hier. Dat is de rente die je betaalt over zo’n mooie carrière. Dat begrijp ik ook wel. Maar al met al is het een vervelende situatie.’

De dokter hield een fragiel jongetje in zijn armen. Het bewoog nauwelijks, maar het was nog in leven. Op de gang werd geroepen dat de politie was gebeld. Hierdoor leek de dokter te ontwaken uit een soort trance. Hij duwde het jongetje in de armen van de vader.

‘Ik moet nu echt gaan,’ zei de dokter haastig, ‘ik vlieg vanavond nog met mijn vrouw naar de Dordogne. We hebben daar een huis laten bouwen. En ik had mijn vrouw beloofd vroeg thuis te zijn na mijn nachtdienst, zodat we samen de tegeltjes voor onze nieuwe badkamer kunnen uitzoeken.’ De dokter begon een kast voor de deur weg te schuiven. ‘Iemand anders zal uw vrouw nog even dicht moeten naaien. Maar het was een zeer geslaagde operatie. Al met al. Haar koorts zal nu snel zakken. En met een beetje geluk overleeft die kleine het zelfs wel. Een waar kunststukje, al zeg ik het zelf. Dat had ik u beloofd. Veel geluk zo met u drieën en nog een prettig weekend.’ Hij opende de deur en wierp zich door een kluwen van grijpende armen naar buiten.

De operatiekamer stroomde vol. Een verpleegster nam het jongetje van de vader over. Drie artsen ontfermden zich over de moeder. De vader kon een glimlach niet onderdrukken. Zijn vrouw ging het redden. Hoewel ze nog buiten bewustzijn was, zag ze er nu al veel beter uit. Hij liep de gang op en fluisterde: ‘Dank u wel dokter.’

Het fenomeen

De verpleegster veegde het jongetje heel voorzichtig schoon. Het leefde, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Het huilde niet, dat was meestal geen goed teken. Al kon het ook op intelligentie duiden. Zijn lijfje leek nog het meest op een stuk natgeregend karton, maar zijn blauwe oogjes stonden ongelofelijk schrander.

De artsen hadden de moeder dichtgenaaid. Toen ze ontwaakte uit haar narcose wreef ze over haar nog opgezette buik en zei: ‘Zo, dat lucht op.’

Een paar uur later ontsloeg ze zich zichzelf en verliet het ziekenhuis zonder ook maar een glimp van haar zoontje opgevangen te hebben.

‘Een koekoeksjong,’ zuchtte de verpleegster terwijl ze keek hoe het jongetje lag te slapen in zijn couveuse.

De moeder liet zich niet meer zien in het ziekenhuis, maar op de kraamafdeling werd er goed voor het jongetje gezorgd. De zusters waren dol op hem.

De vader kwam een paar keer per dag met een pannetje onder zijn arm de melk brengen die hij thuis bij zijn vrouw aftapte. Hij wilde zijn zoontje niet zien zolang het nog in levensgevaar was. ‘Ik wil me niet hechten aan iets dat hoogstwaarschijnlijk dood gaat. Over drie uur kom ik een nieuw pannetje brengen.’ De zusters vonden de vader harteloos en trokken iedere keer dat hij kwam bits het pannetje uit zijn armen. Hoe konden de ouders zulke vreselijke mensen zijn? Ze hadden het jongetje zelfs nog geen naam gegeven. ‘Pas als hij buiten levensgevaar is,’ had de vader gezegd. ‘Met een naam ga je je maar hechten en dat levert akelige situaties op.’

Het jongetje zonder naam. Zelf meende hij zich jaren later te herinneren dat de doktoren en zusters op de afdeling hem “het fenomeen” hadden genoemd, maar mogelijk had hij dat door het glas van de couveuse verkeerd verstaan. Al vond hij het geen onplezierige naam voor zichzelf: het fenomeen.

Het jongetje was buiten levensgevaar. Toen de arts de vader inlichtte, gooide deze het pannetje melk tegen het plafond en begon uitzinnig te dansen. Hij wilde zijn zoontje onmiddellijk zien. ‘Ik heb een zoon. Ik heb een zoon,’ schreeuwde hij door de gangen met zijn armen boven zijn hoofd geheven.

Het jongetje was bijna drie maanden oud.

Toen de vader zijn zoontje voor het eerst in zijn armen hield, werd hij helemaal stil. Wat een prachtig kindje. Hij fluisterde het jongetje in zijn oor: ‘Jouw naam is Derk. De mensen zullen jou Derk noemen.’


Deel op of
Derk Fangman kon als klein jongetje eerder praten dan zijn meeste leeftijdsgenoten. Meeuwvogel was zijn lievelingswoord, daar scoorde hij veelvuldig mee.
Patrick Louwerse is regisseur, animator en illustrator. Hij combineert verschillende technieken en disciplines om verhalen met een wonderlijke en surrealistische inslag te verbeelden. 
b
a
a