In datingprofielen en vacaturetesten is 'lekker spontaan' zijn de norm, maar Marthe van Bronkhorst breekt een lans voor introversie.
‘Helaas, de voorkeur is toch gevallen op de andere kandidaat,’ kreeg een vriend laatst na een sollicitatie te horen. De reden? ‘Je kwam wat bedachtzaam en introvert over. We vroegen ons af of je stevig genoeg in je schoenen zou staan om je teamleden pro-actief te benaderen.’
Een andere goede vriendin werd naar een verplichte assertiviteitstraining gestuurd. Ze werkte in een bibliotheek. Van de micromanagende baas waren al meerdere mensen burnout geraakt. ‘Kwam ik daar in die training... was het een verzameling van de aardigste mensen die je je maar kan voorstellen,’ vertelde ze. ‘Goed, dus ik heb daar geleerd grenzen te stellen. Maar toen ik mijn baas om duidelijkheid over mijn inroostering vroeg, werd ik ontslagen.’
En die vriend? Die solliciteerde bij één of andere ngo. Het was een stichting zonder winstoogmerk of targets, werk dat draait om altruïsme en duurzame afwegingen maken. ‘Wat bedachtzaam zijn’ lijkt daarvoor een uitstekende eigenschap. En ‘stevig genoeg staan om je teamleden te benaderen’? Dat klonk alsof hij solliciteerde bij een Zuidasfirma met een ijzeren pikorde, waar je trillend van angst je eigen collega’s tegemoet treedt, al dan niet na het doen van een lijntje tegen de stress - maar het ging hier om motherfucking Stichting Plant Een Bloem.
Want extravert zijn is de norm. Ons werkende leven wordt geregeerd door praten en onnodige sociale gatherings. Extraverte mensen voeren het hoogste woord op vergaderingen, feestjes en gelegenheden. Meetings, de kantoortuin met cubicles waarin je iedereen hoort tetteren, flexwerkplekken (lekker dynamisch!), de dagstart (met z’n allen!), energizers (speels!), teambuildinguitjes (een stormram!), verplichte borrels, beeldbellen in de koffiezaak, check-ins, het ‘even sparren’ - het zijn extraverte uitvindingen, voor extravertelingen. Introverte mensen hebben dit vaak niet nodig om hun werk goed te doen. Sterker nog: liever niet.
Flexwerkplekken (lekker dynamisch!), de dagstart (met z’n allen!), energizers (speels!), teambuildinguitjes (een stormram!)
Extraverte mensen zijn oververtegenwoordigd in de media. Ze zitten in realityshows, straatinterviews, talkshows - plekken waar het gooien van een snelle, luide mening een pre is waar ze ‘de gewone Nederlander’ zouden vertegenwoordigen. Ze staan vloggend op straat, of bellen in de stiltecoupé - maar de hele wereld is al een praatcoupé. Extraverte mensen staan in de theaters, zitten in de muziek, en in films en comedyseries en bezingen daar luidkeels hun relatieproblemen, feestjes, trio’s, en andere hardop doorgemaakte intergenerationele trauma’s die voor een introvert, tja, wat ver weg voelen. Nooit stil, nooit stamelen, nooit terugtrekken, maar de ene na de andere oneliner. Zelfs introverte personages, zoals Sherlock, Dexter of Wednesday, worden vertolkt door extraverte acteurs en regisseurs die ze flink wat clumsy charme, avonturen en sociale verwikkelingen meegeven. Geef zo’n introvert dan nog even een makeover (zie Sandy in Grease, zie El in Stranger Things), ruk een eventuele bril van de neus, en bam, deze verandert in een social butterfly. Introversie, zo denkt onze popcultuur, is een mindset. Eén die je uit moet zetten. We leven zogezegd in een tirannie van extravertelingen.
Maar introverte mensen zijn awesome. En daar moeten we het over hebben.
Ook ik was ooit introvert. Dat is er echter vakkundig uitgeramd.
In mijn tienerjaren werd ik verlegen en awkward en wisselde ik van school. Iedereen op de nieuwe school kende elkaar al, van school, of van hockey, of via hun ouders, van gezamenlijke wintersport. Het leggen van contacten, waar ik nog nooit moeite mee had gehad, ging niet gemakkelijk. Aan het eind van de dag zeiden mijn klasgenoten vriendelijk ‘tot morgen’ maar nooit meer dan dat. Een gekmakend eenzame tijd.
Na een jaar lang ploeteren had ik één vriendin gemaakt: V., een lief, belezen meisje met een zachte stem dat goed kon tekenen, The Raven kon declameren en vunzige limericks kon onthouden. (Met trots kan ik zeggen: nog steeds mijn beste vriendin.)
Soms denk ik eraan wat mijn 14-jarige ik van mijn huidige ik zou vinden
‘O, V., dat stille meisje,’ zeiden mensen weleens tegen mij. Maar dat was een misverstand: V. was introvert, niet stil. Want V. praat eigenlijk best veel, als ze je vertrouwt.
Kort na die opluchting werd de klas door elkaar gehusseld in clusters: zonder V. Het werd van levensbelang om mijn introversie te overwinnen, want wie alleen zat, werd gepest. Als niemand me knap of aardig vindt, dacht ik, dan word ik maar grappig. Ik begon stukjes te schrijven voor de schoolkrant, eigenlijk een soort columns, die enigszins werden gewaardeerd. Ook leerde ik een nieuwe bondgenoot kennen: de sigaret.
Nu heb ik geleerd harder te praten in gezelschap, initiatief te nemen, mensen uit te nodigen voor mijn verjaardag, het gesprek te dragen, een anekdote te vertellen en niet bang te zijn dat de aandacht verslapt, maar er gewoon nóg een te vertellen. Nu ben ik iemand die op mensen afstapt om ze te interviewen. Die presenteert. Die uitgaat. God, ik zit zelfs soms in podcasts.
Soms denk ik eraan wat mijn 14-jarige ik van mijn huidige ik zou vinden. Ik denk dat ze me onuitstaanbaar zou vinden. Maar in my defense, extraversie was nodig om te overleven. Ik heb er al mijn banen aan te danken, en zelfs, deze column. Daar gingen namelijk veel sollicitaties, borrels en informele kennismakingsmomenten aan vooraf. Het is helaas niet zo dat de rollen nu omgedraaid zijn in Het Echte Leven: de mensen die op mijn middelbare school extravert en onuitstaanbaar waren, zijn dat nu nog steeds, en sommige fantastisch getalenteerde introverte nerds worden nog steeds over het hoofd gezien.
Maar er gaat ook iets verloren, als we introversie als maatschappij zo afkeuren. Een hele set aan kwaliteiten.
Introverte mensen zeggen meestal dingen als ‘Ik moet me daar nog even in verdiepen,’ of ‘Ik weet het niet zeker'
‘Ik wou dat ik minder introvert was,’ zeggen mijn patiënten soms tegen mij in de therapie. Dat zeggen ze dan omdat ze afgewezen zijn voor een baan of na een eerste date. Het doet me pijn om dat te horen, want de mensen die dat zeggen, zijn vrijwel altijd enorme lieverds.
Want introversie is, in feite, helemaal geen verkeerde eigenschap. Introversie betekent, letterlijk ‘naarbinnengerichtheid.’ Het is een persoonlijkheidskenmerk, één van de grote vijf - The Big 5 - kenmerken waarop wij mensen van elkaar verschillen (de andere zijn openheid voor ervaringen, consciëntieusheid, meegaandheid, emotionaliteit). Introversie versus extraversie is een spectrum dat varieert van ‘extreem outgoing’ tot ‘extreem teruggetrokken’ en alles daartussenin. (Ambivert is dus eigenlijk een overbodige term. Je bent niet het één óf het ander. Maar gemakshalve gebruik ik hier even ‘introvert’ en ‘extravert’ voor de twee uitersten.)
Een introvert iemand laadt op van alleen of in zeer vertrouwd gezelschap zijn, sociale activiteiten kosten juist wat energie. Dat betekent overigens niet dat een introvert geen sociale dingen wil doen - het is simpelweg niet diens comfort zone. Introverte mensen hebben even goede sociale vaardigheden als extraverte mensen: ze kunnen er heel sterk in zijn, of juist wat minder (het zijn net mensen!). Introverte mensen zijn vaak observerend, tactisch, vriendelijk, en empathisch, omdat ze doorgaans goed letten op de signalen van anderen. Introverte mensen praten doorgaans liever één op één dan in groepsverband. De introverte mensen die ik weleens interview als ik op straat interviews afneem, zeggen meestal dingen als ‘Ik moet me daar nog even in verdiepen,’ of ‘Ik weet het niet zeker.’ Ze zijn wat geremder en voorzichtiger met hun mening.
Introverten zijn vaak prettig gezelschap, zeker in groepen (ookal vinden ze dat zelf stressvol), waar ze een fijn, rustig anker zijn. Je kunt je tot ze wenden voor een fijne één-op-één. Ze gaan soms als eerste naar huis, en normaliseren dat je moe kunt zijn.
Ik zou willen dat ik dát teruglas op datingprofielen en in vacatureteksten. Dat we niet op zoek zijn naar ‘aanpakkers’, ‘lekker spontaan’, ‘avontuurlijk’ of ‘golden retriever energy’. Maar naar iemand die ‘well read’ is, ‘beschouwend’, ‘knus’. Doe mij maar ‘raven’-energy. Extreem slimme dieren. Solitair, tenzij ze je goed kennen.
‘Kortom,’ zeg ik meestal tegen mijn patiënten, ‘hadden sommige mensen maar een heel klein scheutje meer van jouw introversie. Dan zag de wereld er een stuk mooier uit.’


















