Asset 14

Voesten

Voesten

"Misschien is dat man zijn hier: hetzelfde bewegen als de anderen." Voesten is een kort verhaal over een eiland met een duistere traditie en over het moeten bewijzen van mannelijkheid.

1.
Er was iemand onder de eettafel gekropen, ik voelde hem tegen mijn voet. Hij hijgde. ‘Sorry,’ had hij gezegd, daarna was hij onder het tafelblad verdwenen. Niemand zei iets.
Het was donker buiten en om ons huis suisde de wind overal. Het klonk hoger dan de bomen, banger. Kou kroop door ramen die niet dik genoeg waren. Om de seconde streek het vuurtorenlicht langs, als een koplamp. Drie lichten na elkaar en dan een seconde niets, aan die donkere seconde kon je ons eiland herkennen.
Het was de dag van het jaar waarop de straten geveegd werden en er geen licht meer uit de huizen mocht komen. Ik was dertien. Alle lampen moesten uit of de gordijnen héél goed dicht. Het was niet eens de langste nacht van het jaar, wel de donkerste. Dat was traditie.
De jongen onder de tafel was onze buur, Hidde. Ineens was hij binnen komen rennen. De deur van onze schuur deden we niet op slot, zo hoorde dat deze nacht.
Hidde was aan het tuintjesluipen. Niet alleen het licht moest binnenblijven, ook de vrouwen en de kinderen. Mannen veegden hen van de straat. De stoerste kinderen probeerden het toch.
We hoorden de hoornen brullen. Mannen liepen in groepen door het dorp met lange, stugge gewaden over hun schouders, waar ze maanden aan hadden gewerkt. Iedere groep had een eigen thema. Ze droegen maskers zodat ze helemaal onherkenbaar waren. In hun ene hand hadden ze een stok, om mee te meppen, in de andere een hoorn om op te blazen.
Toen kwam Hidde onder de tafel vandaan, hij bedankte ons en sloop door de achterdeur weer naar buiten. Moest ik met hem mee? Mijn broertje mompelde: ‘graag gedaan’, omdat verder niemand wat zei.
Die stilte kwam door papa. Hij vond de hoornen vervelend, al zei hij zelf ‘verschrikkelijk’, het geluid dat ze maakten noemde hij blèren. Doordat hij zo stil was, waren wij dat ook, en daardoor konden we het gebrul nog beter horen.
Hij zou ons naar één van de huizen brengen die de mannen in de kostuums bezochten. Twee momenten mochten wij officieel ook naar buiten, mijn broertje, mama en ik: als papa ons naar zo’n huis bracht, en als hij ons om middernacht weer kwam ophalen.

2.
Aan een rood waas ergens in het zuiden zie ik dat de vaste wal er nog is, mijn nieuwe huis. In het oosten markeren vuurtorenstralen het dorp waar ik opgroeide
Ook de vuurtoren van het volgende eiland is zichtbaar, de as van de stralen gekanteld door de bolling van de aarde. Voor de rest is het compleet donker, geen sterrenhemel, de lichtbundel van mijn fietslamp verdwijnt in het zwart.
Het is ineens eigenaardig windstil. Een grutto roept kort zijn naam, er klinkt een kieviet in de verte, dat is alles, zelfs de branding heeft zich teruggetrokken op deze dag.
Het fietspad slingert door een bosje meidoorns, hun stammen grillig. Vannacht ben ik juist hier het veiligst, in een griezelig bos ver van de bewoonde wereld. Het bos is klein, ik fiets er alweer uit en daar ligt het dorp onder de vuurtoren. Het ziet er vreemd uit, een lullig lijntje lichtspikkels tussen al dat donker.
Het laatste stukje rijd ik trager. Nog even en ik loop er rond, dan is het gedaan. Misschien moet ik het toch alleen maar bekijken , als volwassen man mag je als toeschouwer in je eentje de straat op. Dan laat ik dat kostuum in de tas.
Ik zet mijn fiets tegen het bushokje, controleer of de fietstas goed dicht zit.

Ook de vuurtoren van het volgende eiland is zichtbaar, de as van de stralen gekanteld door de bolling van de aarde. Voor de rest is het compleet donker, geen sterrenhemel, de lichtbundel van mijn fietslamp verdwijnt in het zwart.

3.
We liepen over de berm. Je kon de muziek al horen, papa kromp ineen. Straks vluchtte hij ineens naar huis en liet hij ons hier achter, illegaal in het donker.
De zeelucht had de bomen nu al helemaal kaal gemaakt.
We haalden het.
De ramen waren met houten planken dichtgespijkerd, het meubilair was weggehaald en er lagen plastic zeilen op de grond voor het bier.
‘Ik kom jullie later weer ophalen.’ Hij zei het zacht. Hij klonk niet echt als een papa, meer als die ene juf die zo aardig was, maar die ze hadden weggepest.
Het zeil plakte. We gingen naast elkaar zitten. Tegen elk stukje muur was een stoel gezet, een grotere kring paste er niet in de lege woonkamer. Wij kregen Fristi, mama dronk een wijntje, we keken naar de andere vrouwen en kinderen. De allerstoerste kinderen durfden in de deuropening te gluren.
Er kwam een nieuwe groep binnen en ik lette extra goed op. Iedereen ging staan. De mantels van de mannen waren blauw en er stond een prent van de veerboot op, omdat de rederij honderd was geworden. Stiekem keek ik of ik iemand kon herkennen aan zijn houding.
Als ze met de stok op de grond tikten moest je op en neer springen, en als ze je aardig vonden hielden ze die stok horizontaal boven de grond. Dan moest je eroverheen springen. Zo konden ze zien wat een grote jongen je al was, een man bijna, klaar om de volgende keer stiekem met één van de groepen mee te gaan .

4.
Ik loop zo breed mogelijk. Handen in de broekzakken, ellebogen en knieën naar buiten. Niet té, zodat het zou lijken alsof ik voor iets compenseer.
Voor café De Zeehond staat wat publiek. Op het plein ervoor naderen twee groepen elkaar, de ene in rode gewaden en hoeden, de andere in het geel. Ze voesten; schudden elkaar de hand, stevig en onder continu gegrom door hun hoorns. Bij iedereen hangt een stok aan een touwtje aan de pols, die ze laten bungelen wanneer ze voesten, het tikt tegen de straattegels.
Soms beginnen ze te trekken en schiet de grom uit, harder en hoger. Zit er ineens een soort alarm in, een afkeurend geluid.
Ze houden snel weer op, geen verdacht zachte handen dit keer. Ze slaan de Westerlaan in en ik volg ze. Mijn vader is nog steeds nergens te bekennen, hoewel die toch, sinds de Seroxat, ieder jaar een kijkje neemt.
Nog een groep komt me tegemoet, op hun hoeden zitten schijnwerpers die verraden waar hun blik op gericht is. Soms valt er een lichtstraal direct op mij, alsof ze van mijn plannetje op de hoogte zijn. Ik doe mijn rits omlaag zodat ze mijn bebaarde kin kunnen zien. In de deuropening van een huis verderop staan kinderen stiekem te kijken.

5.
Eén van de mannen bleef lang met mama praten vanachter zijn masker. Doordat ze de huid rond hun ogen zwart geschminkt hadden, zag je alleen maar donkere vlekken waaraan je nooit iemand kon herkennen.
De man praatte met een hoog stemmetje. Dat deden ze allemaal, zodat je niet kon horen wie ze waren. Bovendien maakten stiekeme valspelers zo ook nog een kans, de vrouwen en de stoere kinderen, die eigenlijk geen baard in de keel hadden.
Van de moeders moest ik meedansen op de muziek.
Toen bleef die man bij mij staan, drukte zich dicht tegen me aan. Hij stonk naar alcohol en gilde met een hoog stemmetje in mijn oor. Hij vroeg of ik het naar mijn zin had, of ik lekker kon dansen. ‘Ga je volgend jaar ook meedoen?’
Ik zei niets.
De man kneep in mijn bovenarm. ‘Je bent al een hele sterke bink.’
Ik wist niet of hij een grapje maakte en wreef over mijn dunne arm. Hij knikte bevestigend, zijn ogen glinsterden achter zijn masker en hij bleef me maar aankijken.
Toen gingen ze weer weg om over de straten te lopen. De lantaarnpalen waren nog wel aan, anders hadden ze helemaal niets kunnen zien, zo tussen de pikzwarte huizen.

Soms valt er een lichtstraal direct op mij, alsof ze van mijn plannetje op de hoogte zijn. Ik doe mijn rits omlaag zodat ze mijn bebaarde kin kunnen zien.

6.
De groep draagt lange, harde gewaden. Ze gebaren driftig naar elkaar, lijken het oneens. De snelheid waarmee ze vertrekken is ongelooflijk, het is een opgefokte kudde bloeddorstige hyena’s.
De hyena’s naderen een nieuwe groep, tasten tactisch de leden af en ik let extra goed op, misschien heb ik er nog wat aan voor straks.
Dan hebben ze iemand op het oog. Terwijl de ene hyena in de hand van het doelwit knijpt, biedt een kameraad zijn hand al aan om het voesten over te nemen. Hun prooi geeft niet op, ze trekken harder aan elkaar, wijken uit, richting het publiek in de berm. Ik moet een stap achteruitzetten om niet omver gebeukt te worden.
De jongen zwicht, ze hebben beet. Ze zijn erachter wie het is, hij is te jong, doet illegaal mee. Een hoge stem, snel en vol echte angst: ‘Nee alsjeblieft ik –’, hij weet dat hij nu eruit getrapt gaat worden. Hij sprint weg, zo hard als hij kan. Ze rennen erachteraan, slaan met hun stokken hard op zijn cape, zijn benen. Als hij valt is er niemand die voorkomt dat ze niet alleen hun stokken gebruiken maar ook gaan trappen, deze nacht heeft de politie vrij.

7.
Ik had een keer van papa gehoord dat ze een oud mannetje hadden gemolesteerd. Die kon de volgende dag niet meer lopen. Hij was gewoon een bejaarde man die niet meer zo sterk was, maar toen ze met hem voestten dachten ze dat het een vrouw was.
En een andere keer dachten ze ook dat ze een vrouw hadden betrapt, maar het was al heel laat op de avond. Het was beter, ‘vriendelijker’ zeiden ze, om haar er niet uit te schoppen. In plaats daarvan schoven ze de cape opzij en trokken ze de broek naar beneden. Toen ze maar één gaatje konden vinden, bleven ze volhouden dat het een vrouw was. Niet eens toen de man met een lage, harde stem om hulp riep.
Achterin mijn kledingkast had ik een knijphalter verstopt zodat ik de allersterkste handen van het eiland zou krijgen.

8.
Mijn fiets staat er nog. Na het bushokje is er alleen maar weiland en rechts de dijk en daarachter, na een paar kilometer wad: de rest van de wereld, vol met mensen die van niets weten. Ik vis de zak uit de fietstas.
Hier kan ik me moeilijk omkleden. Beter kan ik tuintjesluipen, net als Hidde toen.
Stap je gewoon een tuin in? Het gaat erom dat ze vanaf de straat niets kunnen zien.
Ik probeer weer net zo te lopen als de andere toeschouwers. Misschien is dat man zijn hier: hetzelfde bewegen als de anderen. Zijdelings bestudeer ik de tuinen. Het pakket brandt onder mijn arm. Er staat een flinke struik in de tuin rechts, ik sprint ernaartoe.
Zo zonder bladeren bieden de takken toch onvoldoende beschutting . Ik sluip langs het huis en via de achtertuin naar die van de buren. Nergens is het beschut genoeg, ik blijf bereikbaar voor zoeklichten vanaf de weg en dan fluisteren er vrouwen. Ik laat me op mijn buik zakken. Eentje passeert voorovergebogen, ze sist naar achteren dat ze moeten komen. De rest giechelt, alsof het een ongevaarlijk spelletje is.
Zodra ze ver genoeg zijn richt ik me weer op. Ik trek sprintjes over grasvelden. Door het slingeren scheurt mijn tas aan de zijkant maar er valt niets uit.
Dan vind ik een beschut plekje. Ik haal de spullen uit de tas, spreid ze uit over de koude grond, doe mijn kleren uit.
Ik trek de jurk aan en ineens weet ik niet meer waarom ik heb bedacht om terug te keren, op deze manier. Moet ik mijn missie afbreken, gewoon weer naar het vaste land? Nee, het masker is gepast, de hoorn is waarachtig en ik laat de stok keurig bungelen aan het touwtje om mijn pols, ik doe niets verkeerd.
De bosjes uit, ik stap de straat op. De jurk is te lang, daar ga ik over struikelen.

Ik probeer weer net zo te lopen als de andere toeschouwers. Misschien is dat man zijn hier: hetzelfde bewegen als de anderen.

9.
In de vierde kwam Hidde ineens naar me toe, hij zei dat ik zijn hand moest schudden. Eerst dacht ik dat het een valstrik was. Ik wilde lachen en me daarna gedeisd houden.
Hij zei: ‘Ik meen het. Je bent goed met atletiek.’
Ik pakte zijn hand vast.
Als je mee mocht met zo’n groep zou je elke zaterdag in een schuur gaan zitten, en dan was het geheim welke schuur dat was. Daar zaten de mannen hun kostuums te maken. En ik had gehoord dat ze dan ook allemaal harde grappen maakten en overdag al gingen drinken.
Dan zou ik meelopen met zo’n groep. Ik was officieel nog te jong maar ik was goed in gym, dat hadden ze gezien. Niemand zou er iets van merken. Ik zou de straten vegen, goed controleren of de mensen hun gordijnen dicht hadden gedaan, en als er dan toch licht naar buiten scheen, zou ik het ze laten weten. Later zouden we langs de huizen gaan en dan zou ik met de vrouwen mogen praten en dansen, ze wisten toch niet wie ik was want ik zat achter een masker en ik kon gewoon mijn eigen stem weer gebruiken.
Het duurde niet eens zo lang. Voor ik het wist was Hidde alweer teruggelopen naar zijn groepje. Ze lachten om wat hij zei.

10.
Nu ben ik er echt en de opgefokte kudde bloeddorstige hyena’s heeft me gevonden. Ze komen op me af. Ik stap op de zoom van mijn jurk, heb het net op tijd door.
‘Ik doe niets verkeerd,’ roep ik . ‘Ik heb een piemel en een kostuum.’
Ze versnellen hun pas.
Het huisje waar mijn vader ons vroeger naartoe bracht, dat is toch verderop? Daar kan ik me verstoppen. Ik probeer op mijn hoorn te blazen, voor de vorm en de geloofwaardigheid. Ik krijg er geen goed geluid uit, het gegrom lijkt meer op gehoest en als ik uithaal klinkt het als een gil.
De muziek wordt luider, het huisje is vlakbij, maar waar?
‘Zo, zo. Ben jij alleen?’ Kopstem of niet, deze manier van praten herken ik meteen. Hidde heft zijn kin.
Ik knik.
‘En wat is dit voor cape?’ Hij trekt aan mijn jurk.
‘Dat leek me een grappige reflectie op –’
Hij grijpt mijn hand. Hij ruikt naar zweet en alcohol en zijn hand is ongelofelijk sterk. Om ons heen verstilt het gegrom, de anderen stoppen met blazen op hun hoorns.

Mail

Werner de Valk (hij/hem, 1988), deels opgegroeid op Ameland, is kunstenaar en schrijver. Hij bracht zijn jeugd door op Ameland, studeerde neurowetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en vervolgens Unstable Media aan de Gerrit Rietveld Academie. Zijn korte verhalen zijn verschenen in de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd, finales van Het Rode Oor, bij de Optimist en in Tijdschrift EI.

Juliette Koster , een kunstenaar uit Utrecht, laat zich leiden door haar fascinatie voor de complexiteit van de wereld, met een bijzondere nadruk op ecologie en klimaatverandering. Haar artistieke praktijk draait om het vastleggen van beweging als een bevroren filmframe, waarbij ze elk moment tot in de kleinste details onderzoekt om te begrijpen wat zich in zowel de voorgrond als de achtergrond afspeelt. Haar werk is dromerig en speels, ze werk in verschillende matrealen als potlood, verf en keramiek.

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven
test
het laatste
De sofaconstante

De sofaconstante

Uschi Cop schreef een claustrofobische verhalenbundel over zes levens die getekend zijn door een verlangen naar zingeving. De sofaconstante is een voorpublicatie van een van die verhalen uit haar bundel 'Zwaktebod'. Lees meer

Muze

Muze

Loren Snel schreef een roman over hoe samen te zijn met een ander en intussen trouw te blijven aan jezelf. Haar debuut verschijnt 25 oktober bij uitgeverij Prometheus. Hier lees je een voorpublicatie. Lees meer

Jari

Jari

Dave Boomkens schreef een verhaal over troosteloosheid, onmacht en opgroeien. Over hoe je in een treurig flatgebouw, tussen de nieuwsprogrammering en sportwedstrijden door, een vriend kunt vinden en verliezen. Lees meer

Geef de dag een naam

Geef de dag een naam

Op een hete zomerdag wordt Felipe zwetend wakker. Deze dag, die heet en broeierig is, brengt hem uit evenwicht, tot hij uiteindelijk doet wat hij gezworen had nooit te doen: hij begint te drinken. Een fragment uit de afstudeernovelle van Tiemen Hageman over het verleden proberen los te laten, het leven ruimte geven en adolescent worden. Lees meer

Tussen de randen van een aquarium

Tussen de randen van een aquarium

Wie ben je als je alles kunt zijn? In het fragmentarische afstudeerwerk van Ettie Edens veranderen mensen onder andere in een hoopje, een steen, een natuurkundedocent, water, iemand die limonade drinkt en een lantaarnpaal. Lees meer

Mycelium

Mycelium

Wat als schimmelsporen zich met iedere adem dieper in je longen graven? Met ‘Mycelium’ won Olga Ponjee de juryprijs van Het Rode Oor 2023, de erotische schrijfwedstrijd van Vlaams-Nederlands huis deBuren. Lees meer

Bösendorfer 1

Bösendorfer

Bij Snelders blinkt de piano van het poetsen en de handen van de vijftigjarige eigenaar zijn door ouderdom stram geworden. Wat gebeurt er als een twintiger op bezoek komt om de Bösendorfer te bezichtigen? Met ‘Bösendorfer’ won Nick De Weerdt Het Rode Oor 2023, de erotische schrijfwedstrijd van Vlaams-Nederlands huis deBuren. Lees meer

In mijn droom besta ik uit pixels

In mijn droom besta ik uit pixels

Terra van Dorst keek maandenlang naar livestreams van pleinen en stranden. Dit vertaalde ze naar gedichten over een straat waarin ze haar ouders vindt, een man die haar een sjaal wil verkopen waar je in kan wonen en de zee. Het resultaat is de bundel 'in mijn droom besta ik uit pixels' waarmee ze deze zomer afstudeerde bij de opleiding Creative Writing aan ArtEZ. Lees meer

Pulpa

Pulpa

Ileen Rook schreef een afstudeernovelle over autoriteit, de supermarkt en een teveel aan tanden. Wie is Aline, waar komen al die tanden vandaan en hoe kan ze grip krijgen op een realiteit die steeds verder van haar verwijderd raakt? Lees meer

:Voorpublicatie Magazine Aaah: Mijn vader de eendenmosseljager

🎧 Mijn vader de eendenmosseljager

‘Dat zijn de zenuwen, die horen erbij. Een goede percebeiro is altijd bang.’ Een voorpublicatie uit Aaah!, het nieuwe magazine van Hard//hoofd. Lees meer

Notes on Ken

Notes on Ken

‘Camp is de organisator van het feestje, en strooit nog wat extra glitter over je heen wanneer je arriveert.’ In Notes on Ken analyseert Caecilia Rasch Earring Magic Ken, neonkleurige beenwarmers, Barbiecore fitc checks en de kenmerkende campy esthetiek. Lees meer

Ik kan u nergens vinden

Ik kan u nergens vinden

In dit verhaal van Werner de Valk, praten twee huisgenoten onder het genot van een glas wijn over het bestaan van God. Nooit een goed idee als je je ergert aan elkaar. Lees meer

Biecht

Biecht

‘Ik ben buschauffeur en ik rijd altijd expres de halte een paar meter voorbij zodat alle wachtende mensen een drafje moeten inzetten om de bus toch te halen.’ Een verhaal van Hanne Craye dat je leidt langs zonden, intieme geheimen en de juridische voorwaarden van een biecht. Lees meer

Een bui

Een bui

In dit verhaal neemt Tessel Veneboer je mee naar hartje Parijs. Een jonge vrouw en een oudere man treffen elkaar. Terwijl ze praten over films, de wijn en ‘de meertaligheid van zijn twee dochters’, verschuift haar blik op de stad om haar heen en op zichzelf. Lees meer

Nooit meer vliegen

Nooit meer vliegen

‘Het is een gedoe om je van de dode vogels te ontdoen. Je weet ook niet goed hoe dat moet, lichamen bergen.’ In dit verhaal van Esther de Soomer vliegen de vogels moedwillig tegen je raam, scroll je door artikelen over te vroeg bottende bomen en komt je buurvrouw langs met haar kat die gek wordt van je roofvogelgeluiden. Lees meer

:‘Een zeer stellige manier van tegenspreken’ : Een interview met Ester Naomi Perquin

‘Een zeer stellige manier van tegenspreken’: Een interview met Ester Naomi Perquin

‘Er is een reden waarom de meeste dichters niet kunnen autorijden.’ Julia de Dreu interviewde Ester Naomi Perquin over haar nieuwste bundel, geloven, chagrijnige kippen en porseleinkastjes. Lees meer

:Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 2) 5

Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 2)

Deel twee van de samenwerking tussen Poetry International en Willem de Kooning Academy. Achttien studenten lieten zich inspireren door het werk van de dichters van het 53ste Poetry International Festival. Alle illustraties zijn gedurende het festival te zien in een expositie in LantarenVenster en op de route tussen de festivallocaties op Katendrecht. Lees meer

Eén tarotlezing verwijderd van

Eén tarotlezing verwijderd van

‘Mijn navel is een portaal / Ik smeer hem in / met etherische oliën / in de hoop dat het ruimte creëert / om mijzelf in te kunnen verbergen.’ Sander Ausems schreef een gedichtenreeks over het verlangen om grip te houden op een steeds sneller veranderende wereld. Lees meer

Gedicht zoekt beeld (deel 1) 2

Poetry International X Willem de Kooning Academy: Gedicht zoekt beeld (deel 1)

Hoe kun je poëzie ook anders ervaren dan via de bundel of op het podium? Achttien studenten illustratie van de Rotterdamse Willem de Kooning Academie lieten zich inspireren door het werk van de dichters van het 53ste Poetry International Festival (9 – 11 juni Rotterdam). Hard//hoofd presenteert een selectie van hun illustraties in combinatie met de gedichten. Alle achttien zijn gedurende het festival te zien in een expositie in LantarenVenster en op de route tussen de festivallocaties op Katendrecht. Lees meer

De diepte in

De diepte in

Wie heeft woorden nodig als je elkaar aan kunt raken? In dit verhaal van Martien van Agtmaal lees je over liefde diep in de zee. Lees meer

Lees Hard//hoofd op papier! 

Hard//hoofd verschijnt vanaf nu twee keer per jaar op papier! Dankzij de hulp van onze lezers kunnen we nog vaker een podium bieden aan aanstormend talent. Schrijf je nu in voor slechts €2,50 per maand en ontvang in maart je eerste papieren tijdschrift. Veel leesplezier!

Word trouwe lezer