Wat doen twee lieve meisjes met hun moeders op vakantie op Vlieland, als zij de duinen, de zee, de paarden en de Harry Potterfilms wel gezien hebben? Een kort verhaal van Iduna Paalman.
1.
We hebben bedacht dat het zal helpen als we een hoeslaken om ons hoofd wikkelen en dat bedekken met klimop van de schutting tegenover ons gehuurde vakantiehuisje, onze broeken op hoogwaterlengte hijsen en een zelfgemaakt lied ten gehore brengen.
We zijn met onze moeders (die bij elk stootje wind een zucht van tevredenheid slaken) op vakantie op Vlieland maar wij hebben de duinen, de zee, de paarden en de Harry Potterfilms die we ’s avonds op het kleine teeveetje in onze kamer mogen kijken nu wel gezien. We willen naar het café, waar het schippersbier in vaten onder de toog ligt te klotsen en waar we de illusie kunnen hebben zonder moeders op vakantie te zijn.
Maar onze moeders hebben geglimlacht, met hun touwtjesbrillen resoluut nee geschud, een kopje venkelzoethoutthee met valeriaan gezet en zijn daarna weer in hun spirituele tijdschriften gaan wonen. ‘Morgenavond is er een mooi mannenkoor in de kerk’, zeggen ze, ‘daar gaan we toch al heen?’
‘Belachelijk’, zegt Alice.
‘Megakut’, zeg ik.
Dus hebben we bedacht dat een optreden de enige mogelijkheid is. We verzinnen een liedtekst met drie coupletten en het volgende refrein:
jullie zijn nooit jong geweest
jullie hadden nooit zin in feest
maar een mannenkoor is voor ons niet genoeg
want die zingen in een kerk en niet in een kroeg
’s Avonds na de afwas nodigen we onze moeders uit op de bank plaats te nemen. De opvoering is een groot succes, ze schateren van het lachen. Hoopvol nemen wij het applaus in ontvangst.
‘Schítterend!’ zegt de moeder van Alice.
‘Práchtig!’ zegt mama.
We wikkelen de hoeslakens weer van onze hoofden, hangen de klimop terug in de heg en vragen, met de opluchting van een turner die zonder nahup geland is, hoe laat we weer thuis moeten zijn.
‘O nee hoor’, zegt mama, ‘geen sprake van, dat doen we niet, dat zeiden we al.’
Daarna stappen ze weer in hun tijdschriften. Wij sjokken naar onze kamer, nee, we hoeven geen kop thee en nee, we gaan morgen niet mee naar het mannenkoor. We zakken op bed en proberen ons voor te stellen dat we zonder moeders op vakantie zijn, wat niet lukt want aan het einde van de straat horen we Jan, Piet, Joris en Corneel uit het café schallen.
2.
Alice heeft haar paard Lis genoemd en ik het mijne Rozemarijn. Onze dagboeken heten ook zo, dat versterkt de band die we met deze paarden gaan opbouwen.
Eerst heeft Alice een ander idee. ‘Die van jou Little Star, die van mij Black Mamba’, zegt ze. Ik kijk naar de paarden, ze lijken ergens van te balen. Achter het weiland begint het wad, de zee heeft zich teruggetrokken, zeewier ligt op glad gesleten stenen te glanzen in de zon.
‘Maar die van jou is helemaal niet zwart’, zeg ik.
‘Daar gaat het niet om’, zegt Alice, ‘het moet lekker klinken. Black Mamba, Black Maaamba!’ Ze roept het paard bij zich maar het reageert nauwelijks.
Ik ga bij Little Star staan en zeg: ‘Je moet echt contact met ze maken. We moeten ze namen geven die iets voor ons betekenen.’
Zo komen we via Harry en Hermelien bij Lis en Rozemarijn terecht. Het werkt, de paarden krijgen interesse in ons. Ze ontdekken dat wij vanachter de omheining komen, waar het gras nog niet weg gegraasd is en lange halmen tegen de slootrand staan. Dat we die voor ze plukken, tegen hun fluweellippen houden en dat het voordelig is om op dat aanbod in te gaan.
Eén keer zien we de eigenares: een dikke vrouw met een pet achterstevoren op haar hoofd. Door het gat aan de voorkant steekt haar dubbelgevouwen pony. We staan net aan Lis en Rozemarijn te vertellen dat onze moeders lief zijn maar weinig begrijpen, dat de jongens die we leuk vinden a. zich te veel voor voetbal interesseren, b. veel te oud zijn of c. in Engeland wonen en dat we zo blij zijn dat we hier op deze weide een uitlaatklep hebben gevonden, als de vrouw op ons af komt lopen.
‘Jullie zijn van pension De Veerman of niet’, zegt ze, niet boos en niet aardig, ergens in het argwaangebied daartussen.
‘Daar logeren we ja, met onze moeders’, zeg ik.
‘Met jullie moeders’, zegt de vrouw.
‘Met onze moeders ja’, zegt Alice en ze legt haar hand tegen de manen van Lis, zodat de vrouw kan zien dat we erg vertrouwd zijn met de paarden.
‘Sorry dat we hier zijn’, zeg ik.
‘Geen brood geven. Voor acht uur in de ochtend en na negenen ’s avonds staat de spanning erop.’ De vrouw wijst naar de omheining waar we onderdoor geklommen zijn.
Alice vraagt hoe de paarden heten. De vrouw kijkt omhoog het duin op, aan de voet ervan bloeien rozenbottelstruiken, erachter is de bovenste helft van de vuurtoren te zien. Ze loopt alweer bij ons vandaan en klikt de omheining open. De klep van haar pet verhult haar nek. ‘Bokkel en Knoop’, roept ze naar achteren.
3.
‘Lieve Daniel Radcliffe’, zegt Alice. Dus ik schrijf: Lieve Daniel Radcliffe.
‘Wat doe jij nou.’
‘Ik schrijf op wat jij zegt. Lieve Daniel Radcliffe lijkt me een goed begin.’
‘Je weet dat Daniel Engels is?’ Haar ogen zijn groot en ik kan niet helemaal inschatten of ze me heel, heel dom vindt of toch best lief.
‘O ja’, zeg ik. ‘Dear Daniel Radcliffe wordt het dan, toch?’
We worden het erover eens dat Alice schrijft.
Ik zeg: ‘Misschien moeten we Dear Daniel doen, zonder Radcliffe, dat is persoonlijker. Dear Daniel, deze brief is helemaal vanuit de Waddenzee over de Noordzee gedobberd. Wij zijn twee meisjes en willen…’
‘Waddenzee? Gedobberd?’ Weer die grote ogen. ‘Nee man, we moeten meteen met iets naar binnen knallen. Iets als: we wanna come over.’
‘We wanna come over?’
‘Ja, we willen toch bij hem langs? We zeggen dat we hier in Nederland superbekend zijn, en dat onze agenten dat met zijn agenten hebben geregeld. Hij is dan zo verbaasd over deze hoogst onwaarschijnlijke vorm van correspondentie dat hij ons direct belt wanneer we komen.’
Ze begint meteen druk te schrijven. Ik kijk over het dek van de boot, de zeehond van Rederij Doeksen lijkt op een knuffel van vroeger. Mensen komen via smalle trappetjes het dek op, vaders fotograferen meeuwen, moeders kijken bezorgd, kinderen willen patat.
‘Heb jij de fles?’ vraagt Alice.
Ik haal de fles uit mijn tas, mama heeft hem voor ons bewaard, biologische kruidenwijn met cranberry en een schroefdop. We hebben het etiket eraf geweekt.
‘Zo’, zegt Alice en laat me lezen wat ze heeft opgeschreven. ‘Nu alleen onze namen nog, onze adressen, en onze mobiele telefoonnummers met het Nederlandse netnummer ervoor.’
‘Moeten we ook nog iets doen met lippenstift?’ vraag ik.
‘Nee’, zegt Alice, ‘simplicity sells.’
‘Oh ja.’
Als de boot halverwege is en alle kinderen patat voor hun neus hebben, gooien we de fles met de brief in het water. Ik mag gooien want ik zit op tennis en heb waarschijnlijk meer armkracht. Vijf maanden later, half januari, krijgen we antwoord.
Lieve meisjes,
Wij wonen op Texel en hebben gistermiddag op het strand jullie flessenpost gevonden. Wat bijzonder, dat dat helemaal naar de overkant gedobberd is! Wij hebben één keer eerder flessenpost gevonden, dat was in 1987 en we hebben met de briefschrijver (een lieve man uit IJmuiden) nog steeds goed contact.
We vinden het dan ook heerlijk dat we nu voor de tweede keer zoiets bijzonders vinden. Het lijkt er alleen op dat jullie de brief aan iemand anders hebben gericht. Wij kennen dhr. Radcliffe niet, maar misschien kunnen we het naar hem doorsturen? Wij proberen hier op het eiland altijd zo goed mogelijk te zorgen dat alles op de juiste plek terecht komt.
We hopen dat jullie een fijne tijd hebben gehad op Vlieland. Mochten jullie eens naar Texel komen, we hebben een minicamping waar we jullie van harte kunnen verwelkomen.
Tot ziens en nogmaals dank voor deze bijzondere samenloop van omstandigheden,
Anne-Greet en Ton Weijerts
Iduna Paalman (1991) is al bijna vier jaar columnist voor Hard//hoofd. Haar poëziedebuut ‘De grom uit de hond halen’ verscheen in het najaar van 2019 bij Querido. Ze won er de Poëziedebuutprijs 2020 mee. Ze publiceerde onder meer in De Gids, De Revisor, De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad.
Nanna de Jong is illustrator. Je in een kronkel lachen, een buiging voor de minderheden maken of gewoon een handstand voor de dagelijkse wisseling van perspectief. Ik geniet van bewegingen in alle soorten en maten en vier op deze manier de vormen die het leven aan kan nemen. In een kleurrijk en speels handschrift druk ik op de zere plekken van politieke of culturele thema’s. Ik wil bewust maken maar ook vermaken. Een klein vingertje in de lucht maar gevolgd door een koprol. Enjoy this playground I call work! www.nannabananna.com