Hard//hoofd

Zomerboek

Passie

Zondagsschrijver (VI)

Tekst Sara van Gennip &
Illustratie Lune van der Meulen

Sara van Gennip is de Zondagsschrijver. Zeven weken lang ziet Hard//hoofd zich iedere zondag gezegend met een kort verhaal van haar hand. Over geloof, en het gebrek daaraan. Vandaag deel zes: Passie.



Ze wist dat het zijn laatste ontbijt zou zijn. Louise probeerde daar niet al te gewichtig over te doen. Ze kookte zijn ei, zoals elke zondag, zo hard dat het blauw zag, besmeerde een beschuitje met boter en een snufje zout en sneed het ei met de eiersnijder in plakjes die ze uiteen liet waaieren als een bloem. De croissantjes bakte ze met croissantdeeg uit een kokertje van de supermarkt. Het was doodeenvoudig maar het gaf haar steevast het gevoel een goede moeder te zijn. Na tien minuutjes rook de keuken naar gelukkig gezin.

En het is niet erg, niet erg te sterven. Niet als het zo heeft moeten zijn. Alles duurt zolang het duurt. Jaren die niet komen, hebben nooit bestaan. Nee, het is niet erg, niet erg te sterven. Alles wat je nog wilde, mocht of moest, verdwijnt zodra je ogen sluiten. Stil maar. Alles gaat voorbij.

Justus trok zijn spijkerbroek aan, de nette gympen en tot slot de paarse blouse met het rode stiksel. Zijn moeder had de blouse voor hem uitgezocht. Net als het donkerblauwe trainingspak, waar hij de eerste drie jaar sinds zijn terugkeer in gewoond had. De zwarte cape hadden ze samen gemaakt met stof van de markt en een naaipatroon van de buurvrouw. Zorgvuldig knoopte hij de cape vast om zijn nek, zodat de mensen hem van ver zouden zien boven op de kade. Het was immers zondag. De dag dat hij de mensen toezong om hen daarna vriendelijk toe te knikken. Eerst hadden de mensen vreemd opgekeken maar inmiddels was er naast acceptatie ook waardering ontstaan. Niet alleen kon hij best aardig zingen, hij bleek een van de weinige mensen die andere mensen het gevoel konden geven dat ze gezien werden: dat ze werkelijk bestonden, dat ze misschien zelfs werden liefgehad.

En het is niet erg, niet erg te falen. Niet als je er zo vaak om lachen kon. Met je handen in de modder en de regen op je kop, voortploeterend richting zon: wat had ik je dan lief. Al die tranen en de eindeloze nachten stelden alleen jezelf teleur. Nee, het is niet erg, niet erg te falen. Er was geen doel, dus missen kon je niet.

Hij at zijn ei terwijl Louise zwijgend naar hem keek. Kruimels van de beschuit vielen op zijn bord. Na de laatste hap pakte hij zijn mok met thee, goot er een scheutje melk in, en nam zonder te roeren een slok. Hij knikte tevreden. Louise kon uren naar hem kijken. Toen hij klein was en eindeloos van de glijbaan gleed of een uur lang voor zich uit zat te staren op het plein. Toen hij ouder werd en hij haar bevroeg over de bomen, de mensen en de kat van de buren. Hoe hij zorgvuldig draden wol ontrafelde van de trui die zij hem voor kerst gegeven had. Hoe hij op zijn nagels beet, en altijd even zuchtte voor hij sprak. Hoe hij sprak. Zo weloverwogen, zo geen woord te veel.

Ze maakte zijn blik van hem los en sneed een van de verse croissants open om deze dik te besmeren met pindakaas. Ze keek hoe hij het opat. Toen stond hij op, trok zijn schoenen aan in de hal, kwam terug om haar gedag te kussen, nog een keer keken ze elkaar aan, waarop hij zich omdraaide, de deur opende, nog een keer omkeek, haar blik ving, knikte en de deur achter zich sloot. Louise bleef zitten. Keek naar de deur, keek er dwars doorheen.

En het is niet erg, niet erg te gaan. Niet als je nooit thuis geweest bent tussen de planken van je huis. Missen is je losweken, ruimte maken voor wat nog komen gaat. Je eigen voeten droegen je het beste, je had zo weinig nodig om voort te gaan. Laat nu ook die voeten los, ontdoe je van je huid en het bloed dat door je aders stroomt. Ga verder dan je ging, transformeer.

Boven op de kade, met zijn rug richting zee, stapte Justus op de omgekeerde krat frisdrank. Zijn ogen hield hij gesloten, zijn cape wapperde in de wind. Een klein groepje mensen stond al op hem te wachten, hun handen diep in hun zakken maar hun nekken vooruit om niets te hoeven missen. Het meisje met de kleine witte hond was erbij geweest vanaf het begin. Justus was deel gaan uitmaken van haar zondagsritueel, na het ontbijt, voor de appeltaart met slagroom. Met zijn linkervoet tapte hij een ritme tot hij het juiste te pakken had. Toen begon hij te zingen. Woorden welden in hem op, vormden zinnen die overgingen tot een verhaal. Meer mensen verzamelden zich, drukten hun lijven tegen elkaar aan om niets te missen. Toen opende hij zijn ogen. En hij zag ze. Alle ogen van al die mensen met het verlangen meer te zijn dan ze waren. Hij zag, hij zong en verdween die zondag in de nacht. Zonder dat iemand wist of hij gevallen was of vleugels had gekregen.




Deel op of
Sara van Gennip schrijft verhalen waarin mensen discussiƫren, liefhebben en geloven tegen beter weten in. Ze studeerde in 2012 af aan de (drama)schrijfopleiding van de HKU en schreef sindsdien o.a. theater voor Oerol, Over het IJ, Festival Boulevard en het Kameroperahuis, en korte verhalen voor ShortReads. Ze won diverse prijzen voor haar werk.
Lune van der Meulen is illustrator, schilder en schrijver. In haar werk staat de mens en zijn onvermogen vaak centraal. Ze weet eigenlijk nog niet precies wat ze wil, dus doet ze maar zoveel mogelijk van alles.
b
a
a