Hard//hoofd wil aan je muur! Word kunstverzamelaar

Langzaam leren lezen

Een leesexperiment door en voor de beginnende poëzielezer

Tekst Vera Martens &
Illustratie Rosanne van Leusden

Poëzie lezen is niet vanzelfsprekend. Dat is zonde, want het is eigenlijk een heel rijk literair genre. Vera Martens neemt de proef op de som: wat nu als ze een week lang elke dag poëzie leest?


‘Lees jij eigenlijk weleens gedichten?’ vroeg ik aan mijn vader toen we in een café twee groentekroketten als lunch aten. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik zou best willen, maar ik snap ze vaak niet. Ik heb de kennis niet om ze te kunnen lezen.’ Toen ik niet lang daarna dezelfde vraag stelde aan een vriendin die bij de bibliotheek werkt, antwoordde ook zij dat ze weinig poëzie las: ‘Alleen als ik een gedicht tegenkom op de eerste pagina van een mooi boek en de regels spreken me aan, dan zoek ik de dichter weleens op. Verder lees ik vooral romans.’ Oké, dacht ik, ik ben dus niet de enige die weinig poëzie leest en een beetje bang is voor de onbegrijpelijkheid ervan.

Gedichten lezen is niet vanzelfsprekend. Zelfs bibliotheekmedewerkers, boekenwurmen zoals mijn vader en mensen die literatuurwetenschap studeerden zoals ikzelf, lezen weinig poëzie. Cijfers ondersteunen mijn ministeekproef: slechts 2 tot 4 procent van de verkochte boeken zijn dichtbundels. Toch schrijft meer dan een miljoen Nederlanders weleens een gedicht (Deckwitz, 2016). Met de poëzieproductie gaat het dus goed, alleen worden die gedichten vervolgens maar door een kleine groep mensen gelezen. Ik besloot mezelf te onderwerpen aan een experiment. Wat zou er gebeuren als ik me zou verdiepen in leesstrategieën om deze vervolgens toe te passen op een aantal dichtbundels die staan te verstoffen in mijn boekenkast?

Close reading en gedichten als olijven
Een van de technieken die ik wil gebruiken tijdens mijn experiment is close reading. Dit is een methode uit de literatuurwetenschap waarbij je een tekst, in dit geval een gedicht, ‘naïef’ leest, achtergrondinformatie en eventuele moeilijke woorden opzoekt, de structuur van het gedicht analyseert en het werk interpreteert. Deze vier fasen doorloop je niet chronologisch, maar door elkaar heen. Tijdens het lezen spring je steeds tussen de fasen heen en weer. Close reading laat zien hoe belangrijk het is dat we ons langzaam door een gedicht voortbewegen, veel langzamer dan hoe we ons normaliter met taal bezighouden.
Liefde voor teksten begint met het verliefd worden op zinnen.

Naast close reading heb ik een ander middel dat mij tijdens mijn experiment gaat helpen: de inzichten van Ellen Deckwitz over het lezen van poëzie gebundeld in het boek Olijven moet je leren lezen. Dit boek bevat ten eerste een onontbeerlijk advies over de mindset waarmee je als lezer poëzie tegemoet kan treden: bij bepaalde gedichten is het zinvol om logica los te laten, het standaard begrijpen opzij te schuiven en ermee akkoord te gaan dat je niet alles kan duiden. Dat wat ik zo frustrerend vind aan poëzie, blijkt juist de kracht ervan te zijn. Gedichten zetten ons denken op z’n kop en trekken ons een onbekende maar kleurrijke wereld in.

Ellen Deckwitz geeft ook praktische tips. Ze raadt beginnende poëzielezers aan om een bloemlezing aan te schaffen en op zoek te gaan naar mooie zinnen. In een bloemlezing heb je meer kans een gedicht te treffen dat je aanspreekt. Daarnaast meent Deckwitz dat zoeken naar mooie regels de beste manier is om te beginnen met het lezen van gedichten. Liefde voor teksten begint volgens haar met het verliefd worden op zinnen en bovendien kan een zin die je aanspreekt een startpunt zijn om een gedicht verder te ontleden. Iedere regel gaat immers het gesprek met andere regels aan.

Het poëzie-experiment
Voor mijn persoonlijke experiment lees ik gedichten uit een bloemlezing uit de jaren zeventig, uit bundels van Gerrit Achterberg, Esther Naomi Perquin, Alexis de Roode, Erik Spinoy, Tomas Tranströmer en Wislawa Szymborska en via YouTube luister ik naar voordrachten van jonge dichters zoals Vicky Francken en Marjolijn van Heemstra.

Het eerste wat me opvalt is hoe intensief het bestuderen van gedichten is. Het vraagt veel aandacht om de woorden en zinnen tot me te nemen en de betekenis ervan tot me door te laten dringen. Logisch, want gedichten zijn geen gemakkelijke teksten die lekker weglezen. Ze bestaan niet uit alledaags taalgebruik, maar uit ongebruikelijke woordcombinaties en zinstructuren. Mijn brein wordt flink uitgedaagd om de taal steeds om te zetten naar een beeld in mijn hoofd. Tien gedichten per dag is daarom het maximale aantal gedichten dat ik kan en wil lezen. Dit levert een aantal bevindingen op, waarvan ik er hieronder vier zal bespreken.
Die cursus mindfulness waarover ik zat te denken, is wat dat betreft niet meer nodig.

1: Het alledaagse wordt opmerkelijk
Alledaagse dingen die me normaal ontgingen, vind ik opeens een stuk boeiender. Dit komt doordat veel gedichten de omgeving minutieus en op beeldende wijze omschrijven. Neem bijvoorbeeld deze zin uit het gedicht 'Bommen' van Paul Rodenko: “Een vrouw passeert. De echo raapt gehaast haar stappen op.” Of lees de regel uit het gedicht 'Amethist' van Gerrit Achterberg: “De avondzon verpluist in zachte mist.” Deze mooie zinnen zorgen ervoor dat ik iets gewoons zoals het geluid van voetstappen of de lucht bewuster ga waarnemen. De gedichten helpen me aan de waan van de dag te ontsnappen en scherpen mijn zintuigen. Die cursus mindfulness waarover ik zat te denken, is wat dat betreft niet meer nodig. Poëzie is net zo effectief en een stuk beter voor mijn portemonnee.

2: Zelfkennis door poëzie
In de gedichten zie ik mijn eigen wereldbeeld weerspiegeld. Dit gebeurt als ik 'Als Mozes had doorgevraagd' van Marjolijn van Heemstra lees:

Moest ik mijn land verlaten: ik zou blijven.
Stond mijn stad in brand: ik draaide om.
Moest ik mijn kind offeren: ik weigerde.
Zolang jij je niet laat kennen houd ik
benen op de grond, armen om het kind.
Mij scheep je bij geen bramenstruik af
met ‘ik ben die ik ben’, een kleine vlam, een donderstem.
Mozes was iemand van zijn tijd: dankbaar voor het leven,
bang om door te vragen en ook: een man,
die vragen niet zoveel.
Ik was blijven staan bij die struik tot je verscheen.
Geen smoesjes van doeken voor ogen omdat je straling te fel.
Mozes was brandgloed gewend, ik tl.
Kom maar op, zou ik zeggen. Zeg ik nu: Kom maar op.
Als niet Mozes, maar ik bij Horeb had gestaan ging het zo:

ik: Wie ben je?
jij: Ik ben die ik ben.
ik: Ik ook.
jij: Ja, jij ook.

Dan had ik je aangeraakt en jij mij.
Was de Bijbel geen boek, maar een omhelzing.

Als ik na het lezen van het gedicht sta af te wassen, denk ik nog wat na over de tekst. Zou Van Heemstra bedoelen dat het geloof mensen uit elkaar drijft in plaats van begrip voor elkaar creëert als we ons halsstarrig vasthouden aan wat het geloof voorschrijft? Wanneer ik mijn vriend het gedicht laat lezen en hem vraag waar het over gaat, zegt hij dat Van Heemsta bedoelt dat we moeten oppassen met het accepteren van autoriteit zoals men dat in Mozes’ tijd deed. Mijn vriend en ik halen allebei iets anders uit het gedicht, omdat we met andere bagage en vanuit een ander perspectief naar het gedicht kijken. Als je weet dat jouw interpretatie net zoveel zegt over het gedicht als over jezelf, leer je door gedichten te lezen jezelf beter kennen.
Het gedicht haalt me uit mijn bubbel van eigen ervaringen.

3: Poëzie heeft meerdere lagen
Hier komt close reading om de hoek kijken. Als ik nauwkeuriger ga lezen en moeilijke woorden en achtergrondinformatie over een gedicht opzoek, krijgt het gedicht telkens een extra betekenis of verandert de interpretatie. 'Thebe' van Gerrit Achterberg verandert radicaal als ik ontdek dat Achterberg zijn hospita heeft vermoord. De titel, die verwijst naar de Egyptische stad vol ruïnes en graven, kan ik direct in deze context plaatsen. Het gedicht haalt me uit mijn bubbel van eigen ervaringen en geeft de tekst een hele nieuwe lading. Ook stijlfiguren, die je door close reading gewaarwordt, dragen bij aan de gelaagdheid van een gedicht. Een stijlfiguur dat dichters gebruiken om meerdere lagen aan te brengen, is het enjambement. Enjambementen zijn afgebroken regels die in de opvolgende regel verder gaan. 'Gemeen gedicht' van Florence Tonk is een voorbeeld van poëzie waarin enjambementen de tekst steeds in een ander licht plaatsen. In de eerste twee regels van het gedicht gebeurt dit:

Ze kijkt zoals ze danst als ze denkt
dat men kijkt als men neukt

De eerste regel klinkt al niet vriendelijk, maar als je de volgende zin leest, zie je dat de regel nog niet af was en dat de tekst gemener is dan je in eerste instantie dacht. Toen ik een kaartje schreef aan een kennis die in verwachting is, en de zin ‘maar nu eerst genieten van een nieuw leven met z’n drieën’ op papier zette, had ik opeens de neiging om de zin na de woorden ‘nieuw leven’ af te breken om meer betekenis te creëren.

4: Esthetische waarde van taal
Gedichten kunnen simpelweg bloedmooi zijn. De gedichten van Wislawa Szymborska raken me, omdat ik mijn gevoelens prachtig verwoord terugzie. Het zijn kunstwerkjes van taal. Als je wilt beginnen met het lezen van poëzie, begin dan bij haar werk. Onthoud vooral dat het niet gaat om het vinden van antwoorden, maar om het ontdekken van mogelijkheden.

We leven langer,
maar minder nauwkeurig
en in korte zinnen.

Wij reizen sneller, vaker en verder,
al komen we met dia’s thuis
in plaats van met herinneringen.
Dit hier ben ik met een of andere kerel.
Dat daar is denk ik mijn ex.
Hier loopt iedereen in zijn blootje,
dus vast ergens op het strand.

Uit 'Niet-Lezen' van Wislawa Szymborska

En dan is het zondagavond en is mijn persoonlijke poëzieweek voorbij. Het lezen van de gedichten bracht me rust en reflectie, iets wat ik in mijn volle, gehaaste leven wel kon gebruiken. Mijn angst voor gedichten is verdwenen, maar ik heb ook ontdekt dat sommige poëzie me gewoon niet ligt. In mijn poëzieweek kwam ik genoeg gedichten tegen die me bij de eerste lezing niet aanspraken. Pas als ik een mooie zin ontdekte of iets in de tekst mijn aandacht trok, ging ik nauwkeuriger lezen. Gedichten lezen doe je dus niet alleen met je hersenen, maar ook met je hart. Dat je kennis nodig zou moeten hebben om poëzie te kunnen lezen, is een mythe die ontkracht wordt zodra je een beginnetje maakt.

Wil je je ook onderwerpen aan een poëzie-experiment? Laat je inspireren door mijn leeslijst:

Hier van Wislawa Szymborska
Een steen openvouwen van Alexis de Roode
Nieuwe Griffels schone leien bloemlezing van Paul Rodenko
Voorbij de laatste stad van Gerrit Achterberg
Celinspecties van Esther Naomi Perquin
Röntgenfotomodel van Vicky Franken

 


Deel op of
Vera Martens is literatuurwetenschapper en programmamaker bij cultureel podium de Kargadoor in Utrecht. 
Rosanne van Leusden is illustrator, wonend en werkend in Amsterdam.
b
a
a