Hard//hoofd

Zomerboek 'Summer of 2069'

Donkere materie

Tekst Selin Kuscu &
Beeld Marijn van der Leeuw

Meestal gaat het zo: een schrijver of dichter maakt een tekst, en daar wordt vervolgens een illustratie of foto bij gezocht. Maar wat als je dit proces omdraait? Als een tekst reageert op een beeld in plaats van andersom? Fotograaf Marijn van der Leeuw en schrijver Selin Kuscu gingen voor Hard//hoofd met dit idee aan de slag. Marijn maakte foto's en Selin gebruikte die als uitgangspunt voor een kort verhaal.


Door de klonterige klei zijn mijn vingers net oude boterhamkorsten. Ik recht mijn rug, maar zink gelijk terug in mijn slappe-zakhouding. Dus dit is wat fysieke arbeid met je doet. Ik wist niet dat het zo verslavend was. Hoe lang ben ik al bezig? Het is hier compleet duister, maar ik zie het duidelijk: het is af, dit is het eindresultaat. Ik stink, of misschien komt de natte lappen-lucht van de metselspecie. Een stank die nergens naartoe kan.



Twee maanden eerder. We liggen op de bank. Eva’s billen drukken tegen mijn heup, haar benen vouwt ze over de die van mij. Schichtig als een knaagdiertje verdeelt ze haar aandacht tussen het bord dat zenuwachtig balanceert op de armleuning, de televisie en haar boek. Soms kijkt ze mijn kant op, maar het kan zijn dat ze niet naar mij kijkt.

‘Je zit te veel daarbúiten met je hoofd,’ zeg ik.

Eva kijkt op, ‘Hm?’, en schudt van niet. Maar ik heb hier lang over nagedacht.

‘Je weet wel wat ik bedoel.'

‘Nee,’ zegt Eva. ‘Nee Dylan, ik begrijp nog steeds niet wat je bedoelt. Alles speelt zich inderdaad buiten deze muren af. Werk, vrienden, feestjes. Natuur, dieren. Het is niet mijn schuld dat alles en iedereen dáár is. Behalve jij misschien, goed ja, als je het zo bekijkt dan ben jij de uitzondering. De rest van ons wil de deur uit.’
Wie belang toedicht aan details, maakt zichzelf wijs dat ’ie om de zoveel meter iets nieuws ontdekt.

Typisch Eva om het gesprek gelijk naar mij toe te draaien, doen alsof ik de hele dag op deze bank niets zit te doen. ‘Jij denkt dat je nieuwsgierig bent,’ zeg ik, ‘maar het enige wat je doet is categoriseren, ordenen, plaatsen.’ Eva’s alerte blik volgt mijn handen, die bij elk woord opspringen. ‘Je denkt dat als je maar zo veel mogelijk details om je heen verzamelt, er zich een geheel ontwaart, en dat je dan ineens iets – het! – zal begrijpen. Nou, jouw ogen zien het verkeerd.’

Eva klemt haar kaken op elkaar en knarst met haar tanden, maar ik heb een punt duidelijk te maken. Je kunt de wereld kennen. Ik ken de wereld júist: in grote lijnen, meer heb je niet nodig om haar te begrijpen. Een geestdodende plek, ik zeg het je!

‘Schoonheid zit in de details,’ zegt Eva. ‘Als je die wegwuift, wat zijn wij dan nog? Een kudde dieren, niet van elkaar te onderscheiden?’ De huid van haar hals, langs haar oor, wordt rood. Ze schuift haar lichaam rechtop, haar billen raken me niet meer aan. Eva raakt zo makkelijk geïrriteerd, terwijl ik alleen maar probeer te helpen.

‘Precies, er valt niets te onderscheiden,’ zeg ik. Je denkt dat je meer ziet dan ik, maar het is juist andersom. ‘Zodra je dat begrijpt, kun je vérder kijken.’ Wie belang toedicht aan details, maakt zichzelf wijs dat ’ie om de zoveel meter iets nieuws ontdekt. In werkelijkheid zie je een herhaling van zetten, maar dan vermomd. Eva zit met haar neus zo dicht op de aarde dat het haar aan overzicht ontbeert. Die losse stukjes scheppen verwarring, maken Eva ongeduldig, gehaast. Als ze nou eens luistert… Maar Eva wil het niet weten. Elk argument vergroot de afstand.



In het weekend lopen we een stuk langs de weilanden die de stad omringen. Het is fris en de lucht is wit. Eva loopt voor me uit. Ze hurkt, waardoor haar lange jas helemaal om haar heen valt, en ze friemelt tussen het grind. Ik zie niet wat ze opraapt – een herfstblad, noten, een beestje… Nee, ik kijk naar dat punt in de verte waar de ene lijn niet meer van de andere te onderscheiden is. Overzicht.

‘Oh, kijk, wat mooi!’

‘Heel. Ja, heel,’ veins ik. ‘Weet je, Eef, de wereld ziet er altijd precies hetzelfde uit. Al staan we hier, of stijgen we boven de boomtoppen uit om het stuk land erachter te zien, aan dat land verandert dan niets. Alles hierbuiten… is al gevormd, ongeacht ons. Saai, hè?’

Eva gooit haar hoofd in haar nek en brult. Het geluid is eerder dat van een goblin dan van de eekhoorn die ik me voorstelde op de plaats van het gehurkte bolletje. Dan richt ze haar blik op mij. ‘Wat wil je nou eigenlijk? Wij zijn net zo goed onderdeel van buiten.'

Dat is nou juist het probleem, lieve Eva. Ik wil haar naar me toetrekken en het nog een keer uitleggen, nog eens en nog eens. Wij zouden veel meer zijn dan wat hierbuiten is als je naar me luisterde. Ze gaat bij me weg. Zie die misprijzende blik. Of ik bij haar, want denk niet dat die stugge kop mij niet vermoeit. Maar ik wil niet dat het zover komt! Eva is slim, snel, in de meeste gevallen, en de drukke tics van haar fijne gezicht zijn vertederend. Ik kan er met mijn hoofd niet bij dat ze dit ene ding niet begrijpt, terwijl het zo simpel en essentieel is.

Dan moet ik het haar laten zien.



Als Eva door de voordeur binnenkomt, zit ik in kleermakerszit op het vloerkleed. Ze loopt me voorbij, maar ik wacht juist op haar.

‘Kom eens hier liggen.’ Om haar te lokken ga ik er ook bij liggen, met naast me genoeg ruimte voor Eva. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Ze zucht maar werkt mee. ‘Doe je ogen eens dicht,’ zeg ik.

‘En dan?’ vraagt ze.
‘Nu naar binnen kijken.’ Ik ben benieuwd wat ze ervan vindt, maar al na tien seconden merk ik dat ze friemelt aan het vloerkleed. ‘Wat zie je?’

‘De kamer.’

‘Eef, dit heeft geen zin als je je ogen niet sluit!’

‘Dat zijn ze!’

Ik kijk en ze liegt niet, maar ze kan ze net zo goed nu pas dicht hebben gedaan. ‘Goed, en als je de kamer wegdenkt?’
Het heelal is een cirkel, of misschien een dubbelgevouwen vel papier. Verder komen we niet.

‘Dan niets. Of, nou ja, nog steeds de kamer. Ik kan niet niet de kamer zien, Dylan. Zo werkt dat niet. Wat zou ik moeten zien? Wat wil je dat ik zie?’
Dit is moeilijker dan ik dacht. Eva’s hoofd zit propvol met de wereld erbuiten. Er is geen plek voor een andere plek. Zelfs als ze in het zwart kijkt, ziet ze gewoon wat ze zag voordat het donker werd. Ik zeg dat het goed is en kus haar stijve lippen. Met ogen open lijken we ieder op een andere plek te zijn. Dan wel.



Gelukkig ben ik te koppig om onze relatie zo makkelijk op te geven. Ik heb een tussenruimte nodig. Binnen én buiten. Min en min maakt plus, fluister ik, alsof alle wetenschap tot zo’n som te versimpelen is. Als Eva haar ogen sluit, is het laatste wat ze mag zien een ondefinieerbare plek.

Ik test wat plekken uit, maar ze blijven te herleiden: ik kruip in een oude kist, maar de binnenkant is een omgekeerde kopie van de buitenkant. Nog erger: de ruimte is totaal fantasieloos. Een gladde rechthoek. Net als alle ruimtes in dit huis: rechthoeken, driehoeken en geen greintje fantasie.

Hersenen zien een vorm omdat die beredeneerd en benoemd is. Voor al het andere is de mens blind. Daarom kunnen we niet zien welke vorm het heelal heeft: de vorm is nog niet opgetekend en dus kennen we hem niet, of onze logica dicht het een vorm toe die we eerder gezien hebben. Het heelal is een cirkel, of misschien een dubbelgevouwen vel papier. Verder komen we niet. Je moet afstand nemen, je aan het bekende onttrekken, dat probeer ik Eva uit te leggen.

‘Een vorm vormt zich niet naar zijn ware zelf als je ’m met je ogen bekijkt,’ roep ik richting onze keuken. Haar gezicht verschijnt om de hoek. Deze keer weet ik zeker dat ze me aankijkt.

‘Is dit gesprek nog steeds niet afgerond? Blind zijn is trouwens geen keuze, Dylan.’

‘Ah!’ Dat ik dat niet eerder heb bedacht! Een bos in het holst van de nacht. Er zijn altijd dieren ook als je ze niet kunt zien en ook als ze er helemaal niet zijn. Daar heeft iedereen fantasie. Ik heb nodig: een onbekende uitgestrekte ruimte en een mens die ziet op de tast.



In grove lijnen schets ik de binnensculptuur. Er moet genoeg bewegingsruimte zijn voor twee personen, om rechtop te staan en een beetje te lopen. Groter kan niet in onze achtertuin.

Als ik dit klaar kan spelen, zijn die mijlen afstand tussen Eva en mij zo overbrugd.

Dan blijven we samen.

De buitenkant mag niets verraden, dus bouw ik de meest basale vorm die ik kan bedenken: een gigantische kubus. Daarna loods ik mezelf en zware pakketten klei en metselspecie naar binnen. Mijn zicht mag geen invloed uitoefenen, dus laat ik de ruimte zichzelf van binnenuit vormen. Zoals we het heelal niet bevatten omdát we er middenin zitten. Eef, op een plek als deze ben je nog nooit geweest. Het is de wereld waar je zo van houdt, maar dan verder, vreemder; híer valt iets nieuws te ontdekken. Ik stel me ons voor, dicht op elkaars huid, dat ik haar aanraak, dat ze me toelaat. Het is lang geleden. Mijn vingers zinken weg in het nog kneedbare materiaal en ik metsel de ruimte rond, hoekig, golvend, bonkend, vol. Als de materialen opdrogen en hard worden, alles zijn plek heeft, leun ik brandend en tevreden achterover. Voor het eerst kijk ik, maar zie niets, en weet dan dat ik iets ben vergeten.

Met mijn vingertoppen voel ik opgedroogde klei overgaan in gladde was. Al zijn mijn handen verstijfd, de zenuwen doen het nog prima. Ik heb geen spijt, want volgens mij heb ik nog niet eerder zo’n helder overzicht gehad als in dit bouwsel. Ik zie waar het begon en ik zie dit, het einde, en hoe ik hier ben gekomen.

De tussenruimte is een meesterwerk geworden. Het ruikt misschien muf, maar niemand anders die het ruikt.

Eva kan hier niet komen. Dat is dom en niet volgens plan. Ik vraag me af wat ze ervan vindt, of ze het zal begrijpen. Ach ja, hierbinnen bereikt me niets. Maar wat ik niet begrijp is hoe de gedachte aan haar gedachten zich toch nog opdringt. Waarom lukt het me zelfs op een onherleidbare plek niet om het oude bekende te ont-zien?

Iemand bonkt op de kubus. Ik luister. De wand is zo dik dat Eva’s stem onderwater klinkt. Ik stel me de donkerblauwe diepte van de oceaan voor. Haar lange haren zijn natte strengels, en opgejaagde luchtbellen schieten naar alle uithoeken als ze roept: ‘Wat was er mis met gewoon onze ogen sluiten?’


We willen je iets vertellen. Hard//hoofd is al bijna tien jaar een vrijhaven voor jonge en experimentele kunst, journalistiek en literatuur. Een walhalla voor hemelbestormers en constructieve twijfelaars, een speeltuin voor talentvolle dromers en ontheemde jonge honden. Elke dag verschijnen op onze site eigenzinnige artikelen, verhalen, poëzie, kunst, fotografie en illustraties van onze jonge makers. Én onze site is helemaal gratis.

Hoe graag we ook zouden willen; zonder jou kunnen we dit niet blijven doen. We hebben namelijk te weinig inkomsten om dit vol te houden. Met jouw hulp kunnen we de journalistiek, kunst en literatuur van de toekomst mogelijk blijven maken, en zelfs versterken.

Als je ons steunt, dan maken wij jou meteen kunstverzamelaar door je speciaal geselecteerde kunstwerken toe te sturen. Verzamel kunst en help je favoriete tijdschrift het volgende decennium door. We zullen je eeuwig dankbaar zijn. Draag Hard//hoofd een warm hart toe. Word kunstverzamelaar
Deel
Selin Kuscu (1991) studeerde Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en Fiction Writing aan het Pratt Institute. Met haar afstudeerwerk won ze de Nieuwe Types Prijs.
Marijn van der Leeuw
b
a
a

Hard//hoofd is al bijna tien jaar een artistieke en journalistieke vrijhaven voor jong talent en experiment. Elke dag verschijnen op onze site eigenzinnige artikelen, verhalen, poëzie, kunst, fotografie en illustraties van onze jonge makers. Helemaal gratis. We kunnen dit niet blijven doen zonder jouw hulp. Als je ons steunt, dan sturen we je als dank de interessantste Hard//hoofd-kunstwerken toe. Word kunstverzamelaar en help Hard//hoofd het volgende decennium door.

Steun Hard//Hoofd