Hard//hoofd

Zomerboek 'Summer of 2069'
De staat van het verhaal

De staat van het verhaal

Tekst Marjolijn van Heemstra &
Beeld Joëlle de Ruiter

Schrijfster Marjolijn van Heemstra schreef voor Hard//hoofd haar lezing uit over de staat van het verhaal vandaag de dag. Waartoe dienen verhalen? Zijn er manieren om verhalen 'juist' te gebruiken? En wat willen we eigenlijk bereiken met het vertellen van onze verhalen? De staat van het verhaal is een verkenning zonder eenduidige antwoorden, maar met een verlangen naar het onduidbare. Over sterke overtuigingen en hevige twijfels; over fictie, autofictie en de schrijvers gooi naar de eeuwigheid.


Twee dingen schoten me te binnen toen ik de uitnodiging las om te komen praten over de staat van het verhaal. Twee associaties die ik niet direct kon plaatsen.

De eerste betrof de ark van Noach, om precies te zijn een college over de ark waarin ik leerde dat het Hebreeuwse woord voor ark, teva, ook ‘woord’ betekent en in het Ivriet heel specifiek: het literaire woord. God draagt Noach in Genesis op om de ark 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog te maken. In het Hebreeuws heeft elke letter een getalswaarde en de afmetingen van de ark zijn de waarden van de shin, de noen en de lamed, dezelfde letters waarmee het woord lashon gevormd wordt: taal.

De afmetingen van de ark zijn dus de afmetingen van de taal, van het woord. Het water in de Bijbel wordt vaak opgevat als een symbool voor de tijd. In het verhaal over de ark van Noach overspoelt en vernietigt de tijd het leven. Maar in de ark zit van elke levende soort een paar aan boord, in de ark wordt de essentie van het leven bewaard. De ark (de taal, het woord) draagt de essentie van het leven over de tijd de toekomst in en behoedt ons zo voor vergetelheid.
Fictie versus non-fictie. De één gelaagd, vol symboliek, de ander plat als de goeie ouwe dubbeltjes.

De tweede associatie: Instagramstories. De live updates die binnen vierentwintig uur verdwijnen. De meest tijdelijke verhalen die je je kunt voorstellen. Eeuwigheidswaarde: nul. Ik geloof nogal in de eerste associaties dus nam ik me voor iets te zeggen over tijdelijkheid versus eeuwigheid, over de ark en de stories en hoe die zich tot elkaar verhouden.

Mijn eerste antwoord, het makkelijkste antwoord, is dat het verhaal van de ark een mythe is (althans voor niet-gelovigen) en de stories reële momentopnames van het leven.

Fictie versus non-fictie. De één gelaagd, vol symboliek, de ander plat als de goeie ouwe dubbeltjes. Maar, dacht ik toen, is het verhaal van de ark van Noach echt fictie? Ik bedoel, is het in eerste instantie wel bedoeld als fictie? Zat de betekenis die we er nu aan toekennen, de symboliek, er altijd al in? Of zijn we die later gaan toekennen aan het verhaal?

Het verhaal over de ark is een oud verhaal. Toen het rond 600 voor Christus werd opgeschreven, was het al duizenden keren over de tong gegaan, verfraaid, vervormd, verdicht. Maar hoe het begon – als metafoor, waarschuwing of gewoon herinnering – valt niet precies te achterhalen. We kunnen niet met zekerheid zeggen of de wortels in feit of fictie liggen. Misschien begon het als verslag van een werkelijke watersnoodramp en eindigde het als metafoor. Misschien transformeerde het in een paar duizend jaar van non-fictie naar fictie.

En zo dacht ik weer eens aan een discussie in de literatuur die mij het afgelopen jaar heeft beziggehouden. Niet dag en nacht, wel zo nu en dan. Het meest luidruchtige kamp in deze discussie zou je ‘kamp fictie met een grote F’ kunnen noemen. In een interview vat de Iraans-Amerikaanse schrijver Lila Azam Zanganeh het standpunt samen.

"In Frankrijk heb je al tien jaar een hausse aan wat ze 'autofiction' noemen. Verschrikkelijk! Schrijfsters die direct uit hun eigen leven putten, ze veranderen alleen de namen. Als lezer ben je als het kind dat door het sleutelgat naar zijn ouders gluurt. Het is 'fast food', het product van een verveelde samenleving. Als je verveeld bent, wil je weten of het leven van je buurman niet interessanter is dan het jouwe."



"Voor mij moet een roman een verzonnen universum scheppen en je laten geloven in dat universum. Maar schrijvers van nu brengen dat niet meer op. Er is geen verlangen meer om in iets te geloven."

Non-fictie in de literatuur getuigt van een gebrek aan verbeelding, roept het Fictiekamp. Het is natuurlijk niet voor niets dat deze discussie mijn aandacht trekt. Ik schrijf autofictie. De verteller in mijn laatste boek heeft dezelfde naam als ik, situaties en personages zijn rechtstreeks uit de werkelijkheid gegrepen. En ook ik word door kamp Fictie beticht van gebrek aan verbeelding. Waar is de roman als kunstwerk? vroeg een student Nederlands zich af die zich had geërgerd aan al die ‘waarheid’ in mijn boek. Waar is de distantie? Het grote gebaar? Dat non-fictie geneuzel vond hij slecht voor de literatuur want fictie gaat over de verbeelding.
Ficties bedacht om ons bij elkaar te houden, koest te houden, veilig en misschien zelfs gelukkig. Onze samenleving hangt van ficties aan elkaar.

Het zal niet verrassen dat ik dit onzin vind. Onzin met een grote O, om allerlei redenen waarvan de belangrijkste is dat de werkelijkheid door en door verweven is met fictie. De natiestaat is een fictie. Het rechtssysteem is een fictie. Het koningshuis. Verkeersregels. Samenlevingscontracten. Ficties bedacht om ons bij elkaar te houden, koest te houden, veilig en misschien zelfs gelukkig. Onze samenleving hangt van ficties aan elkaar. Iemand die dat als geen ander inzichtelijk maakte was vredesactivist Garry Davis die ik opzocht vlak voor zijn dood in 2013.

Garry had in de Tweede Wereldoorlog Duitsland gebombardeerd en voelde zich zo vreselijk over de burgerslachtoffers die daarbij vielen dat hij na die oorlog zijn Amerikaanse paspoort verscheurde op de Amerikaanse ambassade van Parijs en zichzelf uitriep tot eerste officiële wereldburger van de wereld. Het zijn de natiestaten die ons uit elkaar drijven, zei hij. Verhalen over wie bij wie hoort en waarom. Garry wilde een nieuw verhaal en hij maakte er een paspoort bij, het world passport, waarmee hij vijftig jaar lang de wereld over reisde. Bij elke grenspost, vertelde hij, gebeurde min of meer hetzelfde. De douanebeambte zei: ‘Sir, we don’t recognize your document,’ en Garry antwoordde: ‘But I recognize it.’

Hij geloofde simpelweg niet in de fictie van ons grenssysteem en tot aan zijn dood maakte hij elke beambte die bij een grens zijn pad kruiste knettergek met zijn pertinente weigering mee te gaan in dat verhaal waar wij ons allemaal naar schikken. Garry leefde in een andere fictie, die van het wereldburgerschap. En vijftig jaar lang kwam hij met die fictie werkelijke grenzen over.

Pick a story and stick to it, was zijn advies aan activisten. Een groot deel van onze werkelijkheid ontstaat uit fictie, dus waarom zou het andersom niet kunnen gebeuren?

(Ik las trouwens dat er talen zijn waarin het verschil tussen fictie en non-fictie niet bestaat. In het Bosnisch bijvoorbeeld. Of in het Gikuyu, dat alleen het vertelde verhaal en het geschreven verhaal van elkaar onderscheidt. Misschien is deze hele discussie voorbehouden aan specifieke taalgebieden.)

De staat van het verhaal 1

Maar goed, het gaat dus om de vraag: waarover moeten we, mogen we, schrijven? En dat vind ik geloof ik niet zo’n interessante vraag. Waaróm we schrijven vind ik interessanter. En met Noachs ark in gedachten is het antwoord: om te blijven drijven. Om niet te verdwijnen.

En om niet te verdwijnen is de ark, het bouwwerk, van cruciaal belang. De vorm, de techniek waarmee hij gebouwd is, zijn vermogen golven te trotseren om het leven voor verdrinking te behoeden. In de taal vindt een verzet tegen de sterfelijkheid plaats. En dat is hoe een goed verhaal zich onderscheidt van een slecht verhaal. Drijfvermogen. Er is een mooie anekdote van Anna Achmatova die in de goelag in een rij staat voor het eten. Ze is omringd door uitgemergelde mensen met de blik op oneindig, afgestompt en doodvermoeid. Dan wordt ze herkend door een vrouw die haar aankijkt en vraagt: ‘Kun je dit beschrijven?’ Achmatova antwoordt bevestigend en te midden van alle ellende glimlacht de uitgemergelde vrouw. Die anekdote wint wat mij betreft met glans van de uitspraak van Lila Azam Zanganeh.

De vrouw vraagt niet: kun je hier fictie van maken?
Ze vraagt: kun je dit beschrijven?
Kun je een ark bouwen waarop ik mee kan varen?
En Achmatova bevestigt dat.
Zolang je maar iets beschermt met je taal, een gewenste wereld, een herinnering, een personage. Zolang je maar gelooft in de vertelling die de tijd overwint.

Technique, schreef Ezra Pound, is the test of a man’s sincerity. Craft matters because life matters. Het is vorm en vakmanschap dat het leven behoedt en behoudt. En terwijl ik dit opschrijf voel ik dat er ergens nog een luik openstaat. Vorm boven alles is te makkelijk. Die vraag: wat moeten we, kunnen we, mógen we schrijven, laat zich niet onderduwen door een perfect gebouwde ark. Natuurlijk is een verhaal niet louter vorm. Maar wat valt er te zeggen over de inhoud? Over dat leven ín de ark?

En hier denk ik aan een ander verhaal over de ark van Noach, een verhaal uit het boek Een geschiedenis van de wereld in 10,5 hoofdstuk van Julian Barnes. Barnes beschrijft hoe Noach de dieren naar buiten laat als de ark eenmaal droge grond heeft bereikt en dan achter de ark tot verbijstering van al die geredde dieren de mannetjeseenhoorn slacht. Het vrouwtje blijft achter, tot uitsterven gedoemd.

Er is veel discussie over de vraag wie welke stem mag vertolken in de literatuur en ik lees in deze passage van Barnes het inzicht dat er in elk verhaal iets of iemand sneuvelt. Een stem, een blik. Ik geloof dat elke schrijver moet schrijven in volle vrijheid, maar denkend aan die dode eenhoorn is de opdracht misschien wel: erkennen dat we schrijven met een blinde vlek en een vreemd soort moordlustigheid die we het hoofd moeten bieden. Misschien is de opdracht: een luik openlaten voor de eenhoorn. Of een van de stallen in onze ark leeglaten als herinnering aan wat er zwijgt in ons verhaal. Je onvolledigheid erkennen.

Ik geloof niet dat er één manier is om dat te doen. Hoe toekomstige schrijvers het literaire spel straks spelen, moeten ze zelf weten. Of ze in praatprogramma’s zitten of zich koest houden in een hut, of ze schrijven over wat ze kennen of een nieuwe wereld scheppen, ik heb daar geen mening over. Of, toch wel, mijn mening is: het maakt niet uit. Zolang je maar een ark bouwt die blijft drijven. Zolang je maar iets beschermt met je taal, een gewenste wereld, een herinnering, een personage. Zolang je maar gelooft in de vertelling die de tijd overwint. Een goed verhaal is een gooi naar de eeuwigheid.

Deze tekst werd op 29 juni 2018 voorgelezen tijdens het Nieuwe Types Festival in Arnhem. Ieder jaar vraagt het festival een maker de Staat van het Verhaal uit te spreken, een bergrede over de ontwikkelingen in de wereld van de literatuur, de journalistiek en het gesproken woord.

 


We willen je iets vertellen. Hard//hoofd is al bijna tien jaar een vrijhaven voor jonge en experimentele kunst, journalistiek en literatuur. Een walhalla voor hemelbestormers en constructieve twijfelaars, een speeltuin voor talentvolle dromers en ontheemde jonge honden. Elke dag verschijnen op onze site eigenzinnige artikelen, verhalen, poëzie, kunst, fotografie en illustraties van onze jonge makers. Én onze site is helemaal gratis. Hoe graag we ook zouden willen; zonder jou kunnen we dit niet blijven doen. We hebben namelijk te weinig inkomsten om dit vol te houden. Met jouw hulp kunnen we de journalistiek, kunst en literatuur van de toekomst mogelijk blijven maken, en zelfs versterken. Als je ons steunt, dan maken wij jou meteen kunstverzamelaar door je speciaal geselecteerde kunstwerken toe te sturen. Verzamel kunst en help je favoriete tijdschrift het volgende decennium door. We zullen je eeuwig dankbaar zijn. Draag Hard//hoofd een warm hart toe. Word kunstverzamelaar
Deel
Marjolijn van Heemstra is schrijver, dichter, theatermaker, columnist, soms journalist en het liefst een combinatie van dat alles. Fan van ruimtevaart (en van paarden). Laatste boek: En we noemen hem. 
Joëlle de Ruiter (1994) is een illustrator uit Groningen met een stevig zwak voor vorm en vlak.
b
a
a

Hard//hoofd gelooft dat jonge makers iets te zeggen en het verdienen om gehoord te worden.
Steun Hard//hoofd en word kunstverzamelaar.

Steun Hard//Hoofd