Asset 14

Litteken

Litteken

Ze kwamen. Ik duwde de bladeren voorzichtig uiteen. Onze tuinhaag was fors en groen en leek een stevige erfgrens te vormen, maar vanbinnen was het een geraamte. Omdat ik nog klein was kon ik moeiteloos tussen de kronkelende stronken kruipen. Van achter het dichte bladerdek zag ik ze lopen over het kleine pad dat langs de beek voerde. Het waren er zeven, acht. Soms liep er ook een vrouw mee, dit keer niet. Ze droegen altijd dezelfde modderige kleren, het zout van hun zweet schetste op elke rug een landkaart.

Voorop liep de man met de roze trui. Ik had nog nooit een man met roze kleren gezien. Op zijn buik hing een zwart heuptasje met munten erin. Wanneer een van de andere werkers een krat fruit had gevuld, kwam deze man het ophalen in ruil voor een munt.

Ik wist niet precies wanneer de mannen kwamen, maar wel dat het was in de weken waarin ik zonder jas naar school mocht. Nog voor de zomer voorbij was zouden ze weer verdwijnen. Het enige wat ze achterlieten was het zelfgemaakte paadje langs de beek, een smalle gleuf in de berm waarvan het gras was platgestampt.

Een dag eerder had ik hem voor het eerst gesproken. De mannen stonden aan de rand van het veld, ze droegen hoofdparapluutjes tegen de zon in verschillende kleuren: rood, blauw, oranje. De paden tussen de aardbeienplanten waren modderig. Hier en daar had de wind een afgezonderde boom met kluit en al uit de grond gerukt. In de opengetrokken kuilen verzamelden zich water en straatvuil.

Slaw! Hallo.’

De man met de roze trui stak zijn hand op, hij had stugge bruine vingers en een palm waar diepe groeven doorheen krulden.

‘Hoi,’ zei ik voorzichtig.

Met een soepele beweging haalde de man het kroontje van een aardbei en legde de vrucht in mijn hand. De aardbei, zacht en bloedrood, paste maar net in mijn vuist. Hij gaf een lichte, roze vloeistof af, die plakte aan mijn vingers. Ik vond het vreemd dat deze kwetsbare vruchten werden geplukt door zulke ruwe handen.

‘Waar kom jij—waar komt u vandaan?’

De man leek me niet te begrijpen, maar hij lachte vriendelijk. Boven op zijn regenboogkleurige paraplu zat een waaiertje, twee wieken die draaiden in de wind.

Ik wees naar mezelf en naar de grond; toen wees ik naar de man en vervolgens zwaaide ik met mijn wijsvinger richting de horizon.

Ez Koerd iem. Koerdistan.’

De man maakte met zijn hand een grote boog naar de horizon, om aan te geven dat het ver daarachter lag. Daarna drukte hij zijn vinger tegen zijn lippen. ‘Sst,’ gebaarde hij en knipoogde. Koerdistan. Het was een geheim. Met de aardbei in mijn vuist geklemd was ik naar huis gerend.

Tijdens het avondeten had ik mijn vader gevraagd waar het lag.

‘Koerdistan? Hoe kom je daarop?’

Papa had papieren in zijn linkerhand, nog zacht en warm van de printer, en at met zijn rechter. Naast hem op tafel lag een aktetas, het leer zo glad dat het glom. Ik wist niet precies wat papa deed; het had iets met vastgoed te maken. Hij droeg altijd een gladgestreken zwart herenjasje en een stropdas, met daaronder een blauwe spijkerbroek. ‘Een perfecte combinatie’ noemde hij dat.

‘De fruitplukkers zijn anders, toch? Ik bedoel anders dan wij, hun gezichten, hun huid.’

Papa wreef over zijn hals en kauwde verder. Elke ochtend schoor hij zich, nog voordat ik wakker werd. Hij had een egale huid en zachte handen.

‘Fruit—Wat? Luister, ik wil niet dat je zomaar met die mensen praat,’ zei papa. ‘We kennen ze niet, ze komen niet van hier. Je weet toch dat je niet met—’

‘Maar ze wonen hier!’

‘Nee, ze wonen hier niet,’ snauwde hij. ‘Ze hebben geen huis hier. Ze zijn vreemden in dit land.’

Nadat de mannen voorbij onze tuin waren gelopen, kroop ik uit de haag. Ik volgde ze op een afstand, zodat ze mij niet zagen. Ik wilde weten waar ze woonden; óf ze hier woonden. De beek liep langs het dorp, langs de voetbalvelden en voorbij een stuk bos. De mannen liepen langs boerderijen met blaffende rottweilers die hen van de ene hoek van het hek tot de andere achtervolgden.

Ze betraden een braakliggend industrieterrein naast een houtzagerij. Er stonden twee woonwagens en een vergeelde caravan met lekke banden. Niets was er zacht en uitnodigend, het asfalt was ingescheurd als gedroogde modder en waar eerst machines stonden staken stalen balken en roestige schroeven uit de grond. Een paar mannen hingen hun shirt over de getande rand van het hek en wasten zich met water uit een slang. Hun lichamen waren het soort bruin dat ik ook op vakantie niet werd; het leek op leer. Een palet van bruintinten, alsof elk stuk huid afzonderlijk had gekozen welke kleur haar het beste schikte.

Rosj baasj!’

Het was de man met de roze trui. Hij kwam op blote voeten op mij af en gaf mij een stevige handdruk. Zijn palm voelde als steen: koud en korrelig – zand had zich in de rimpels genesteld.

Çiya,’ de man gebaarde naar zichzelf.

‘Brian,’ antwoordde ik. De man herhaalde de naam, sprak hem uit in twee afzonderlijke delen, braa-jun, alsof het niet vijf letters waren maar twee opeenvolgende zuchten. Hij riep naar de houten wagen; klanken die diep uit zijn strot schraapten. Even was ik bang voor de betekenis van dat gerochel, maar al snel kwam er een vrouw uit de wagen met een groot bruin boek onder haar arm. Ze wikkelde haastig een rood-wit geblokte theedoek om haar hoofd. Ze leek op de deksel van een jampot.

We gingen zitten op plastic tuinstoeltjes. Bij Çiya en de vrouw bogen de leuningen wat uit elkaar. Hij sloeg het boek open, het was een oude atlas. Ik sprak de exotische namen samen met hem uit, haalde ze dichterbij door de vreemde klanken over mijn eigen tong te laten rollen. Suriyye. Ermenistan. Anadolu. De man legde een potige hand over een donkergekleurd gebied, de ander op zijn hart.

Koerdistan.’

Ik zag de naam nergens staan, het was echt een geheim, geen land maar een gebied, op de kaart aangegeven als grote bruine vlek. De man maakte een golvende beweging met zijn handen en ik begreep dat dit geen golven waren maar bergen. Ik vroeg me af of de vormen van het landschap waarin we opgroeiden zich in onze huid kerfden. De mijne was zacht en wit; mijn land was vlak, het had geen bergen, geen rotsen of ravijnen.

‘Brian!’

Papa stapte door de poort van het erf. Hij droeg zijn zwarte jasje en stropdas, een vreemde verschijning op dat versleten terrein. Hij was er te smetteloos voor, zijn kleren te schoon, als iets kostbaars dat per ongeluk bij het vuil was gezet. Toch stormde hij het terrein op alsof het van hem was.

‘Brian, hier komen!’

Hij liep met het tempo van iemand die zijn haast niet wilde toegeven, niet wilde rennen. Zijn heupen sloegen heen en weer als die van een snelwandelaar, terwijl zijn hakken nog over de vloer veegden. De punt van zijn leren schoen verdween in een donkere waterplas. Hij ging zo snel dat hij het amper merkte. Papa keek om naar de boosdoener – een scheur in het asfalt – en kwam met zijn andere voet tegen een metalen pin. Hij probeerde zijn voet op te tillen, maar de punt van de schoen bleef steken. Zijn gezicht draaide geschrokken terug naar mij. Hij stortte naar voren als een logge boomstam, eerst op zijn knie, daarna op beide ellebogen.

Ik verstijfde. Het was raar om hem zo te zien, tussen de brandnetels op de gebroken grond. Hij hoorde daar niet, hij leek op een vreemdeling. Ik keek zonder te bewegen of iets te zeggen.

Papa klom snel weer overeind. Zijn haar was uit model geraakt; lokken hingen voor zijn ogen. Hij kwam een paar stappen dichterbij, knikte zelfs naar mij om te laten weten dat er niets aan de hand was, maar bij de derde stap kromp hij weer ineen. De Koerdische man snelde toe om hem te ondersteunen. Papa werd neergezet in een van de tuinstoelen. Zijn kin trilde, hij kneep in zijn knie, daar was de spijkerstof gescheurd.

Çiya wees op de leren puntschoenen.

Sola toezjik,’ lachte hij. ‘Sola toezjik.’

De vrouw kwam uit de wagen met een bruin flesje; het had dezelfde kleur als hun huid. ‘Gheel belangriek,’ zei Çiya en begon papa’s spijkerbroek omhoog te vouwen. Deze zat strak en de stof was stug; veel verder dan papa’s kuit kwam hij niet. Papa wuifde Çiya’s handen weg.

‘Niet nodig. Dat is niet nodig,’ zei hij en probeerde weer op te staan. Hij leunde naar voren en drukte zich omhoog op de leuningen van de tuinstoel, maar zodra hij zijn gewonde knie strekte begon hij te kreunen. Er glipte wat speeksel tussen zijn tanden door.

Weer hield Çiya het bruine flesje voor de ogen van mijn vader.

Gheel belangriek. Esseblief, esseblief.’

Even was het stil. De twee mannen keken elkaar aan. Ze leken iets te overwegen. Papa knikte kort naar de vrouw, en alsof daarmee genoeg gezegd werd stond zij op en verdween de woonwagen in.

Papa maakte zijn riem los en liet zijn broek zakken tot onder de verwonde knie. Hij droeg een korte onderbroek die knelde bij zijn billen. Zijn benen waren witter dan ik me herinnerde, er groeiden lange zwarte krulharen op. Zijn knie was rood van het bloed, met korrels straatvuil ertussen.

Çiya hield de tuinslang hoog boven de knie en liet het water op de wond neerkletteren. Het bloed en het vuil schoten uiteen. Papa pufte, hij duwde de plastic stoelleuningen zo ver uit elkaar dat ze niet meer terugbogen.

Zijn bleke huid was gescheurd: net onder de knieschijf, bij het zachte stuk, zat een gleuf. Daarin zaten kleine witte bolletjes; ze leken op de stukjes in cervelaatworst. Çiya vulde de opening met wat druppels uit het flesje. Papa’s huid kleurde bruin. Daarna dekte Çiya de wond af met felgekleurde kinderpleisters. Rood, oranje, groen.

Hij veegde wat gruis van mijn vaders jasje. Het was gescheurd bij de ellebogen, de draadjes schoten verdwaald in alle richtingen.

Doktër, hoké?

‘Dokter,’ knikte papa. ‘Oké.’

We liepen samen naar huis, papa en ik. Ik liet hem het pad van de fruitplukkers zien. Hij hinkte en leunde met zijn zweterige hand zwaar op mijn schouder. Deze weg kende hij nog niet.

Mail

Max Hermens (1991) schrijft verhalen en essays. Zijn werk verscheen onder andere in Das Magazin en op Rekto:Verso, deFusie, De Optimist en De Internet Gids. Max draagt zijn werk voor en geeft schrijfcursussen op de Radboud Universiteit. Zijn verhalen gaan over het platteland en de natuur, en over kinderen die op onbenullige avonturen gaan. Max zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin

Roos Vink (1994) Is werkzaam als freelance illustrator in Groningen en maakt tevens onderdeel uit van kunstcollectief Rond. Haar werk is vaak poëtisch en wat surrealistisch van karakter en ze werkt graag in het spanningsveld tussen leesbaarheid en abstractie. De zoektocht naar nieuwe vormen en kleuren, die tevens in dienst staan van de boodschap, blijft haar hierbij fascineren.

Hard//hoofd is gratis en
heeft geen advertenties

Steun Hard//hoofd

Ontvang persoonlijke brieven
van redacteuren

Inschrijven

Steun de makers van de toekomst

Hard//hoofd is een vrije ruimte voor nieuwe makers. Een niet-commercieel platform waar talent online en offline de ruimte krijgt om te experimenteren en zich te ontwikkelen. We zijn bewust gratis toegankelijk en advertentievrij. Wij geloven dat nieuwe makers vooral een scherpe en eigenzinnige stem kunnen ontwikkelen als zij niet worden verleid tot clickbait en sensatie: die vrijheid vormt de basis voor originele verbeelding en nieuwe verhalen.

Steun ons

  • Foto van Marte Hoogenboom
    Marte HoogenboomHoofdredacteur
  • Foto van Mark de Boorder
    Mark de BoorderUitgever
  • Foto van Kiki Bolwijn
    Kiki BolwijnAdjunct-hoofdredacteur, chef Literair
  • Foto van Sander Veldhuizen
    Sander VeldhuizenUitgeefassistent
Lees meer
het laatste
Winterslaap

Winterslaap

Madeleine grapte al jaren over het houden van een winterslaap. Tot een onderzoeker dit ook echt mogelijk maakt. Wat als mensen een winterslaap zouden houden zoals dassen of beren dat doen? Een kort verhaal door Else Boer. Lees meer

Praat met mij, niet met de tekst

Praat met mij, niet met de tekst

Wout Waanders is niet alleen dichter en deel van een sexy boyband, maar ook schrijfcoach. Advies geven is natuurlijk leuk en aardig, maar wat gebeurt er als je zelf vastloopt tijdens het schrijven? Kan je jezelf terug de inspiratie in coachen? Alvast een tip: pak geen rode pen.  Lees meer

Een dag uit het leven

Een dag in het hoofd van een lichaam dat niet uit bed raakt

Er zijn zoveel dingen die je zou kunnen zijn. Bioboer, au-pair à Paris, muze, schrijver, schilder, heks... En tegelijk heb je maar één leven om al je ambities in waar te maken. Lies Jo Vandenhende deconstrueert deze tragiek liefdevol door ons een dag mee te nemen in het hoofd van een lichaam dat niet uit bed raakt. Met een illustratie van Tonke Koppelaar. Lees meer

Een ritje maken

Een ritje maken

In dit verhaal van Sonja Buljevac maken Renée en haar oma een wandeling bij de boulevard van Vlissingen. Terwijl haar oma volop geniet, wordt Renée geconfronteerd met de gebeurtenissen van de vorige nacht. Lees meer

De dochter van Baba Yaga met illustratie van Micky Dirkzwager

De dochter van Baba Yaga

Saar, een slapeloze studente, leeft op dubbeldrop en kan haar ex niet vergeten. Op een nacht belt ze haar moeder. ‘Vanaf mijn drieëntwintigste werd het allemaal beter, Saar.’ Is er hoop? Een rauw sprookje van Lena Plantinga over het herstellen van je vrouwelijke intuïtie, of pogingen doen tot. Lees meer

Alsof het stil was 1

Alsof het stil was

In dit korte verhaal van Janna Claudius slapen een van elkaar vervreemde moeder en dochter een nachtje op dezelfde kamer. Lees meer

De tanden van opa

De tanden van opa

Bart en zijn vader brengen het kunstgebit van Barts opa terug naar een Duitse soldaat. Een verhaal van Pieter Drift over het onkenbare verleden en de anoniem gestorven vijand die we nooit helemaal zullen kennen. Lees meer

Ik Zeg Emily

Het verlangen naar Emily is simpel

De debuutbundel van Yentl van Stokkum bevindt zich tussen poëzie en spookverhaal in, waarin een jonge dichter het graf bezoekt van een door haar geliefde schrijver en bezeten terugkeert. Lees meer

Automatische concepten 51

[Hier komt nog iets]

Roos Vlogman is sinds het schrijven van haar eigen roman geobsedeerd door het verschil tussen verzinnen en vertellen. Gaat het vertellen haar zelf altijd makkelijk af? Lees haar tips om inspiratie te krijgen van naaktkatten, op tijd te stoppen met schrijven en om soms net te doen alsof je geen ambities hebt. Lees meer

Kleine witte slang (reptiel

Kleine witte slang (reptiel)

Drie mensen zorgen samen voor een kleine witte slang. De slang lijkt alleen niets van hen aan te willen nemen. Is dat iets ergs, of wordt er een probleem gemaakt waar geen oplossing voor is? Een kort verhaal van Eva Salman over een advertentie op marktplaats, een stoel waarin nooit iemand zit en over hoe soms je best doen niet alles oplost. Lees meer

Kinken in een ruggengraat

Kinken in een ruggengraat

''We liggen samen in bed en ik vraag je om een herhaling van de tijd.
‘Herhaling bestaat niet,’ zeg je, ‘alleen verandering.’''
Een kort verhaal van Welmoed Jonas over hoe nachtvlinders elkaar kunnen vinden in het donker en het wachten op een nieuwe huid. Lees meer

Het Hoofd//stuk: Een ongepland moederboek

Een ongepland moederboek

Helena Hoogenkamp vertelt over hoe haar debuutroman helemaal geen verhaal over moeders moest worden, maar over liefde. Uiteindelijk schreef ze óók over moeders, maar vooral over een verlangen dat zo groot is dat niet uitgesproken kan worden. Maar wat laat je weg en wat vertel je juist wel als je wil vertellen over het onzegbare? Lees meer

Vitamine D

Vitamine D

De hoofdpersoon van dit korte verhaal spreekt met haar therapeut af in de trein. Lekker efficiënt en zo krijgt ze korting op de sessie. Nadeel is wel dat de andere forenzen zich met de therapie gaan bemoeien. Of is dat juist een voordeel? Lees meer

Asrest 1

Nieuwe materialen voor de huid

Voor de Klimaatweek schreef Pieter Van de Walle een gedicht bij het element water, waarin een onheilspellende stilte voor de storm weerklinkt. Lees meer

Asrest

Asrest

Voor de Klimaatweek schreef Meliza De Vries een gedicht bij het element vuur, vol vlammen die telkens weer vergeten worden. Lees meer

onder ons vergeten

onder ons vergeten

Voor de Klimaatweek schreef Johannes Lievens een gedicht bij het element aarde, over vallen en loslaten. Lees meer

De hitte is zwaar als ze op je valt

Voor de Klimaatweek schreef Anke Verschueren een gedicht bij het element lucht, waarin iemand bijzondere souvenirs van omzwervingen verzamelt. Lees meer

Een dag op een gesloten psychiatrische afdeling ten tijde van de pandemie (IV)

Een dag op een gesloten psychiatrische afdeling ten tijde van de pandemie (IV)

Doris ter Horst werkt als psychiater in opleiding. Door de coronacrisis wordt ze als behandelaar voor nog meer ethische dilemma's gesteld dan normaal. In haar vierluik geeft ze het woord aan haar (fictieve) patiënten. Een inkijkje in een dag op een gesloten afdeling tijdens een pandemie. Lees meer

 1

Waarom ik geen danser kon worden

In het Hoofd//stuk doen schrijvers een poging om de weg naar het verhaal vast te leggen. Welke tips hadden zij willen krijgen toen ze begonnen? Welk advies zullen ze nooit en dan ook nooit meer opvolgen? Wat is hun advies? Lees het in het Hoofd//stuk. Annelies van Wijk trapt af met de vraag hoe je (g)een alwetende verteller wordt. Lees meer

Een dag op een gesloten psychiatrische afdeling ten tijde van de pandemie (III)

Een dag op een gesloten psychiatrische afdeling ten tijde van de pandemie (III)

Doris ter Horst werkt als psychiater in opleiding. Door de coronacrisis wordt ze als behandelaar voor nog meer ethische dilemma's gesteld dan normaal. In haar vierluik geeft ze het woord aan haar (fictieve) patiënten. Een inkijkje in een dag op een gesloten afdeling tijdens een pandemie. Lees meer