Hard//hoofd wil aan je muur! Word kunstverzamelaar

Zorg

Kort verhaal

Tekst Gastbijdrage

Als een volwassen man ziek wordt moet hij terug naar zijn ouders. Dit korte verhaal van Koen Alfons werd geïllustreerd door Nina Mathijsen.



De radio vertelt dat op het toppunt van een epidemie, tweeëntachtig op honderdduizend Nederlanders zijn geveld door griep. Ik ben een van de gelukkigen. Wat doet een alleenwonende man die op maandagochtend zwetend wakker wordt op een slecht verwarmde etage in Amsterdam-West?

Die man gaat naar zijn ouders.

Vlak na de ochtendspits boemel ik door herfstig Holland en werp waterige blikken op de polders. Ik zie weilanden en bij elkaar schurkende koeien. Troosteloze graffitiviaducten. Een fietser houdt zijn hoed vast.

Na het verlaten van station Buiten volgt een korte rit over de busbanen van de stad zonder ziel. De laatste meters door de ouderlijke straat, een druk op de bel, de honden slaan aan – een eeuwige combinatie.


Illustratie: Nina Mathijsen



Ze doen samen de voordeur open. En aldaar begint De Zorg. Gefronste wenkbrauwen boven onderzoekende ogen. Mijn vader: "Ben jij ziek?" Mijn moeder: "Oh, jochie."

Ik word met zachte dwang de huiskamer binnen geleid, waar het warm is en Jack Russell, Border Collie en Giuseppe Verdi me welkom heten. Of ik koffie wil. Nee, koffie is het laatste wat ik wil. Thee? Slappe thee? Ja. Een zachtgekookt ei soms? Ja. Ik voel me een zachtgekookt ei en ik wil een zachtgekookt ei. Met beschuit.

Het wordt allemaal geregeld.

Aan de eettafel, kleine hapjes, een dekentje om mijn schouders. Mijn moeder gaat naast de afzuigkap een sigaartje roken. Mijn vader niet, omdat zijn cardioloog hem anders nooit meer zal aankijken.

Zoals hij daar zit, zijn vuist om niet de laatste Nespresso van vandaag, herken ik hem van de enige foto die ooit in zijn jeugd van hem is gemaakt. Mijn 15-jarige vader op klompen, gehurkt naast rijen andijvie op de kwekerij van mijn opa. Iedere zomerochtend, vóór school, moest hij met een gieter al die rijen langs – griep of geen griep.

"En anders wachtte er een eind hout." Dat zegt hij met een glimlach terwijl mijn moeder haar ogen ten hemel slaat. Dit verhaal heeft ze eerder gehoord, net als overigens de gehele inhoud van de Volkskrant van vanochtend.

Ze zegt: "Het bed staat al klaar", en dooft haar sigaar in de gootsteen. "Je vader brengt je wel even."

We richten ons tegelijk op en een moment verdenk ik hem ervan dat hij me de trap op gaat dragen, maar zover komt het niet.


Illustratie: Nina Mathijsen



Op zolder is mijn vaders werkkamer – sinds zijn pensionering de plek waar hij in rust zijn voetbalwedstrijden kan kijken en alle actualiteitenprogramma’s die de publieke omroep hem voor de voeten durft te gooien.

Er staat een opvouwbaar bed, of zoals mijn vader zegt: een veldbed. Het is strak opgemaakt met een extra laken onder het dekbed tegen het onvermijdelijke zweten. Op het hoofdkussen ligt Sabbath’s Theater – in het geval ik niet kan slapen. Dat ik het verhaal al ken, doet niet ter zake. Roth is heilig in dit huis en hij zal mijn herstel bespoedigen.

Dan, vanaf de overloop, mijn moeder: "Leen hem even een pyjama! Die heeft ‘ie vast niet bij zich." Mijn vader kijkt me aan en ik schud mijn hoofd. Dat ik al vanaf mijn zestiende in mijn blote vel slaap, heb ik ze nooit verteld. Wanneer ik in mijn ondergoed en op kousenvoeten klaar sta om erin te duiken, steekt ze haar hoofd door de deuropening en keurt mijn lichaam. "Jij eet te weinig."

Ik knik. Dat klopt moeder. Ik drink teveel en eet te weinig. Maar ik heb een vermoeden dat daar de komende dagen verandering in zal komen.

"Als je wat nodig hebt geef je maar een gil. We zijn gewoon de hele dag thuis." En dicht gaat de deur. Ze dalen af en ik hoor mijn vader nog brommen dat die honden natuurlijk wel gewoon uitgelaten moeten worden en zij zegt dat hij dat dan maar een keer alleen moet doen.


Illustratie: Nina Mathijsen



Ik werp nog een laatste blik door het ruitvormig raam en aanschouw de achtertuin. De kleine kas wacht op lente en tomaten en aardbeien. Een houtduif waggelt over het gazon, niet geplaagd door regen en wind, op zoek naar de buit die mijn moeder her en der heeft verstopt: twee helften van een sinaasappel, een overgebleven stokbrood, een paar handjes muesli. Aan de pergola hangen netjes met vet en zaden. Vorige maand vertelde ze aan de telefoon over een specht die al dagenlang in de hoge esdoorn een woning aan het uithakken was. Ik zoek maar zie niets - geen specht, geen spechtenwoning.

Dan, in het veldbed onder het schuine dak, schakelt de griep naar de vijfde versnelling. Een onbedaarlijk rillen, van heet naar koud en weer terug. Spieren in rug en schouders trekken samen, het zweten vangt aan bij mijn onderbenen. Ik trek het dekbed op tot mijn aan mijn kin. Ik voel me heerlijk.

Een vriend vertelde me ooit dat het niet zo werkt tussen hem en zijn ouders. Geen hekel aan elkaar, gewoon niet zoveel liefde.

Mijn wens: laat hem niet de griep krijgen.


--
Dit is een gastbijdrage van Koen Alfons.

Deel op of
b
a
a